Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH2553

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
200804959/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 32.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804959/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 mei 2008 in zaak nr. 07/2623 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 32.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.D.J. van Ruyven, advocaat te Utrecht, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door:

a. een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00;

b. een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Blijkens een op ambtsbelofte door een inspecteur van de Arbeidsinspectie (hierna: de inspecteur) opgemaakt boeterapport van 30 maart 2006 (hierna: het boeterapport) zijn op 25 november 2005 [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4], allen van Chinese nationaliteit (hierna tezamen: de vreemdelingen) in de onderneming van [appellante] aangetroffen.

2.3. [appellante] betoogt, zoals ter zitting nader toegelicht, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vreemdeling 2 ten dienste van [appellante] arbeid heeft verricht. Daartoe voert zij aan dat de enkele omstandigheid dat op de kleding en schoenen van deze vreemdeling vetvlekken zaten hiertoe onvoldoende is. Volgens haar hebben de koks hem op 25 november 2005 in de keuken slechts van voedsel voorzien.

2.3.1. Blijkens het boeterapport zaten op de broek, t-shirt en schoenen van vreemdeling 2 vetvlekken, op zijn handen en onderarmen diverse brandwondjes en was hij schaars gekleed. De inspecteur heeft deze omstandigheden in verband gebracht met het bereiden van eten in woks onderscheidenlijk de hete olie die hierbij wordt gebruikt onderscheidenlijk de hoge temperatuur in de keuken als gevolg van het vuur onder de woks. Voorts is de verklaring die vreemdeling 2 op 25 november 2005 tegenover de inspecteur heeft afgelegd - dat hij voor het eerst en sinds een uur in het restaurant was en dat hij in de keuken was om iets te eten - niet aannemelijk. Vreemdeling 2 is blijkens het boeterapport uit de keuken via een ventilatierooster naar buiten gevlucht, hetgeen er volgens de minister op duidt dat hij de weg in het restaurant goed kende, welk standpunt [appellante] ter zitting in hoger beroep, door alleen te stellen dat de koks vreemdeling 2 mogelijk eerder op het ventilatierooster hebben gewezen, niet heeft ontkracht.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vreemdeling 2 ten dienste van [appellante] arbeid heeft verricht.

Het betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt [appellante], zoals ter zitting nader toegelicht, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een vennootschap onder firma wat de hoogte van een op te leggen boete betreft niet met een natuurlijk persoon kan worden gelijkgesteld. Daartoe voert zij aan dat de boete bij een vennootschap onder firma ten laste van de vennoten komt, evenals een boete bij een eenmanszaak ten laste komt van de persoon die die zaak drijft.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 oktober 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200803282/1&verdict_id=31484&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200803282/1&utm_term=200803282/1">200803282/1</a>) wordt een vennootschap onder firma, zijnde een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, ingevolge artikel 18a, derde lid, onder 1˚, gelezen in samenhang met artikel 19d, eerste lid, van de Wav wat de hoogte van een op te leggen boete betreft met een rechtspersoon gelijkgesteld. Uit de bewoordingen van de eerste leden van de artikelen 18a en 19d en het feit dat deze artikelen in dezelfde paragraaf kort na elkaar zijn opgenomen, moet onmiskenbaar de bedoeling worden afgeleid dat artikel 19d aansluit op artikel 18a. Nu de hoogte van de boete, voor zover verband houdend met de door de vennoten zelf gekozen rechtsvorm, aldus haar grond vindt in de gelijkstelling in de Wav van de vennootschap onder firma met een rechtspersoon, heeft de minister in zoverre geen beslissingsruimte.

Daar komt bij dat, zoals de Afdeling in voormelde uitspraak evenzeer heeft overwogen, een vennootschap onder firma zich wel van een door een natuurlijk persoon gedreven eenmanszaak onderscheidt, nu de boete in het geval van een vennootschap onder firma op de vennootschappelijke goederengemeenschap ten uitvoer kan worden gelegd.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat een vennootschap onder firma wat de hoogte van een op te leggen boete betreft niet met een natuurlijk persoon kan worden gelijkgesteld.

Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt verder, zoals ter zitting nader toegelicht, dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat de minister de boete wat betreft de tewerkstelling van vreemdeling 1 op nihil had moeten stellen dan wel had moeten matigen. Daartoe voert zij aan dat hij geen arbeidsplaats van een ander inneemt en zij voor hem premies en loonbelasting heeft afgedragen, zodat van concurrentievervalsing geen sprake is.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep te onderbouwen.

2.5.2. Niet in geschil is dat [appellante] geen aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning voor de door vreemdeling 1 te verrichten werkzaamheden heeft ingediend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 april 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200705985/1&verdict_id=23648&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200705985/1&utm_term=200705985/1">200705985/1</a>) had het bevoegde orgaan, de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI), in het kader van deze aanvraag kunnen beoordelen of voor de tewerkstelling van vreemdeling 1 prioriteitgenietend arbeidsaanbod aanwezig was en of de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden zich tegen de beoogde tewerkstelling verzetten. Nu deze beoordeling door de CWI niet heeft plaatsgevonden, is niet vastgesteld dat de doelstellingen van de Wav niet zijn geschonden. De enkele niet gestaafde stelling van [appellante] dat dit het geval is, is hiervoor onvoldoende.

Voorts vormt de omstandigheid dat [appellante], naar zij stelt, ten behoeve van vreemdeling 1 sociale premies heeft afgedragen en belasting heeft betaald, geen bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin, reeds omdat dat onverlet laat dat [appellante] niet heeft voldaan aan de uit de Wav voor haar als werkgever voortvloeiende verplichtingen.

De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister de boete wat betreft de tewerkstelling van vreemdeling 1 op nihil had moeten stellen dan wel had moeten matigen.

Het betoog faalt.

2.6. Tevens betoogt [appellante], zoals ter zitting nader toegelicht, dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat de minister de boete wat betreft de tewerkstelling van de vreemdelingen 3 en 4 op nihil had moeten stellen dan wel had moeten matigen. Daartoe voert zij aan dat de minister blijkens een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 20 februari 2007 in zaak nr. 06/4385 tijdens de behandeling van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft erkend dat wanneer zij tewerkstellingsvergunningen voor deze vreemdelingen zou hebben aangevraagd, deze hoogstwaarschijnlijk op vrij eenvoudige wijze zouden zijn verleend. Voorts verkeerde zij in de veronderstelling dat deze vreemdelingen, van wie niet in geschil is dat zij studenten zijn, zonder tewerkstellingsvergunningen mochten werken, omdat Hogescholen verklaringen afgeven waarin is vermeld dat studenten 10 uren per week mogen werken, aldus [appellante].

2.6.1. Niet in geschil is dat [appellante] geen aanvragen voor tewerkstellingsvergunningen voor de door vreemdeling 3 en 4 te verrichten werkzaamheden heeft ingediend. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.5.2. is overwogen, had de CWI in het kader van deze aanvragen kunnen beoordelen of grond voor verlening bestond. Dat de minister tijdens de behandeling van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft erkend dat deze hoogstwaarschijnlijk zouden zijn verleend, is niet van belang, omdat, zoals blijkt uit hetgeen de Afdeling eerder (uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200803832/1; www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, eerst op het moment van verlening van de tewerkstellingsvergunningen kan worden geconcludeerd dat de doelstellingen van de Wav niet zijn geschonden. Evenmin heeft [appellante] aan de omstandigheid, dat Hogescholen verklaringen afgeven waarin is vermeld dat studenten 10 uren per week mogen werken, wat hier ook van zij, de verwachting mogen ontlenen dat de vreemdelingen 3 en 4 zonder tewerkstellingsvergunningen mochten werken. Deze conclusie geldt des te meer nu, zoals in het besluit van 13 augustus 2007 is vermeld en naar de wettelijke vertegenwoordigster van [appellante] in haar verklaring van 10 februari 2006 tegenover de inspecteur heeft erkend, de achterzijde van de door de vreemdelingen 3 en 4 aan haar getoonde verblijfsdocumenten buiten twijfel stelt dat de vreemdelingen zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend, niet mochten worden tewerkgesteld.

De rechtbank heeft derhalve terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat de minister de boetes wat betreft de tewerkstelling van de vreemdelingen 3 en 4 op nihil had moeten stellen dan wel had moeten matigen.

Het betoog faalt.

2.7. Hetgeen [appellante] overigens heeft betoogd, door te verwijzen naar hetgeen zij eerder in de procedure heeft aangevoerd, faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister terecht de door de staatssecretaris opgelegde boete van € 32.000,00 heeft gehandhaafd.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009

32-485.