Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH2547

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
200803985/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hillegom (hierna: het college), voor zover thans van belang, het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen zonder bouwvergunning opgerichte werken op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de locatie), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803985/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2009

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 april 2008 in zaak nr. 07/5832 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hillegom.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hillegom (hierna: het college), voor zover thans van belang, het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen zonder bouwvergunning opgerichte werken op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de locatie), afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 april 2008, verzonden op 22 april 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

[belanghebbende], eigenaar van de percelen op de locatie, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Fien en mr. drs. E.C.M. Kingma, zijn verschenen.

Voorts is daar [getuige] als getuige onder ede gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de zaak naar een andere rechtbank verwezen had moeten worden, omdat de rechter die zijn zaak behandelde hem ten onrechte verweet iedereen zwart te maken en dat de desbetreffende personen zich daartegen konden verweren. [appellant] meent daarom dat deze rechter bevooroordeeld was jegens hem.

2.1.1. Dit betoog faalt, reeds omdat het geen betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank, doch op de gestelde uitlatingen van een individuele rechter. Derhalve bestond geen grond voor de door [appellant] gewenste verwijzing naar een andere rechtbank.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de betrokken rechter niet onbevooroordeeld jegens hem was.

2.2. Het college heeft, voor zover thans van belang, bij besluit van 1 maart 2007 een verzoek van [appellant] afgewezen om handhavend op te treden tegen het zonder vergunning bouwen van een hekwerk aan de achterzijde en twee penanten aan de voorzijde van de locatie, van een damwand en een aantal bouwwerken in de vorm van bloembollen alsmede van het zonder vergunning aanleggen van een parkeerterrein op de locatie. In hetzelfde besluit heeft het college een verzoek om handhavend op te treden tegen demping van een gedeelte van de Treslongvijver te Hillegom afgewezen. Het college heeft dit besluit gehandhaafd bij besluit van 28 juni 2007 en daarbij overwogen dat een afzonderlijk primair besluit zal worden genomen op het in bezwaar door [appellant] gedane verzoek om handhaving met betrekking tot een hek aan de voorzijde van de locatie.

2.3. Voor zover het betoog van [appellant] betrekking heeft op het dempen van een deel van de Treslongvijver, faalt het. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Rijnland hiervoor bij besluit van 12 oktober 2001 ontheffing van de Keur van het hoogheemraadschap Rijnland verleend. Deze ontheffing is in deze procedure niet aan de orde.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college ten aanzien van de penanten aan de voorzijde van de locatie van handhaving had mogen afzien. De rechtbank heeft aan zijn belangen, die met handhaving waren gediend, onvoldoende gewicht toegekend, aldus [appellant].

2.4.1. Op de locatie rust ingevolge het geldende bestemmingsplan "Treslong, omgeving Parklaan" de bestemming kantoren. Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder a, van de bestemmingsplanvoorschriften mogen op gronden met deze bestemming kantoren ten dienste van zakelijke en maatschappelijke dienstverlening worden gebouwd. Ingevolge het tweede lid mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, binnen het bouwvlak maximaal twee meter bedragen en buiten het bouwvlak maximaal 1 meter.

2.4.2. Niet in geschil is dat voor de penanten, die naar vaststaat, een hoogte hebben van 2,25 meter, geen bouwvergunning is verleend, zodat het college bevoegd was wegens strijd met artikel 40 van de Woningwet ter zake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat.

2.4.3. De penanten aan de voorzijde van de locatie zijn 1,25 meter hoger dan op grond van het geldende bestemmingsplan "Treslong, omgeving Parklaan" ter plaatse is toegestaan. Deze strijdigheid met het bestemmingsplan is niet van geringe aard. Derhalve heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat geen concreet zicht op legalisatie bestond. Tevens echter is om die reden handhavend optreden niet zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in dit geval behoorde te worden afgezien. Ten onrechte heeft de rechtbank [belanghebbende]' belang bij het bestaan van de penanten laten prevaleren boven het algemeen belang dat is gediend met handhaving en is zij ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het college ten aanzien van de penanten van handhaving heeft mogen afzien. Het betoog slaagt.

2.5. Bij besluit van 21 mei 2007, voor zover thans van belang, heeft het college een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een damwand. Hoewel deze vergunning bij besluit van 10 oktober 2007 alsnog is geweigerd, was ten tijde van het besluit op bezwaar van 28 juni 2007 geen sprake van een illegale situatie, waartegen het college handhavend kon optreden. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de vergunning bij de handhaving in bezwaar van de afwijzing van het verzoek om handhaving op 28 juni 2007 geen rol mocht spelen, faalt derhalve. Voorts diende de rechtbank het besluit van 28 juni 2007 naar inhoud en wijze van totstandkoming te toetsen in het licht van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van dit besluit, niet in het licht van de feiten en omstandigheden op het moment waarop het besluit behoorde te worden genomen.

2.6. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht het hekwerk aan de voorzijde van de locatie niet in haar overwegingen betrokken. Bij besluit van 28 juni 2007 heeft het college overwogen dat op het verzoek tot handhaving met betrekking tot dit hek een afzonderlijk primair besluit zal worden genomen, aangezien [appellant] dit verzoek eerst in het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2007 heeft ingediend. Aan de verklaring van [getuige] dat dit hekwerk hoger is dan 90 cm. komt de Afdeling derhalve niet toe.

2.7. Het betoog dat de rechtbank het college ten onrechte is gevolgd in het standpunt dat de bouwwerken in de vorm van bloembollen kunnen worden beschouwd als tuinmeubilair, faalt. De bouwwerken zijn verlichtingsobjecten in de vorm van bloembollen. Zij zijn gearrangeerd als sierobject in de tuin van [belanghebbende], een belangenbehartigingsorganisatie voor de boomkwekerij- en bolproductenbranche. Aangezien de hoogte van de objecten minder is dan twee meter kunnen zij worden aangemerkt als tuinmeubilair in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), waarvoor ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist. De rechtbank is terecht tot dit oordeel gekomen.

2.8. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank evenzeer terecht overwogen dat op het gedempte deel van de Treslongvijver, waarop een parkeerterrein is gesitueerd, niet de oude bestemming 'tuin' rust. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Treslong, omgeving Parklaan" rust op dit deel van de locatie de bestemming 'kantoren'. Op gronden met deze bestemming is een parkeerterrein toegestaan. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het parkeerterrein strookt met deze bestemming.

2.9. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het hekwerk aan de achterzijde van de locatie vergunningplichtig is, omdat het zich bevindt op het perceel kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], waarop geen gebouw staat ten dienste waarvan het hekwerk is opgericht. Dat op het belendende perceel, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], wél een gebouw staat, doet volgens hem aan de vergunningplicht niet af. Omdat het hekwerk zonder vergunning is opgericht, heeft het college daartegen ten onrechte niet handhavend opgetreden, aldus [appellant].

2.9.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, 2º, van het Bblb wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt: het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, niet hoger dan 2 meter en gebouwd op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat, meer dan 1 m achter de voorgevelrooilijn, en meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen. Niet in geschil is dat de erfafscheiding niet hoger is dan 2 meter en dat deze, meer dan 1 m achter de voorgevelrooilijn en meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen is gebouwd.

Ingevolge artikel 1, eerste lid van het Bblb, wordt in dit besluit verstaan onder erf het al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.

2.9.2. Vast staat dat het terrein kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], een smalle strook grond is die aan twee zijden grenst aan het naastgelegen grotere terrein kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], waarop het gebouw is gesitueerd ten behoeve waarvan de perceelsafscheiding is opgericht. Beide terreinen zijn eigendom van dezelfde eigenaar, hebben dezelfde bestemming en zijn in feitelijk opzicht ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw. Op grond hiervan is de Afdeling van oordeel dat in dit geval de locatie, bestaande uit de twee kadastrale nummers […] en […], voor de toepassing van artikel 2, aanhef en onder e, van het Bblb, als één perceel dient te gelden.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het hekwerk en de damwand daaronder niet als één bouwwerk gelden en dat de erfafscheiding vergunningvrij kon worden gebouwd. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college het verzoek om handhaving diende af te wijzen. Het betoog faalt.

2.10. Anders dan [appellant] heeft betoogt, heeft de rechtbank de door [appellant] gestelde erfdienstbaarheden terecht niet in haar overwegingen betrokken. Voor de beslissing om al dan niet bouwvergunning te verlenen, is niet van belang of privaatrechtelijke erfdienstbaarheden aan het bouwen in de weg staan. Een erfdienstbaarheid is een civielrechtelijke beperking, welke beperking, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 juli 1999 in zaak no. H01.98.1470 (AB 1999, 447), gelet op artikel 44 van de Woningwet, geen grond vormt om een bouwvergunning te weigeren.

2.11. Hetgeen [appellant] voor het overige aanvoert, komt neer op een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Er is geen grond daaromtrent anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

2.12. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft overwogen dat het college ten aanzien van de penanten aan de voorzijde van de locatie van handhaving heeft mogen afzien. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van het college van 28 juni 2007 in zoverre vernietigen.

De Afdeling zal evenwel de rechtsgevolgen van dit besluit in stand laten, aangezien ter zitting is gebleken, dat het college op 4 december 2008, voor zover thans van belang, vergunning heeft verleend voor het plaatsen van de in geding zijnde penanten. Derhalve bestaat thans geen grond meer voor handhavend optreden.

2.13. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 april 2008 in zaak nr. 07/5832, voor zover de rechtbank het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hillegom van 28 juni 2007, met nr. mid/jur/EF/4527, voor zover daarbij het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen twee penanten aan de voorzijde van de locatie [locatie] te [plaats] is afgewezen, heeft gehandhaafd;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 28 juni 2007 voor zover dit het onder II bedoelde onderdeel betreft;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit in stand blijven;

VI. gelast dat de gemeente Hillegom aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009

164-554.