Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH2545

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
200803897/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2006 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd aan appellant een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B, B + E, C en C + E af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803897/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 april 2008 in zaak nr. 06/1259 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2006 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd aan appellant een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B, B + E, C en C + E af te geven.

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover daarbij de weigering om een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en B + E te verstrekken in bezwaar is gehandhaafd, en het CBR opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2008, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nog een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. P.M.J.T. Schumans, advocaat te Middelburg, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.C.A. van den Hil-van Vliet, werkzaam in zijn dienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant] het beroep ingetrokken dat van rechtswege is ontstaan tegen het op 26 juni 2008 door het CBR naar aanleiding van de uitspraak van 22 april 2008 genomen besluit.

2.2. Ingevolge artikel 111, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt een rijbewijs slechts afgegeven aan degene die blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek, dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid.

Ingevolge het vierde lid worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van die bepaling.

Ingevolge artikel 97, eerste lid, eerste volzin, van het Reglement rijbewijzen, zoals dit luidde ten tijde van belang, worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien het van oordeel is dat de aanvrager voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.2.1 ("Schizofrenie en andere psychotische stoornissen") vermeld dat psychotische episoden de betrokkene ongeschikt maken voor elk rijbewijs. Als een geslaagde behandeling (twee jaar recidiefvrij, een zekere mate van ziekte-inzicht) heeft plaatsgevonden en de defecttoestand hooguit licht van aard is, hoeft er geen reden te zijn om de keurling zonder meer ongeschikt te verklaren voor het rijbewijs, aldus die passage. Wel is dan steeds een specialistisch rapport vereist. Bij een gunstig rapport bedraagt de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar; deze personen zullen alleen geschikt zijn voor rijbewijzen voor de categorieën A, B en B + E. Personen die voor de behandeling van hun aandoening een hoge dosering neuroleptica nodig hebben zijn ongeschikt voor het rijbewijs, aldus die passage.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat [appellant] onder behandeling is geweest van de stichting Stichting de Gelderse Roos (hierna: De Gelderse Roos), waarbij een schizoaffectieve stoornis is gediagnosticeerd, zodat hij volgens paragraaf 8.2.1 van de bijlage bij de Regeling niet geschikt kan worden geacht voor rijbewijzen voor de categorieën C en C +E. Zij heeft [appellant] niet gevolgd, waar deze stelt dat hij geen psychose heeft gehad, omdat deze stelling niet medisch is geschraagd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de zenuwarts P.J.I.M. Berntsen (hierna: Berntsen), die hem in opdracht van de rechtbank heeft onderzocht, bij brief van 25 februari 2008 heeft verklaard dat van alle artsen die hem hebben onderzocht of behandeld, de psychiater F.T. Weening (hierna: Weening), bij de juistheid van wiens onderzoek de rechtbank twijfels heeft geplaatst, de enige is die tot de conclusie van een psychose is gekomen. Hij voert voorts aan dat volgens het onderzoeksrapport van Berntsen van 29 november 2007 de behandelend psychiater van De Gelderse Roos, A.A.M. Flierman (hierna: Flierman), bij brief van 11 april 2003 aan een arts van het CBR heeft verklaard slechts een depressie te hebben gediagnosticeerd.

2.4.1. Anders dan [appellant] stelt, is Weening niet de enige die bij hem een psychotische stoornis heeft gediagnosticeerd. Volgens paragraaf 8 van het onderzoeksrapport van Berntsen, waarin door De Gelderse Roos verstrekte informatie wordt beschreven, hebben andere artsen een schizoaffectieve stoornis gediagnosticeerd, die volgens de door het CBR overgelegde DSM-IV-classificatie tot schizofrenie en andere psychotische stoornissen wordt gerekend. Zo wordt in deze paragraaf onder 3 onder meer een schizoaffectieve stoornis als diagnose vermeld. Voorts wordt onder 5 melding gemaakt van een brief van 16 februari 2006 van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige H. van den Berg aan de huisarts, waarin naar aanleiding van de in januari 2005 beëindigde behandeling van [appellant] wordt medegedeeld dat hij onder meer recidiverende psychotische klachten heeft en waarin onder meer een schizoaffectieve stoornis als diagnose wordt vermeld. Aan te nemen valt dat deze mededelingen berusten op tijdens de behandeling door de betrokken artsen gestelde diagnoses. Bovendien heeft ook Berntsen in zijn brief van 25 februari 2008 verklaard dat [appellant] ten tijde van de problematiek rond zijn echtscheiding, hetgeen zich volgens het onderzoeksrapport van Berntsen vanaf eind jaren negentig tot in 2006 afspeelde, onder meer kenmerken van een schizoaffectieve stoornis heeft vertoond, maar dat in 2006 een geslaagde behandeling heeft plaatsgevonden en een recidiefvrije periode van twee jaar.

2.4.2. Dat Flierman en Berntsen in 2003, onderscheidenlijk 2007, geen psychotische stoornis hebben gediagnosticeerd, is, evenmin als de omstandigheid dat andere artsen in 2006 een dergelijke stoornis niet hebben gediagnosticeerd, voldoende om te oordelen dat de rechtbank heeft miskend dat de in het onderzoeksrapport en de brief van 25 februari 2008 door Berntsen vermelde diagnosticeringen van een in het verleden doorgemaakte schizoaffectieve stoornis zijn weerlegd. Dit geldt temeer, nu volgens het onderzoeksrapport van Berntsen vanaf 2001 tot in 2005 aan [appellant] Orap, Zyprexa en Abilify zijn voorgeschreven, alle, naar het CBR onweersproken heeft gesteld, antipsychotica.

2.5. Het betoog faalt. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. O. de Savornin Lohman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009

97-582.