Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH2537

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
200800160/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2007, kenmerk 2007/0571820, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zwolle (hierna: de raad) bij besluit van 10 april 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Hessenpoort 2".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800160/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2007, kenmerk 2007/0571820, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zwolle (hierna: de raad) bij besluit van 10 april 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Hessenpoort 2".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwolle een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen gezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2008, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, dr. J.J. Erbrink, werkzaam bij KEMA Nederland B.V., mr. J. van den Berg, ir. P.J. van de Kerkhof, en A.J.G. Aalders, ambtenaren in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De raad betoogt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het plan, omdat hij op een afstand van 1 kilometer van het noordelijke deel onderscheidenlijk 3,5 kilometer van het zuidelijke deel van het plangebied woont. Daarnaast leidt het plan niet tot een relevant effect op de verkeersintensiteiten op de A28 en daarmee niet tot een relevant effect op de luchtkwaliteit ter plaatse van de woning van [appellant]. Verder zal het plan niet leiden tot extra verkeer op de Hermelenweg, waaraan de woning van [appellant] ligt, omdat deze weg niet als gebiedsontsluitingsweg maar slechts als erfontsluitingsweg is aangewezen, aldus de raad.

2.1.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.1.2. Het plan voorziet in uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein 'Hessenpoort 1' langs de Rijksweg A28. [appellant] woont ten noorden van het plangebied aan de op zeer korte afstand van de A28 daaraan parallel gelegen Hermelenweg. De Hermelenweg sluit in zuidelijke richting aan op de Nieuwleusenerdijk, de belangrijkste ontsluitingsweg voor 'Hessenpoort 1' en 'Hessenpoort 2'. [appellant] heeft in dit verband gesteld dat het plan gevolgen heeft voor zijn woon- en leefklimaat, nu het nieuwe bedrijventerrein zal leiden tot een toename van het verkeer langs zijn woning. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de Hermelenweg thans reeds wordt gebruikt als sluiproute voor verkeer naar en van het bedrijventerrein 'Hessenpoort 1'.

De Afdeling is van oordeel dat niet op voorhand is uitgesloten dat het plan zal leiden tot een toename van verkeer op de Hermelenweg. Dat de Hermelenweg als erfontsluitingsweg is aangewezen maakt dit niet anders.

Nu niet is uitgesloten dat het plan van invloed is op de kwaliteit van zijn directe leefomgeving, is er voor [appellant] een voldoende objectief bepaalbaar, eigen en persoonlijk belang dat rechtstreeks betrokken is bij het onderhavige plan. Gelet op het voorgaande kan [appellant] worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. De Afdeling heeft het eerdere goedkeuringsbesluit van het college van 26 september 2006 vernietigd (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200608468/1), omdat onvoldoende was onderzocht of het plan voldeed aan de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) gestelde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10).

2.4. Naar aanleiding van deze uitspraak, is in opdracht van het gemeentebestuur opnieuw een luchtkwaliteitsonderzoek verricht door KEMA Nederland B.V. (hierna: KEMA), neergelegd in het rapport nummer 07-9132 van 6 september 2007 (hierna: het rapport). Daarna is het rapport door KEMA nog geactualiseerd in een rapport van 25 april 2008 (hierna: het geactualiseerde rapport).

2.5. [appellant] betoogt dat het rapport geen compleet en actueel beeld geeft van de luchtkwaliteit in het plangebied tot 2017. Hiertoe voert hij aan dat in het rapport is uitgegaan van een verkeerde verkeersintensiteit en een onjuist percentage vrachtverkeer op de rijksweg A28. Daarnaast is volgens [appellant] in het rapport uitgegaan van een te lage verkeersintensiteit op de Hermelenweg. Verder voert [appellant] aan dat bij de berekening van de verkeersintensiteiten ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van 'Hessenpoort 2' en dat niet bekend is welke bedrijven zich op 'Hessenpoort 2' zullen gaan vestigen. Voorts wordt in het rapport ten onrechte niet aangegeven of de daling van de achtergrondconcentraties van zowel stikstofdioxide (NO2) als zwevende deeltjes (PM10) voldoende is om in elk jaar tussen 2007 en 2020 te voldoen aan de grenswaarden die hiervoor worden gesteld in het Blk 2005. Omdat in het rapport is uitgegaan van verkeerde invoergegevens en aannames, is de conclusie in het rapport dat voldaan wordt aan het Blk 2005, dan ook niet terecht, aldus [appellant]. Bovendien is ten onrechte geen rekening gehouden met de komst van een hotel langs de A28 en met de vestiging van een IKEA. Verder betoogt [appellant] dat de Hermelenweg in het akoestisch onderzoek ten onrechte is aangewezen als erfontsluitingsweg. Volgens [appellant] is de Hermelenweg aangewezen als gebiedsontsluitingsweg en zal de ontwikkeling van 'Hessenpoort 2' een nadelige invloed hebben op zijn woon- en leefklimaat, mede als gevolg van een toename van het verkeer op de Hermelenweg.

2.6. Het college stelt zich op het standpunt dat blijkens het rapport zowel de concentraties stikstofdioxide (NO2) als zwevende deeltjes (PM10) als gevolg van het plan met enkele procenten zullen stijgen, maar dat deze toename ruimschoots wordt gecompenseerd door de verwachte daling van de achtergrondconcentraties in de regio. De berekende jaargemiddelde concentraties en het aantal overschrijdingen van het uurgemiddelde bij stikstofdioxide en het daggemiddelde bij zwevende deeltjes voldoen aan het Blk 2005. Voorts stelt het college in het verweerschrift dat het hotel geen onderdeel is van dit plan en eventuele effecten daarvan op de luchtkwaliteit bij de besluitvorming omtrent het hotel aan de orde komen. Verder voorziet het plan niet in een rechtstreekse ontsluiting van het bedrijventerrein 'Hessenpoort 2' op de Hermelenweg, maar zal de ontsluiting geschieden via de bestaande wegenstructuur van de 'Hessenpoort 1'. Alleen het zuidelijke deel van de Hermelenweg tussen de Nieuwleusenerdijk en de Kleefstraat heeft een beperkte functie als ontsluitingweg voor het bedrijventerrein 'Hessenpoort 1'. Het plan zal dan ook geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] veroorzaken, aldus het college.

2.7. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, worden onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden in ieder geval begrepen de vaststelling en goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Blk 2005 gelden voor de bescherming van de gezondheid van de mens voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden:

a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.7.1. De Afdeling stelt met betrekking tot de verkeersintensiteiten op de rijksweg A28 vast dat in het rapport is uitgegaan van recente gegevens van 22 mei 2007 van Rijkswaterstaat. Daarbij is blijkens bijlage A (blz. 37) van het rapport voor de A28 voor het jaar 2007 uitgegaan van 78.867 motorvoertuigbewegingen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) voor werkdagen.

Volgens het deskundigenbericht is in het rapport gerekend met iets lagere verkeersintensiteiten op de A28 dan uit in 2006 door Rijkswaterstaat verrichte tellingen blijkt.

Als verklaring hiervoor heeft in de raad in de zienswijze met betrekking tot het deskundigenbericht verwezen naar een notitie van KEMA van 16 oktober 2008, gevoegd bij de zienswijze, waarin is vermeld dat de in het rapport gebruikte verkeersintensiteiten ongeveer 2% lager zijn dan op basis van interpolatie van de telgegevens uit 2006 van Rijkswaterstaat mag worden verwacht. Dit wordt veroorzaakt doordat in het rapport voor de berekening van de verkeersintensiteiten interpolatie heeft plaatsgevonden tussen de beschikbare gegevens over 2005 en de prognose voor 2010, hetgeen meer consistent is met de overige invoergegevens. Gezien de berekende bronbijdrage en de berekende concentraties ten opzichte van de norm, zoals nader aangegeven in deze notitie, zal het geconstateerde verschil in intensiteit volgens KEMA niet leiden tot een overschrijding van de norm voor stikstofdioxide of zwevende deeltjes. Voorts wordt in de notitie van KEMA verwezen naar een brief van Rijkswaterstaat van 16 oktober 2008 aan het gemeentebestuur, eveneens gevoegd bij de zienswijze van de raad, waarin wordt gereageerd op het deskundigenrapport. Daarin wordt onder andere aangegeven dat door bewerking van de telgegevens ten behoeve van een gestandaardiseerd verkeersmodel, de verkeersintensiteiten uitgedrukt in mvt/etmaal altijd iets afwijken van de oorspronkelijke telgegevens. De in het deskundigenbericht geconstateerde verschillen vallen binnen de afwijkingsmarges, aldus Rijkswaterstaat. De Afdeling ziet geen grond dit niet aannemelijk te achten.

Voor zover [appellant] in het beroepschrift verwijst naar gegevens inzake de verkeersintensiteiten op de A28 van de provincie Overijssel dan wel naar gegevens in de reactie van de gemeenteraad in de eerdere procedure genoemd onder 2.3., waaruit zou blijken dat de verkeersintensiteiten op de A28 hoger zijn dan waarvan in het rapport is uitgegaan, kan uit de informatie van Rijkswaterstaat worden afgeleid dat die verkeersintensiteiten zijn gebaseerd op verouderde verkeersgegevens. Dit geeft op zichzelf geen aanleiding om de in het rapport gebruikte verkeersintensiteiten voor de A28 in twijfel te trekken.

Met betrekking tot de Hermelenweg is in het rapport uitgegaan van een verkeersintensiteit van 2.000 mvt/etmaal in 2015. Aan de verwijzing door [appellant] naar een luchtkwaliteitsonderzoek dat is verricht ten behoeve van de realisering van het eerdergenoemde hotel, gaat de Afdeling voorbij, nu dat onderzoek niet is opgesteld voor dit plan. Afgezien van dit voor andere doeleinden verrichte onderzoek heeft [appellant] geen nadere onderbouwing gegeven waarom de gebruikte verkeersintensiteiten voor de Hermelenweg onjuist zouden zijn.

2.7.2. Ten aanzien van het aandeel vrachtverkeer op de A28 is in het rapport berekend dat de omvang van het vrachtverkeer op de A28 in het jaar 2006 een aandeel van 18,4% had in de gemiddelde verkeersintensiteit op werkdagen.

Volgens het, in zoverre onbestreden, deskundigenbericht blijkt uit verkeersgegevens van Rijkswaterstaat dat op de A28 in het jaar 2006 het aandeel van het vrachtverkeer 18,2% bedroeg. Het aandeel van het vrachtverkeer zoals dat in het rapport is berekend, komt volgens het deskundigenbericht derhalve overeen met de tellingen van Rijkswaterstaat.

Aan de vermelding in de plantoelichting dat het aandeel van het vrachtverkeer op de A28 circa 30% bedraagt, komt niet langer betekenis toe, nu dit percentage is gebaseerd op inmiddels achterhaalde verkeersgegevens en de plantoelichting niet kon worden aangepast aan de meer recente gegevens. Anders dan [appellant] betoogt, blijkt hieruit dan ook niet dat de berekening van het aandeel vrachtverkeer in het rapport onjuist is. [appellant] heeft niet anderszins onderbouwd waarom de berekening van het aandeel van het vrachtverkeer van 18,4% in de gemiddelde verkeersintensiteit op werkdagen, dat is gebaseerd op de verkeersgegevens van Rijkswaterstaat van 22 mei 2007, onjuist zou zijn.

2.7.3. Omdat nog niet bekend is welke soort bedrijven zich in het plangebied gaan vestigen, is in het rapport bij het bepalen van de effecten van 'Hessenpoort 2' voor de luchtkwaliteit een 'worst case'-scenario opgesteld. Het deskundigenbericht vermeldt dat in dit 'worst case'-scenario geen rekening wordt gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de bedrijven, waardoor een deel van de luchtkwaliteitseffecten van het plan buiten beschouwing is gelaten.

De Afdeling constateert dat uit bijlage A van het rapport blijkt dat bij de vermelde verkeersintensiteiten, waarmee in het rapport is gerekend, in de periode 2007 tot en met 2020 rekening is gehouden met een aanzienlijk grotere toename van het aantal verkeersbewegingen op de belangrijkste wegen in het plangebied dan op basis van de autonome groei van het verkeer mag worden verwacht. Daarbij wordt in het rapport op sommige lokale wegen rekening gehouden met meer dan een verdubbeling van het aantal verwachte verkeersbewegingen.

Met betrekking tot de gehanteerde verkeersintensiteiten voor de A28 is in het memo van 18 april 2008 van Rijkswaterstaat, dat is gevoegd bij de schriftelijke uiteenzetting van de raad, vermeld dat bij de berekening van de verkeersintensiteiten op de A28 tot 2020 in het rekenmodel mede het aantal arbeidsplaatsen in de regio Zwolle is verwerkt en dat ervan uit is gegaan dat 'Hessenpoort 2' in 2020 volledig zal zijn ontwikkeld. In de in 2.7.1. vermelde brief van 16 oktober 2008 aan het gemeentebestuur heeft Rijkswaterstaat aangegeven dat in de verkeersprognoses die in het rapport zijn gebruikt, derhalve ook rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van 'Hessenpoort 2'. Bovendien is in het rapport bij de verkeersintensiteiten uitgegaan van gemiddelden voor werkdagen, terwijl bij de berekening van de luchtkwaliteit uitgegaan mag worden van de gemiddelden voor weekdagen, bij welke berekening de verkeersintensiteiten ongeveer 9% lager zouden zijn.

Anders dan in het deskundigenbericht wordt gesteld, is derhalve wel met de verkeersaantrekkende werking van het plan rekening gehouden.

2.7.4. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het rapport is gerekend met verkeerde of te lage verkeersintensiteiten voor de rijksweg A28 dan wel de Hermelenweg.

2.7.5. In het 'worst case'-scenario is voorts uitgegaan van de fictieve situatie dat 'Hessenpoort 1' reeds is volgebouwd, 'Hessenpoort 2' in 2010 zal zijn volgebouwd, de emissies van bedrijven gevestigd op 'Hessenpoort 2' tweemaal zo hoog zullen zijn als die van een gemiddeld bedrijventerrein en een biowarmtekrachtinstallatie in bedrijf zal zijn genomen in het plangebied.

Volgens het deskundigenbericht wordt door uit te gaan van deze randvoorwaarden in het rapport voldoende rekening gehouden met de onzekerheid omtrent de daadwerkelijke emissie van de bedrijven die zich mogelijk in het plangebied zullen vestigen.

[appellant] heeft niet onderbouwd waarom bij de berekening van de te verwachten gevolgen voor de luchtkwaliteit in het plan ten aanzien van de te vestigen bedrijven niet kon worden uitgegaan van het gebruikte 'worst case'-scenario. In hetgeen [appellant] in zoverre heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het gehanteerde 'worst case'-scenario in het rapport niet representatief voor de maximale planologische mogelijkheden van het plan kan worden geacht.

2.7.6. Bij de berekening of het plan voldoet aan de in het Blk 2005 gestelde grenswaarden voor de concentraties stikstofdioxide en zwevende deeltjes, is rekening gehouden met de reeds aanwezige achtergrondconcentraties en de verwachte gevolgen voor de luchtkwaliteit van het plan. De concentraties van stikstofdioxide en zwevende deeltjes zijn berekend aan de hand van het huidige achtergrondniveau en de zogeheten Grootschalige Concentratiekaarten Nederland.

In het deskundigenrapport is vermeld dat de wijze waarop de achtergrondconcentraties voor zowel stikstofdioxide als zwevende deeltjes in het rapport zijn gebruikt, geen aanleiding geeft voor opmerkingen.

De Afdeling constateert dat uit tabel 5 op blz. 33 van het rapport volgt dat in elk afzonderlijk jaar vanaf 2007 tot en met 2017 aan de in artikel 15 van het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxide wordt voldaan. Voorts volgt uit deze tabel dat ook in elk afzonderlijk jaar aan de in artikel 20 van het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor zwevende deeltjes wordt voldaan. Niet is gebleken dat de gegevens waarop deze tabel is gebaseerd onjuist zijn, zodat in zoverre geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van de cijfers van de tabel te twijfelen.

Het betoog van [appellant] dat in het rapport niet is aangegeven binnen welke periode en langs welke lijn de verwachte daling van de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide en zwevende deeltjes in het gebied zich voor gaat doen, treft geen doel. Uit tabel 4 op blz. 30 van het rapport blijkt langs welke lijn de daling van de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide en zwevende deeltjes in de periode gelegen tussen 2007 en 2017 volgens de berekeningen zal optreden.

2.7.7. In het rapport is geen rekening gehouden met filevorming op de A28, omdat ten tijde van het opstellen van het rapport ervan is uitgegaan dat de A28 verbreed zou worden. Omdat vertraging is ontstaan in de besluitvorming over de verbreding van de A28, zijn de effecten van filevorming op de A28 op de luchtkwaliteit alsnog berekend. De uitkomsten daarvan zijn door KEMA opgenomen in het geactualiseerde rapport.

Blijkens de stukken beoogt het college het geactualiseerde rapport mede aan de onderbouwing van het bestreden besluit ten grondslag te leggen. De Afdeling beoordeelt een besluit naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. Dit brengt met zich dat bij het inbrengen van onderzoeken door het college ter nadere onderbouwing van een eerder genomen besluit dient te worden beoordeeld of deze onderzoeken kunnen worden beschouwd als een nadere aanvulling van de aan het besluit reeds ten grondslag gelegde onderzoeken of als een geheel nieuw onderzoek.

In dit geval betreft het geactualiseerde rapport naar het oordeel van de Afdeling een aanvulling op het eerdere rapport van 6 september 2007, waarbij de gehanteerde uitgangspunten zijn aangepast aan gewijzigde omstandigheden. In het geactualiseerde rapport is bij de berekening van de luchtkwaliteit rekening gehouden met filevorming op de A28 en met een lagere snelheid op twee wegdelen van de A28. Voor het overige zijn de uitgangspunten in het geactualiseerde rapport niet gewijzigd. De doorgevoerde wijzigingen in de berekeningen leiden blijkens het geactualiseerde rapport tot een geringe stijging van de concentraties stikstofdioxide en zwevende deeltjes in het gebied. Uit tabel 4 op blz. 36 van het geactualiseerde rapport blijkt dat ook als rekening wordt gehouden met filevorming op de A28, de concentraties voor beide stoffen ruim onder de grenswaarden van het Blk 2005 blijven.

Nu aan het geactualiseerde rapport geen nieuw onderzoek ten grondslag ligt inzake het voldoen aan het Blk 2005 op basis van substantieel gewijzigde uitgangspunten of een andere gehanteerde methode, ziet de Afdeling geen reden om het geactualiseerde rapport niet mede bij de beoordeling te betrekken.

2.8. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat in het rapport ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeerstoename als gevolg van de mogelijke komst van een IKEA en de verwezenlijking van het hotel langs de A28, stelt de Afdeling voorop dat het voorliggende plan niet voorziet in de vestiging van het desbetreffende hotel noch in de komst van een IKEA. Ter zitting is namens de raad meegedeeld dat zowel voor het hotel als voor de IKEA een afzonderlijke planologische procedure zal worden doorlopen.

De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor deze beide ontwikkelingen nog geen planologische besluitvorming had plaatsgevonden en dat deze derhalve niet zodanig concreet waren dat het college de mogelijke gevolgen hiervan bij zijn besluit had moeten betrekken.

2.9. Gelet op het hiervoor overwogene onder 2.7.1. tot en met 2.8., heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van dit plan de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes ingevolge het Blk 2005 niet zullen worden overschreden in enig jaar tussen 2007 en 2017 en dat het Blk 2005 niet aan verwezenlijking van het plan in de weg staat.

2.10. Ten slotte voert [appellant] aan dat het plan een nadelige invloed heeft op zijn woon- en leefomgeving, mede als gevolg van een toename van de geluidhinder van het verkeer dat over de Hermelenweg langs zijn woning rijdt. Hiertoe voert hij aan dat de Hermelenweg wordt gebruikt als ontsluitingsroute voor het verkeer van het bestaande bedrijventerrein 'Hessenpoort 1' en dat deze situatie zal verslechteren na aanleg van het bedrijventerrein 'Hessenpoort 2'. De Hermelenweg is in het akoestisch onderzoek van 1 februari 2005, verricht door Cauberg-Huygen, dan ook ten onrechte aangemerkt als een erfontsluitingsweg, aldus [appellant].

De Afdeling overweegt dat deze beroepsgronden in de eerdergenoemde uitspraak van 11 juli 2007 reeds zijn beoordeeld. In die uitspraak is in die beroepsgronden geen aanleiding gevonden om het bestreden besluit te vernietigen. Anders dan [appellant] stelt, blijkt uit de aangehaalde brief van het gemeentebestuur van Zwolle van 30 november 2007 niet dat het noordelijke deel van de Hermelenweg, waaraan zijn woning ligt, inmiddels is aangewezen als gebiedontsluitingsweg voor het plan. Deze aanwijzing geldt slechts voor het meest zuidelijke deel van de Hermelenweg, hetgeen ten tijde van eerdergenoemde uitspraak ook reeds het geval was. Ook anderszins is niet gebleken dat sprake is van zodanige gewijzigde feiten of omstandigheden dat over de beroepsgronden met betrekking tot geluidhinder en de aantasting van zijn woon- een leefomgeving thans anders geoordeeld dient te worden.

2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009

234-571.