Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH2525

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
200803005/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan de gemeente Leiden een monumentenvergunning verleend voor het wijzigen van het pand Roodenburgerstraat 1A te Leiden (hierna: het pand).

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 182 met annotatie van M. van Oorspronk
JOM 2009/238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803005/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats], en de stichting Stichting Betrokken Burgers Burgemeesterswijk, gevestigd te Leiden,

2. de stichting Stichting Arent van 's-Gravesande, gevestigd te Leiden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 maart 2008 in zaken nrs. 07/9062, 07/9191, 07/9269, 07/9217 en 08/1130 in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan de gemeente Leiden een monumentenvergunning verleend voor het wijzigen van het pand Roodenburgerstraat 1A te Leiden (hierna: het pand).

Bij uitspraak van 18 maart 2008, verzonden op 20 maart 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, de daartegen door de stichting Stichting Betrokken Burgers Burgemeesterswijk, [appellanten sub 1] (hierna onderscheidenlijk: de stichting Betrokken Burgers, [appellanten sub 1]) ingestelde beroepen niet-ontvankelijk en het door de stichting Stichting Arent van 's-Gravesande (hierna: de stichting Arent) tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de stichting Betrokken Burgers, [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2008, en de stichting Arent bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting Betrokken Burgers, [appellanten sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2008, waar de stichting Betrokken Burgers en [appellant sub 1 B], vertegenwoordigd door

[gemachtigde], de stichting Arent, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], en het college, vertegenwoordigd door mr. I.S. van der Spek en ing. J.W. van Rooden, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het pand is in september 2004 aangewezen als gemeentelijk monument. Omdat de stichting Arent en het college de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben verzocht het pand aan te wijzen als rijksmonument, geniet dit - naar ook niet in geschil is – ingevolge artikel 5 van de Monumentenwet 1988 de zogenoemde voorbescherming, zodat voor wijzigingen aan het pand een vergunning op grond van artikel 11 van die wet is vereist.

2.2. De wijziging waarvoor het college bij het besluit van 9 november 2007 een monumentenvergunning heeft verleend, welk besluit in deze procedure aan de orde is, bestaat uit het inpandig verbouwen en herindelen van het pand ten behoeve van uitbreiding van de mogelijkheden voor gebruik ten behoeve van verslavingszorg en de vestiging van een apotheek en een huisartsenpost.

2.3. De stichting Betrokken Burgers heeft in haar hoger-beroepschrift geen gronden gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover de voorzieningenrechter het door haar ingestelde beroep tegen het besluit van 9 november 2007 daarbij niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft erkend geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit te hebben ingediend. Hetgeen zij heeft aangevoerd kan derhalve niet leiden tot een gegrondverklaring van haar hoger beroep.

2.4. [appellanten sub 1] betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat, omdat de verleende monumentenvergunning slechts betrekking heeft op inpandige veranderingen aan het pand en zij hierop geen zicht hebben, zij geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van 9 november 2007 zijn. Zij voeren hiertoe, onder verwijzing naar een foto, aan dat zij als omwonenden zicht op het pand hebben en overlast zullen ondervinden van de verslaafdenzorg ten behoeve waarvan aan het pand wijzigingen plaatsvinden waarvoor een monumentenvergunning nodig is.

2.4.1. [appellant sub 1 A] woont in een ander deel van Leiden op een afstand van hemelsbreed bijna twee kilometer van het pand en heeft daarop vanuit haar woning geen zicht, zodat haar belang niet rechtstreeks is betrokken bij het besluit van 9 november 2007. De voorzieningenrechter is dan ook terecht, zij het op andere gronden, tot het oordeel gekomen dat [appellant sub 1 A] geen belanghebbende is bij het besluit van 9 november 2007.

De afstand tussen de woning van [appellant sub 1 B] en het pand is hemelsbreed ongeveer 80 meter. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts naar voren gekomen dat [appellant sub 1 B] alleen vanaf de drempel van de voordeur van zijn woning zicht heeft op het pand, welk zicht beperkt is tot de hoek van het pand en bovendien blijkens een door hem overgelegde foto wordt belemmerd door bomen. Verder staat mede gelet op de door het college gegeven toelichting vast dat de wijzigingen aan het pand waarvoor de onderhavige monumentenvergunning is verleend enkel inpandige wijzigingen betreffen, waarop [appellant sub 1 B] geen zicht heeft.

Gelet op het zeer beperkte zicht vanuit de woning van [appellant sub 1 B] op het pand en het ontbreken van een ruimtelijke uitstraling van de vergunde werkzaamheden als zodanig, bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het belang van [appellant sub 1 B] niet rechtstreeks is betrokken bij het besluit van 9 november 2007 en hij derhalve geen belanghebbende bij dat besluit is. De door [appellanten sub 1] gestelde overlast in de desbetreffende wijk als gevolg van het gebruik van het pand voor verslaafdenzorg, wat hier verder ook van zij, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij zich daarmee onderscheiden van andere inwoners van de gemeente dan wel de wijk.

2.5. Verder ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of de voorzieningenrechter de stichting Arent terecht als belanghebbende bij het besluit van 9 november 2007 heeft aangemerkt.

2.5.1. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het aan de orde zijnde besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

In artikel 2 van haar statuten stelt de stichting Arent zich ten doel het behoud van en de zorg voor monumenten en historische stads- en dorpsstructuren, en het bevorderen van de kennis van en de belangstelling voor deze monumenten en historische stads- en dorpsstructuren.

Het statutaire doel van de stichting Arent is in territoriaal opzicht zo veelomvattend dat het onvoldoende onderscheidend werkt om op grond daarvan te kunnen aannemen dat haar belang rechtstreeks betrokken is bij het besluit van 9 november 2007. De stichting Arent heeft voorts ter zitting toegelicht dat zij beoogt haar feitelijke werkzaamheden ruim te houden en dat deze territoriaal niet zijn begrensd. Gelet op deze toelichting bieden ook de feitelijke werkzaamheden geen aanknopingspunten voor een inzichtelijke afbakening van de belangen die zij in het bijzonder behartigt. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de stichting Arent het rechtstreeks bij het aan de orde zijnde besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt. Zij kan derhalve niet worden aangemerkt als belanghebbende bij dat besluit. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2.6. De hoger beroepen van de stichting Betrokken Burgers, [appellanten sub 1] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd. Het hoger beroep van de stichting Arent is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het door de stichting Arent tegen het besluit van 9 november 2007 ingestelde beroep ongegrond is verklaard. Hetgeen voor het overige tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de stichting Arent tegen het besluit van 9 november 2007 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan de stichting Arent wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de stichting Stichting Arent van 's-Gravesande gegrond;

II. vernietigt de aangevallen uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 maart 2008 voor zover die betrekking heeft op zaak nr. 07/9217, waarbij het beroep van die stichting ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep van die stichting niet-ontvankelijk;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan de stichting Stichting Arent van 's-Gravesande het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2009

18-506.