Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH2518

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
200804084/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 3 mei 2007 heeft de burgemeester van Waalwijk (hierna: de burgemeester) besloten het door [appellant] aangevraagde rijbewijs niet uit te reiken en dit rijbewijs ongeldig te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2010, 52
Module Rijbewijzen 2014/480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804084/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Waalwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 april 2008 in zaak nr. 07/3493 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Waalwijk.

1. Procesverloop

Op 3 mei 2007 heeft de burgemeester van Waalwijk (hierna: de burgemeester) besloten het door [appellant] aangevraagde rijbewijs niet uit te reiken en dit rijbewijs ongeldig te verklaren.

Bij besluit van 6 juli 2007 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juli 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief gedateerd 3 juni (lees: juli) 2008.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De burgemeester heeft desgevraagd nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat te Venlo, en door R.B. Schmitt, tolk, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R.G.L. van de Ven en G.H. Verhees, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 120a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) wordt het nieuwe of vervangende rijbewijs niet uitgereikt indien tussen de aanvraag en de uitreiking omstandigheden bekend zijn geworden die, indien zij bekend waren geweest bij de aanvraag, ertoe hadden geleid dat geen besluit tot afgifte was genomen. Het nieuwe of vervangende rijbewijs blijft bij degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen.

Ingevolge artikel 124, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994 wordt een rijbewijs overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels voor een of meer categorieën van motorrijtuigen of voor een deel van de geldigheidsduur ongeldig verklaard indien het rijbewijs is afgegeven op grond van door de houder verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest.

2.2. De burgemeester heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit het rijbewijs niet uit te reiken en dit ongeldig te verklaren ten grondslag gelegd dat [appellant] om het rijbewijs te verkrijgen onjuiste gegevens heeft verschaft en dat niet tot afgifte van het rijbewijs zou zijn overgegaan indien de onjuistheid van de verstrekte gegevens bekend zou zijn geweest op het moment van de aanvraag.

2.3. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is geweest van een onredelijk lange afhandelingstermijn. De burgemeester heeft niet binnen enkele dagen beslist op de aanvraag het rijbewijs af te geven, zoals is voorgeschreven. [appellant] verwijst in dit verband naar de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de wijziging in de procedure betreffende de aanvraag en afgifte van rijbewijzen (Kamerstukken II 2005/06, 30 438, nr. 3).

2.3.1. In die memorie van toelichting staat vermeld dat in de nieuwe procedure betreffende de aanvraag en afgifte van rijbewijzen de uitreiking normaliter plaatsvindt een aantal dagen nadat het nieuwe of vervangende rijbewijs is aangevraagd. Het gaat hier echter niet om een in de wet vastgelegde termijn. Bovendien wordt er in de toelichting op gewezen dat in de tussenliggende periode kan blijken dat er een belemmering bestaat voor de afgifte van een nieuw of vervangend rijbewijs. De gemeenteambtenaar dient dit blijkens die toelichting dan door een bevraging van het rijbewijzenregister te controleren voordat hij tot uitreiking van het rijbewijs overgaat. Indien hij vaststelt dat er een belemmering is, wordt het nieuwe of vervangende rijbewijs niet uitgereikt. De rechtbank heeft het vorenstaande in aanmerking genomen met juistheid overwogen dat de burgemeester, gelet op de informatie die hij van de Dienst Wegverkeer ontving, niet kon volstaan met bevraging van het rijbewijzenregister, maar nadere informatie in Duitsland moest laten opvragen, en dat niet alleen een zorgvuldige besluitvorming daartoe noopte, maar dat deze handelwijze ook past in hetgeen in de memorie van toelichting staat vermeld. Het betoog faalt.

2.4. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat [appellant] na toezending van de bescheiden door de burgemeester per faxbericht van 27 juni 2007 nog een week had om zijn bezwaarschrift aan te vullen, dat hij niet heeft aangegeven waarom deze wettelijke termijn van een week in zijn geval onvoldoende zou zijn en dat niet is gebleken dat hij met deze termijn in zijn belang zou zijn geschaad. [appellant] was op de hoogte van wat hem door de burgemeester werd verweten en heeft voldoende gelegenheid gehad om op de relevante stukken te reageren.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt. [appellant] heeft immers het gehele formulier "eerste aanvraag rijbewijs" ingevuld en alle verzochte gegevens verschaft.

2.5.1. Ook dit betoog faalt. Niet in geschil is dat [appellant] in de bij de aanvraag behorende "Eigen verklaring" heeft ingevuld dat hij geen misbruik maakt of heeft gemaakt van alcohol en evenmin is in geschil dat [appellant] in Duitsland is veroordeeld vanwege alcoholmisbruik in het verkeer en dat zijn Duitse rijbewijs daarom ongeldig is verklaard. Anders dan [appellant] betoogt, heeft hij door het verklaren dat hij geen misbruik maakt of heeft gemaakt van alcohol onjuiste gegevens verstrekt zoals bedoeld in artikel 124, eerste lid, van de WVW 1994. [appellant] heeft niet betwist dat het rijbewijs niet zou zijn afgegeven en dus ook niet zou zijn uitgereikt indien de onjuistheid van de gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester het rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard.

2.6. Ambtshalve overweegt de Afdeling tot slot dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 6 juli 2007 heeft vernietigd wegens strijd met artikel 7:3, aanhef en onder b, van die wet. [appellant] heeft in beroep immers niet aangevoerd dat hij niet is gehoord en naleving van deze bepaling betreft geen aspect dat de rechter ambtshalve moet beoordelen. De aangevallen uitspraak dient op grond hiervan te worden vernietigd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het inleidende beroep ongegrond verklaren.

2.7. Het hoger beroep is gelet op het hiervoor onder 2.6. ambtshalve overwogene gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.9. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 april 2008 in zaak nr. 07/3493;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009

419.