Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH2516

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
200803462/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de dakkapellen aan de zij- en achterkant van de woning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/5113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803462/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 april 2008 in zaak

nr. 07/5942 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de dakkapellen aan de zij- en achterkant van de woning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 juli 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2008, verzonden op 14 april 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 juli 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 mei 2008.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F. Marinus en J. van der Hout, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door

J. Jansen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de vergroting van de dakkapellen aan de zij- en achterkant van de woning waardoor deze dakkapellen met elkaar worden verbonden. Vast staat dat de goothoogte van het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Wormerveer-Zuid deel 1". Het college is niet bereid medewerking te verlenen aan een vrijstellingprocedure.

2.2. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de weigering van de bouwvergunning niet mocht worden volstaan met de enkele motivering dat de bouw van hoekdakkapel een ontoelaatbare aantasting van het stedenbouwkundig beeld zou betekenen. Anders dan waar de rechtbank van is uitgegaan, is volgens het college het stedenbouwkundig beeld van de mansardekappen in de directe omgeving van de woning van [wederpartij] niet reeds vergaand aangetast.

2.4. Dit betoog slaagt. Niet in geschil is dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het algemeen een stedenbouwkundig beeld van straten met woningen met mansardekappen beschermingswaardig is. De vraag die partijen verdeeld houdt is of in dit geval sprake is van een zodanig beeld dat de bouw van hoekdakkapellen op de woning op het perceel een zodanige aantasting daarvan vormt dat vrijstelling moest worden geweigerd.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de woning op het perceel [locatie 2], die tezamen met de woningen op de percelen [locaties 2 en 3] één huizenblok vormt, geen hoekdakkapellen heeft. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan betreft het geen identieke huizen. De hoekdakkapel waar het bouwplan in voorziet, is na realisering vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar. Ook al grenst het perceel van [wederpartij] aan de zijkant niet aan de openbare weg, het college heeft zich desondanks op het standpunt kunnen stellen dat met de bouw van een hoekdakkapel het stedenbouwkundige beeld van dit huizenblok wordt aangetast. Voorts is uit de ter zitting toegelichte foto's gebleken dat zich in de omgeving van het perceel nog veel woningen met een mansardekap bevinden. Wat betreft hoekdakkapellen op woningen aan de Ohmstraat heeft het college onbetwist gesteld dat deze uitsluitend op de woningen Ohmstraat 2 tot en met 10 zijn aangebracht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het dus niet zo dat vrijwel alle achtergevels recht opgetrokken zijn. Daarbij komt dat het college voor hoekdakkapellen op de woningen aan de Ohmstraat en Wattstraat geen bouwvergunningen heeft verleend. Het college is voornemens tegen de zonder vereiste bouwvergunning opgerichte dakkapellen te zijner tijd handhavend op te treden.

Voor zover de rechtbank nog betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat een vertegenwoordiger van de Welstandscommissie zou hebben gezegd dat het bouwplan uit een oogpunt van welstand geen problemen oplevert, heeft zij dit ten onrechte gedaan. Zoals het college in hoger beroep heeft gesteld, is het bouwplan niet aan de welstandscommissie voorgelegd. Deze uitlating kan dan ook niet meer zijn dan een persoonlijke opvatting van betrokkene, waaraan geen gewicht kan worden toegekend.

Het college heeft gezien het vorenoverwogene in redelijkheid vanwege de aantasting van het stedenbouwkundige beeld kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan vrijstelling en terecht geweigerd bouwvergunning te verlenen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 april 2008 in zaak nr. 07/5942;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009

163-580.