Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH2511

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
200802581/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een tankstation en autoservicestation op een perceel aan de [locatie] te [plaats], gemeente Overbetuwe. Dit besluit is op 27 februari 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802581/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een tankstation en autoservicestation op een perceel aan de [locatie] te [plaats], gemeente Overbetuwe. Dit besluit is op 27 februari 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2009, waar [een van de appellanten] in persoon en bijgestaan door drs. M.H.J. Jacobs, en het college, vertegenwoordigd door T. Polman, ing. M.F.T. Poos en D. van Gijtenbeek, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellanten] de beroepsgrond over reconstructie van een weg als bedoeld in de Wet geluidhinder ingetrokken.

Algemeen toetsingskader

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Terinzagelegging

2.3. [appellanten] stellen dat het college niet alle stukken, zoals het advies van de brandweer, een verslag van het vooroverleg en het advies van Bureau Tauw van 8 januari 2008, getiteld "Second Opinion geluid- en luchtkwaliteitsonderzoek ten behoeve van tankstation Rijksweg-Zuid Overbetuwe" (hierna: het advies Tauw), ter inzage heeft gelegd met het bestreden besluit en dat zij eerst na bijna drie weken na kennisgeving van het besluit over alle stukken konden beschikken. Deze beroepsgronden, wat hiervan ook zij, hebben betrekking op onregelmatigheden die dateren van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke onregelmatigheden kunnen de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Het beroep faalt in zoverre.

Coördinatie Wvo

2.4. [appellanten] stellen dat het waterschap Rivierenland te kennen heeft gegeven dat voor deze inrichting een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist is. Volgens hen had het college de onderhavige aanvraag daarom gecoördineerd moeten behandelen.

2.4.1. Het college stelt zich, onder verwijzing naar het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit), op het standpunt dat een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in dit geval niet vereist is en dat de aanvraag daarom niet gecoördineerd behandeld hoefde te worden. De vergunning waarop [appellanten] doelen, betreft volgens het college een ontheffing krachtens de Keur van het waterschap Rivierenland.

2.4.2. Ingevolge artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, gelden de bij of krachtens artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gestelde verboden niet voor het lozen vanuit inrichtingen type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de activiteiten genoemd in hoofdstuk 3.

In hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn in de paragrafen 3.3.1 en 3.3.2 regels gesteld over het afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer en het wassen van motorvoertuigen.

2.4.3. De onderhavige inrichting is, gelet op bijlage 1 bij het Activiteitenbesluit, een inrichting type C als bedoeld in het Activiteitenbesluit. Nu in die inrichting activiteiten plaatsvinden die zijn genoemd in de paragrafen 3.3.1. en 3.3.2 van het Activiteitenbesluit, is voor eventuele lozingen die op die activiteiten betrekking hebben, gelet op artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit, geen vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de in paragraaf 8.1.3.2 van de Wet milieubeheer opgenomen coördinatieregeling er in dit geval niet toe verplicht de aanvraag gecoördineerd te behandelen. Het beroep faalt in zoverre.

Grondslag aanvraag

2.5. Naar aanleiding van de stelling van [appellanten] dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of een tankstation op maaiveldhoogte niet veiliger is dan op een talud van 7 meter hoog, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegd gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Het college zou de grondslag van de aanvraag verlaten, wanneer het zou voorschrijven dat het tankstation dient te worden opgericht op maaiveldhoogte in plaats van op een talud van 7 meter hoogte, zoals is aangevraagd. Het college mocht een onderzoek naar dit alternatief dan ook reeds hierom achterwege laten. Het beroep faalt in zoverre.

2.6. Met betrekking tot de stelling van [appellanten] dat de keuze voor de locatie van het tankstation onvoldoende is gemotiveerd, overweegt de Afdeling dat dit een aspect betreft dat in het kader van de toetsing van ruimtelijke plannen aan de orde dient te komen. Het bevoegd gezag dient, zoals hiervoor reeds is overwogen, te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Het beroep faalt daarom ook in zoverre.

Externe veiligheid

2.7. [appellanten] stellen dat het rapport van Inogen van oktober 2007, getiteld "Verantwoording groepsrisico [vergunninghouder] te [plaats]" (hierna: het Inogen-rapport), ten onrechte geen deel uitmaakt van de vergunning, waardoor een belangrijke onderbouwing van de vergunning, te weten op het punt van externe veiligheid, ontbreekt.

2.7.1. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) wordt, indien het bevoegd gezag een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vijfde lid, vaststelt, in de motivering van het desbetreffende besluit in elk geval vermeld:

a. de aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied van de desbetreffende inrichting op het tijdstip waarop dat besluit wordt vastgesteld;

b. het groepsrisico van de inrichting waarop dat besluit betrekking heeft en in een geval als bedoeld in artikel 4, derde lid, tevens de bijdrage van de verandering van de inrichting aan het totale groepsrisico van de inrichting, vergeleken met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar;

c. de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst;

d. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen in de inrichting waarop dat besluit betrekking heeft, en

e. de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de inrichting waarop dat besluit betrekking heeft, om zich in veiligheid te brengen indien zich in die inrichting een ramp of zwaar ongeval voordoet.

2.7.2. Het Inogen-rapport heeft betrekking op de verantwoording van het groepsrisico als bedoeld in artikel 12 van het Bevi. Het Inogen-rapport is als bijlage 1 bij het bestreden besluit gevoegd. In de considerans van het bestreden besluit is onder het kopje "Groepsrisico" gesteld dat uit dit rapport blijkt dat het verhoogde risico minimaal en aanvaardbaar is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet aan artikel 12 van het Bevi voldoet. Het beroep faalt in zoverre.

2.8. [appellanten] stellen dat in het Inogen-rapport ten onrechte niet is ingegaan op het tijdsaspect.

2.8.1. Het college stelt dat in het Inogen-rapport reeds is ingegaan op toekomstige ontwikkelingen, zoals de verbetering van de LPG-vulslang en de hittewerende coating voor LPG-tankauto's.

2.8.2. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellanten] met deze beroepsgrond het oog hebben op artikel 12, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bevi. In het Inogen-rapport is onder punt 3 van hoofdstuk 4 ingegaan op de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst. [appellanten] hebben niet duidelijk gemaakt in hoeverre de uiteenzetting onder dit punt niet juist of niet volledig is. Het beroep faalt in zoverre.

2.9. [appellanten] stellen dat de veiligheid van mensen die in het gebied verblijven, zoals verkeersdeelnemers en machinisten in treinen op de Betuweroute, onvoldoende is gewaarborgd.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het risico voor verkeersdeelnemers is betrokken in het onderzoek en dat hierin geconcludeerd is dat het risico voor deze verkeersdeelnemers te verwaarlozen is. Het college stelt dat de veiligheid van de mensen in het invloedsgebied voldoende is gewaarborgd.

2.9.2. In het Inogen-rapport is bij de berekening van het groepsrisico geen rekening gehouden met de verkeersdeelnemers die zich in het invloedsgebied van de inrichting bevinden. Daarbij is doorslaggevende betekenis toegekend aan de beperkte verblijfsduur van deze personen in het invloedsgebied, zoals omschreven in het Inogen-rapport. Het college heeft in zoverre de Handreiking verantwoording groepsrisico (ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, november 2007) toegepast, waarin wordt aanbevolen verkeersdeelnemers niet te betrekken bij de berekening van het groepsrisico ten behoeve van ijking aan de oriëntatiewaarden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat zich hier een zodanig geval voordoet dat het college de Handreiking verantwoording groepsrisico op dit punt in redelijkheid niet had kunnen volgen.

Het college heeft de aanwezigheid van verkeersdeelnemers overigens wel betrokken bij de beschrijving van de in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d en e, van het Bevi bedoelde aspecten.

Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt tekortschiet. Het beroep faalt in zoverre.

2.10. [appellanten] stellen dat in het Inogen-rapport is vermeld dat de onderdelen bluswatervoorziening, aanrijdtijden en zorgnorm, maatramp en opstelplaatsen nog moeten worden aangevuld door de brandweer, maar dat nadere informatie hierover ontbreekt.

2.10.1. Het college stelt dat de brandweer in haar advies op deze punten is ingegaan.

2.10.2. In het advies van de regionale brandweer Gelderland Midden van 23 juli 2007, waarnaar in de considerans van het bestreden besluit wordt verwezen, is voldoende ingegaan op de door [appellanten] bedoelde punten. In het licht van dat advies ziet de Afdeling in het door [appellanten] gestelde geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet voldaan heeft aan de in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bevi neergelegde verplichting tot vermelding van de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Het beroep faalt in zoverre.

2.11. [appellanten] stellen dat het college in het bestreden besluit onvoldoende aandacht heeft besteed aan zogenoemde domino-effecten. Zij wijzen daarbij op de nabijheid van de Betuweroute, waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

2.11.1. Het college stelt dat domino-effecten in de verantwoording van het groepsrisico niet zijn meegenomen omdat de kans dat een BLEVE op het tankstation een tankauto op de Rijksweg A15 of een wagon met brandbare of toxische gassen op de Betuweroute treft, zeer klein is. Volgens het college is omgekeerd de kans dat een tankauto LPG aan het lossen is bij het tankstation op een moment dat zich een calamiteit op de Rijksweg A15 of op de Betuweroute voordoet, eveneens zeer klein.

2.11.2. De Afdeling is, gezien het deskundigenbericht en in aanmerking genomen de beperkte jaarlijkse doorzet van LPG, van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kans op domino-effecten in dit geval zo gering is dat de vergunning niet deswege geweigerd hoefde te worden of slechts kon worden verleend door aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden. Het beroep faalt in zoverre.

2.12. [appellanten] stellen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de risico's die de situering van het tankstation, gelegen op een 7 meter hoog talud, met zich brengt. Zij wijzen er daarbij op dat de bovenleidingen van de Betuweroute, waardoor 25.000 Volt loopt, zich op ongeveer dezelfde hoogte als het tankstation bevinden.

2.12.1. Naar het oordeel van de Afdeling biedt hetgeen door [appellanten] is gesteld, geen aanknopingspunten om te oordelen dat eventuele vonkvorming door het passeren van treinen in dit geval leidt tot een hoger risico dat een BLEVE ontstaat dan waarvan bij de berekening van het groepsrisico is uitgegaan. Het beroep faalt in zoverre.

2.13. [appellanten] stellen dat het college in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom eventuele trillingen van de Betuweroute geen risico vormen voor onder meer het LPG-reservoir.

2.13.1. Het college stelt dat geen onderzoek naar trilling is uitgevoerd, maar dat het er vanuit gaat dat de installatiekeuring op basis van BRL K903 voldoende waarborgen biedt. Ter zitting heeft het college er voorts op gewezen dat de stevigheid van de terp onderwerp van toetsing zal zijn bij de beoordeling van de aanvraag om een bouwvergunning.

2.13.2. [appellanten] hebben geen aanknopingspunten aangevoerd voor het oordeel dat trillingen vanwege de Betuweroute in dit geval zo hevig zijn, dat het college er niet in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat bij naleving van de eisen die worden gesteld aan een LPG-installatie, het risico van die trillingen voor onder meer het LPG-reservoir reeds in toereikende mate wordt beperkt. Het beroep faalt in zoverre.

LPG

2.14. [appellanten] stellen dat in tabel 1 in de considerans van het besluit is vermeld dat de werkelijke afstand tussen het LPG-reservoir en de opslag voor gevaarlijke stoffen meer dan 10 meter bedraagt, terwijl ingevolge het Besluit LPG-tankstations milieubeheer de afstand tussen deze twee objecten minimaal 15 meter dient te zijn.

2.14.1. In het verweerschrift heeft het college erkend dat tabel 1 op dit punt onjuist is, aangezien de werkelijke afstand tussen het LPG-reservoir en de opslag van gevaarlijke stoffen in het magazijn meer dan 30 meter bedraagt.

2.14.2. Uit de bij de aanvraag gevoegde en de blijkens het dictum van het bestreden besluit van de vergunning deel uitmakende plattegrondstekening H1, blijkt dat de werkelijke afstand tussen het LPG-reservoir en de opslag van gevaarlijke stoffen groter is dan 15 meter. Het beroep kan in zoverre dan ook niet tot het daarmee beoogde doel leiden.

2.15. [appellanten] stellen dat het college een voorschrift aan de vergunning had moeten verbinden dat verplicht om in het milieulogboek op te nemen wanneer en welke hoeveelheid LPG is aangevoerd. Volgens hen kan het college alleen op die manier controleren of de maximaal toegestane doorzet van minder dan 1.000 m3 LPG per jaar niet wordt overschreden.

2.15.1. Het college stelt dat de door [appellanten] voorgestane registratie van de doorzet van LPG in het milieulogboek niet nodig is nu de toezichthouder op grond van artikel 5:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de in- en verkoopgegevens van LPG bij vergunninghoudster kan opvragen.

2.15.2. Ingevolge artikel 5:17, eerste lid, van de Awb is een toezichthouder bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.

2.15.3. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat artikel 5:17, eerste lid, van de Awb het college de mogelijkheid biedt om via inzage van zakelijke gegevens en bescheiden te controleren of vergunninghoudster niet meer LPG doorzet dan de ingevolge voorschrift 1.6 maximaal toegestane hoeveelheid LPG van minder dan 1.000 m3 per jaar. Het college heeft de voorschriften op dit punt daarom in redelijkheid toereikend kunnen achten. Het beroep faalt in zoverre.

Geluidhinder

2.16. [appellanten] stellen met betrekking tot de vaststelling van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dat het college onderzoek had moeten doen naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid om een adequaat beschermingsniveau te kunnen bieden.

2.16.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de omgeving van de inrichting, gezien de ligging aan twee drukke verkeersaders, getypeerd kan worden als woonwijk in de stad. Het college wijst in dit verband op een akoestisch rapport van Grontmij van 20 maart 2000, kenmerk V&I-99012833/RT, waarbij het referentieniveau van het omgevingsgeluid is bepaald, zijnde in dit geval het wegverkeerslawaai minus 10 dB(A). Volgens het college zijn de bij dat rapport berekende waarden, te weten 47, 42 en 37 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode, vanwege de sindsdien niet veranderde situatie ter plaatse nog steeds representatief.

2.16.2. Het college heeft voor de beoordeling van het aspect geluid de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 van de Handreiking wordt voor nieuwe inrichtingen aanbevolen om bij de eerste toetsing de waarden van tabel 4 te hanteren. In deze tabel staan drie soorten typeringen van de omgeving met daarbij horende richtwaarden. Het college heeft de omgeving van de inrichting getypeerd als woonwijk in de stad. Uit de resultaten van het onderzoek van Grontmij naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de omgeving van de inrichting, die door [appellanten] niet zijn bestreden, kan worden afgeleid dat de omgeving van de inrichting, hoewel het gaat om buitengebied, akoestisch vergelijkbaar is met een woonwijk in de stad. De Afdeling is van oordeel dat het college de omgeving van de inrichting daarom terecht als zodanig heeft getypeerd. Nu in vergunningvoorschrift 3.1 grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn gesteld die de bij een woonwijk in een stad horende richtwaarden van 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode niet overschrijden, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunning in zoverre toereikende bescherming biedt tegen geluidhinder. Het beroep faalt in zoverre.

2.17. [appellanten] stellen dat in de geluidrapporten die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, niet wordt aangetoond dat aan de aanbevolen waarden voor de maximale geluidbelasting wordt voldaan.

2.17.1. In de Handreiking worden piekgeluiden van ten hoogste 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode aanvaardbaar geacht. Uit tabel 4 van het rapport van DGMR van 4 september 2007, rapportnummer M.2005.0373.08.R001, blijkt dat deze waarden in dit geval niet worden overschreden. Het beroep faalt in zoverre.

2.18. [appellanten] stellen dat in de akoestische rapporten met verkeerde bezoekersaantallen en het verkeerde soort verkeer is gerekend. Volgens hen is aannemelijk dat door de zichtbaarheid van het tankstation vanaf de Rijksweg A15 het bezoekersaantal bepaald wordt door het verkeer op de Rijksweg A15.

2.18.1. Het college stelt dat de verkeersgegevens in de rapporten van DGMR zijn gebaseerd op de verkeersgegevens uit de Regionale Verkeer- en Milieukaart. Volgens het college geeft deze kaart aan de hand van een rekenmodel een prognose voor de toekomst. Het tankstation zal volgens het college niet noemenswaardig extra verkeer genereren, maar bezocht worden vanuit bestaande verkeersstromen op de Rijksweg-Zuid. Het college stelt dat de belangrijkste richting voor tankbezoek zal zijn vanuit het dorp Elst op weg naar de Rijksweg A15. Daarom is volgens het college uitgegaan van de verwachting van 30 bezoekende motorvoertuigen in het spitsuur van Elst naar het tankstation en van het tankstation naar de Rijksweg A15, alsmede van 10 bezoekende motorvoertuigen in het spitsuur van de A15 naar het tankstation en vervolgens naar Elst.

2.18.2. In tabel 1 van het rapport van DGMR van 4 september 2007 zijn de aantallen bezoekende voertuigen vermeld waarmee DGMR heeft gerekend, uitgesplitst naar soort voertuig en periode. Hierbij is uitgegaan van een zogenoemd worst-case scenario, te weten een drukke doordeweekse dag, waarbij gemiddeld 2% van het voorbijkomend verkeer gebruik maakt van het tankstation. In het deskundigenbericht is vermeld dat de aantallen voertuigen waarmee DGMR heeft gerekend, realistisch lijken. Nu [appellanten] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk hebben gemaakt dat het tankstation een extra verkeersaantrekkende werking heeft op verkeer dat zich op de A15 bevindt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek in dit opzicht gebrekkig is. Het beroep faalt in zoverre.

2.19. [appellanten] stellen dat het college ten onrechte de geluidbelasting van verkeer van en naar de inrichting niet aan het inwerking zijn van de inrichting heeft toegerekend.

2.19.1. Het college stelt zich op het standpunt dat indirecte hinder in dit geval niet optreedt, omdat het verkeer van en naar het tankstation op de parallelweg, de rotonde en de Rijksweg-Zuid zich niet onderscheidt van het overige verkeer op deze wegen.

2.19.2. Het college heeft wat betreft de beoordeling van de te duchten geluidhinder veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting, de circulaire van de Minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de circulaire) tot uitgangspunt genomen. In de circulaire wordt geadviseerd om de geluidbelasting, veroorzaakt door aan de inrichting toe te rekenen verkeersbewegingen, uitsluitend te beoordelen aan de hand van de etmaalwaarde van het bij die verkeersbewegingen behorende equivalente geluidniveau. Onder het begrip indirecte hinder wordt, bezien in verband met de wettelijke termen "gevolgen voor het milieu" en "bescherming van het milieu" als bedoeld in de artikelen 1.1 en 8.8 van de Wet milieubeheer, in de circulaire verstaan de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt door activiteiten die, hoewel plaatsvindend buiten het terrein van de inrichting, aan de inrichting zijn toe te rekenen. Onder verwijzing naar jurisprudentie is dit volgens de circulaire wat betreft geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting het geval zolang dit verkeer akoestisch herkenbaar is ten opzichte van het overige verkeer. De Afdeling verstaat deze afbakening aldus, dat hiermee wordt aangesloten bij de vaste jurisprudentie volgens welke de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat, gelet op de geplande situatie ter plekke, waarbij de bestaande parallelweg in de richting van de A15 zal worden doorgetrokken tot voorbij de inrichting, het verkeer van en naar de inrichting zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet zal onderscheiden van overig verkeer dat zich buiten de inrichtinggrens op de openbare weg kan bevinden. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat indirecte hinder in de vorm van geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting in dit geval niet optreedt.

Het beroep faalt in zoverre.

2.20. Het beroep is ongegrond.

2.21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009

288.