Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH2506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
200806569/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2008, UIT/08-03565, heeft het college van burgemeester en wethouders van Ommen (hierna: het college) besloten een deel van de Middenweg, Ommerbosweg, Grensweg, Ondersloot en Driehoekweg te Ommen aan het openbaar verkeer te onttrekken.

Wetsverwijzingen
Tracéwet
Tracéwet 15
Tracéwet 20
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/4132
ABkort 2009/97
JOM 2009/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806569/1.

Datum uitspraak: 11 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Ommen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ommen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2008, UIT/08-03565, heeft het college van burgemeester en wethouders van Ommen (hierna: het college) besloten een deel van de Middenweg, Ommerbosweg, Grensweg, Ondersloot en Driehoekweg te Ommen aan het openbaar verkeer te onttrekken.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het beroep ter zitting behandeld op 30 januari 2009, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door G. Jansonius, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de minister van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Directie Oost-Nederland, vertegenwoordigd door J. Jongman, ambtenaar van de Rijkswaterstaat directie Oost-Nederland.

2. Overwegingen

2.1. De minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, heeft op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet op 21 maart 2006 het tracébesluit Omleiding Ommen N34/N36 (hierna: het tracébesluit) vastgesteld. Het bestreden besluit betreft een besluit ter uitvoering van het tracébesluit als bedoeld in artikel 20, tweede lid van de Tracéwet.

2.2. [appellanten] voeren onder meer aan dat het bestreden besluit acht weken ter inzage heeft gelegen, waardoor ten onrechte de suggestie is gewekt dat ook buiten de beroepstermijn van zes weken nog beroep kon worden ingesteld.

Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan daarom geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. [appellanten] voeren voorts aan dat het bestreden besluit niet had mogen worden genomen voordat ingevolge artikel 15, achtste lid, van de Tracéwet een bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad, dat voorziet in een goede planologische inpassing van de gehele omgeving.

2.4. Ingevolge artikel 15, achtste lid, van de Tracéwet, is de gemeenteraad verplicht om binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden het bestemmingsplan overeenkomstig dat tracébesluit vast te stellen of te herzien. Vast staat dat aan deze verplichting niet is voldaan. In de Tracéwet noch in enige andere wettelijke bepaling is evenwel bepaald dat besluiten ter uitvoering van het tracébesluit alleen mogen worden genomen nadat aan deze verplichting is voldaan. Bovendien is de verplichting van deze bepaling beperkt tot de gronden die vallen binnen het tracé van het tracébesluit. Er bestaat geen verplichting voor de gemeenteraad een bestemmingsplan vast te stellen dat betrekking heeft op de planologische inpassing van de gehele omgeving ter plaatse, zoals [appellanten] veronderstellen. Daarbij komt dat de openbaarheid van een weg geen aspect is dat in het kader van een bestemmingsplan kan worden gereguleerd. Gelet op het feit dat het tracébesluit ingevolge artikel 15, zesde lid, van de Tracéwet bij strijd met het bestemmingsplan geldt als projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, leidt het overschrijden van de termijn van artikel 15, achtste lid, van de Tracéwet bovendien, anders dan [appellanten] ter zitting hebben betoogd, niet tot een rechtsonzekere situatie.

2.5. Voorts is in de Tracéwet noch in enige andere wettelijke bepaling bepaald dat het bestreden besluit, zoals [appellanten] ter zitting hebben betoogd, pas had kunnen worden genomen nadat alle andere uitvoeringsbesluiten, zoals de bouwvergunningen voor de aan te leggen kunstwerken, zouden zijn verleend.

2.6. Ingevolge artikel 25c van de Tracéwet kunnen, indien tegen een in artikel 20, tweede lid, van die wet bedoeld besluit beroep kan worden ingesteld, bij dit beroep geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op een tracébesluit waarop dat besluit berust.

2.7. Ingevolge artikel 2: infrastructurele maatregelen, van het tracébesluit, waarin wordt verwezen naar de toelichting bij het tracébesluit en naar de bij het tracébesluit behorende kaarten, is uitdrukkelijk voorzien in het onderbreken van de volgende kruisende wegen ter plaatse van de Omleiding Ommen N34/N36: een aantal zandwegen/paden in het bosgebied Bovenveld, de Driehoekweg, de Middenweg, de Grensweg en de Ommerbosweg. Voorts is vermeld dat deze wegen na aanleg van de Omleiding Ommen N34/N36 niet worden teruggebracht als kruisende verbinding, maar wel een functie voor het bestemmingsverkeer blijven houden.

2.8. [appellanten] betogen dat zij ernstige schade zullen lijden doordat zij ongeveer 6,5 kilometer zullen moeten omrijden om hun percelen, die dienstbaar zijn aan hun akkerbouwbedrijf en die zijn gelegen aan weerszijden van de Omleiding Ommen N34/N36, te kunnen bereiken.

Voorts voeren zij aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor de natuur, in het bijzonder vanwege de aanwezigheid van het Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Regge binnen drie kilometer van de Omleiding Ommen N34/N36, waarvoor nog geen beheersplan is vastgesteld. Volgens hen had de natuurcompensatie al moeten zijn gerealiseerd en is onzeker of kan worden voldaan aan de Natuurbeschermingswet 1998 en aan de Flora- en faunawet.

2.9. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgronden betrekking hebben op de gevolgen van het tracébesluit als zodanig en meer in het bijzonder op de gevolgen van het onderbreken van de in het bestreden besluit genoemde wegen, dat uitdrukkelijk als infrastructurele maatregel is opgenomen in artikel 2 van het tracébesluit. Dat het tracébesluit tevens een uitmeetbepaling en een flexibiliteitsbepaling kent, maakt dat niet anders, omdat deze bepalingen niet kunnen bewerkstelligen dat de genoemde kruisende wegen niet zullen hoeven worden onderbroken. Ook de omstandigheid dat een flink aantal relevante planologische aspecten volgens [appellanten] nog moet worden geconcretiseerd in het nog op te stellen bestemmingsplan, wat daar overigens ook van zij, maakt niet dat de beroepsgronden geen betrekking zouden hebben op de gevolgen van de al in het tracébesluit opgenomen onderbreking van de kruisende wegen. Ook de gevolgen van het tracébesluit voor de natuur zijn bij de totstandkoming van dit besluit onderzocht en beoordeeld.

De conclusie is dat het in beroep door [appellanten] in zoverre aangevoerde betrekking heeft op het tracébesluit waarop het bestreden besluit berust. Gelet hierop komen deze beroepsgronden ingevolge artikel 25c van de Tracéwet in deze procedure niet meer voor bestrijding in aanmerking.

2.10. Voor zover [appellanten] nog aanvoeren dat de Omleiding Ommen N34/N36 in het nog op te stellen beheersplan voor het Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Regge niet mag worden aangemerkt als bestaand gebruik en dat in dat kader de ammoniakdepositie op het gebied als gevolg van het toegenomen wegverkeer in kaart zal moeten worden gebracht, overweegt de Afdeling dat het beheersplan in deze procedure niet aan de orde is.

2.11. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009

410.