Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
200801775/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft de raad van de gemeente Nederweert (hierna: de raad) het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801775/1.

Datum uitspraak: 4 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nederweert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 januari 2008 in zaak nr. 07/885 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Nederweert.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft de raad van de gemeente Nederweert (hierna: de raad) het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2007 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 januari 2008, verzonden op 30 januari 2008, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 9 april 2008 en 12 november 2008.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M. Smits werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.L.J. Bijlmakers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de raad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.2. [appellant], die gezamenlijk met zijn echtgenote eigenaar is van het perceel met woning aan de [locatie] te Nederweert (hierna: het perceel), heeft verzocht om vergoeding van de schade in de vorm van waardevermindering van deze woning die hij stelt te lijden als gevolg van de vaststelling door de raad van het bestemmingsplan "Kerneelhoven" op 13 april 2004, dat is goedgekeurd door gedeputeerde staten op 20 juli 2004. Dit plan kent aan een vier meter brede strook ten zuidoosten van het perceel de bestemming "verkeer en verblijf" toe en aan het perceel zelf en de overige rondom het perceel gelegen gronden de bestemming "wonen I". Het plan voorziet in de oprichting van ongeveer 190 woningen en een basisschool en de aanleg van een toegangsweg voor de nieuwbouwwijk.

2.2.1. Voorheen gold het bestemmingsplan "Buitengebied 1998", vastgesteld door de raad op 13 april 1999 en gedeeltelijk goedgekeurd door gedeputeerde staten van Limburg op 23 november 1999. Dit plan kende, voor zover thans van belang, aan het perceel de bestemming "niet-agrarische bedrijven" toe en aan de omringende gronden de bestemmingen "niet-agrarische bedrijven", "agrarisch bouwblok" en "agrarisch gebied" toe.

2.2.2. De raad heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de schadebeoordelingscommissie Kenniscentrum (hierna: het Kenniscentrum), die op 4 oktober 2005 een rapport heeft opgesteld. Volgens het Kenniscentrum is [appellant] door de planologische wijzigingen in een nadeliger positie gekomen. De toegenomen bebouwingsmogelijkheden rondom het perceel en de mogelijkheid om een toegangsweg voor de nieuwbouwwijk aan de zuidoost zijde van het perceel aan te leggen hebben een intensivering van het gebruik van de gronden rondom het perceel, inkijk vanuit die gronden op het perceel en geluidsoverlast door de verkeersaantrekkende werking van de toegangsweg tot gevolg. Voorts is sprake van een vermindering van de situeringswaarde van de woning door de toename van de verstening. De schade wordt echter beperkt door de beperkte verruiming van de bouwmogelijkheden op het perceel, door de wijziging van de bestemming van het perceel van "niet agrarische bedrijven" in "wonen 1", door het verdwijnen van de bestemming "agrarisch bouwblok" op de gronden naast het perceel, welke bestemming een aanzienlijke milieubelasting met zich meebracht, en door het verdwijnen van de bestemming "niet-agrarische bedrijven" op de gronden achter het perceel. Volgens het Kenniscentrum bedraagt de waarde van het perceel vóór de planologische wijzigingen € 325.000,- en na de planologische wijzigingen € 315.000,-, zodat de schade € 10.000,- bedraagt.

2.2.3. De raad heeft het verzoek voorts ter advisering voorgelegd aan drs. L.A. van Montfoort van Adviesbureau van Montfoort (hierna: Van Montfoort), die op 11 augustus 2006, 21 september 2006 en 2 januari 2007 rapporten heeft opgesteld. Volgens Van Montfoort bedraagt de waarde van het perceel vóór de planologische wijzigingen € 340.000,-. Voorts zijn volgens hem de bebouwingsmogelijkheden op het perceel door de planologische wijzigingen gunstiger geworden en betreft de woning van [appellant] onder het nieuwe planologische regime geen bedrijfswoning meer, maar een burgerwoning, hetgeen een waardevermeerdering van de woning tot gevolg heeft. Voorts vervalt onder het nieuwe planologische regime op de gronden naast het perceel de mogelijkheid om agrarische bebouwing op drie meter afstand van de perceelgrens op te richten, met alle daarmee gepaard gaande overlast, en komt daar vrij ruim opgezette woningbouw voor in de plaats, hetgeen als gunstig wordt beschouwd. Hoewel deze woningbouw vermindering van rust en privacy voor [appellant] met zich mee kan brengen, wegen deze negatieve gevolgen niet op tegen de positieve gevolgen van het verdwijnen van een intensieve veehouderij op zeer korte afstand van het perceel. Verder is sprake van vermindering van de privacy door woonbebouwing op de gronden direct achter het perceel, welk nadeel zwaarder weegt dan het voordeel van het vervallen van de bedrijfsfunctie op die gronden. Hoewel de verkeersverbinding langs de zuidoost zijde van de woning geluidsoverlast met zich meebrengt, is niet aannemelijk dat de daarmee gepaard gaande overlast de mogelijke overlast bij maximale benutting van diezelfde strook als ontsluiting van een op het achtergelegen perceelsgedeelte optimaal functionerend bedrijf zal overtreffen. Tevens is sprake van vermindering van rust, privacy en uitzicht door de woningbouw ten zuidoosten van de woning. Per saldo wordt volgens Van Montfoort de woning door de planologische wijzigingen "minder meer" waard dan anders als gevolg van de omzetting van de status van bedrijfswoning in burgerwoning, het geval had kunnen zijn.

2.2.4. De raad heeft bij besluit van 24 april 2007, in navolging van een advies van de adviescommissie bezwaarschriften, waarin wordt verwezen naar de rapporten van Van Montfoort, de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat van het advies van het Kenniscentrum afgeweken moet worden omdat daarin niet wordt onderkend dat [appellant] samen met zijn echtgenote eigenaar van het perceel is en omdat daarin van een onjuiste peildatum voor het intreden van de schade wordt uitgegaan, namelijk van 20 juli 2004 in plaats van 17 september 2004. Verder is het Kenniscentrum ten onrechte voorbij gegaan aan het voordeel dat voor [appellant] voortvloeit uit de bestemmingswijziging van het perceel van "niet-agrarische bedrijven" in "wonen I". Voorts heeft het Kenniscentrum de hinder die onder het oude planologische regime kon uitgaan van een agrarisch bedrijf op het naastgelegen perceel slechts gekwalificeerd als 'aanzienlijke milieubelasting' en heeft deze ten onrechte nagelaten om onderzoek te doen naar de geldende milieuvergunningen. Het Kenniscentrum heeft voorts niet onderkend dat onder het oude planologische regime het perceel achter de woning van [appellant] ontsloten werd via een oprit, waar onder het nieuwe regime wordt voorzien in de aanleg van een toegangsweg voor de nieuwbouwwijk.

2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door een tweede deskundige in te schakelen, faalt dat betoog. Anders dan [appellant] stelt, heeft de raad in de omstandigheid dat antwoorden op vragen aan het Kenniscentrum uitbleef, aanleiding mogen zien om een tweede deskundige in te schakelen.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het advies van het Kenniscentrum buiten beschouwing is gelaten.

2.4.1. Dit betoog slaagt. Het staat een bestuursorgaan vrij om, op grond van een nader advies, van een krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies af te wijken, doch in dat geval rust op het bestuursorgaan wel de plicht om, naast het in de gelegenheid stellen van betrokkene om een reactie te geven op het nader advies, deugdelijk te motiveren om welke reden van dat advies wordt afgeweken. De rechtbank heeft niet onderkend dat de raad daar niet in is geslaagd, bij welk oordeel de Afdeling het volgende in aanmerking neemt. De raad is er aan voorbij is gegaan dat het Kenniscentrum de bestemmingswijziging van het perceel wel degelijk als een voordelige wijziging bij de totstandkoming van het advies heeft betrokken. Voorts is de raad er aan voorbij gegaan dat ook Van Montfoort geen cijfermatige onderbouwing van de hinder die onder het oude planologische regime van een agrarisch bedrijf op het achter het perceel gelegen gronden zou kunnen uitgaan, heeft gegeven. Voor zover de raad stelt dat het Kenniscentrum ten onrechte heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de geldende milieuvergunningen, gaat de raad er aan voorbij dat bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding een vergelijking wordt gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime, waarbij de feitelijke situatie niet van belang is. Dat het Kenniscentrum bij de totstandkoming van het advies niet heeft betrokken de omstandigheid dat onder het oude planologische regime het achter de woning van [appellant] gelegen perceel ontsloten werd door een oprit, acht de Afdeling onvoldoende om dit advies onjuist te achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad niet heeft gemotiveerd of deze oprit van invloed is op de waardebepaling van de eigendom van [appellant] onder het oude planologische regime. Het Kenniscentrum heeft deze waarde enigszins lager getaxeerd dan Van Montfoort, zodat een motivering in de rede had gelegen. Dat geldt ook voor vermelding van 20 juli 2004 als peildatum voor het intreden van de schade in plaats van 17 september 2004, nu er geen grond bestaat om aan te nemen dat in dit geval de waardevermindering in de tussenliggende periode wezenlijk is gewijzigd. Dat het Kenniscentrum bij de totstandkoming van het advies niet heeft betrokken de omstandigheid dat [appellant] samen met zijn [echtgenote] eigenaar van het perceel, is ook onvoldoende om dit advies onjuist te achten. In dit verband is van belang dat, anders dan de raad in navolging van Van Montfoort heeft gesteld, dit onjuiste uitgangspunt niet tot gevolg zou hebben dat [appellant] bij toekenning van planschadevergoeding slechts in aanmerking zou kunnen komen voor de helft van het bedrag, nu het verzoek, zoals ook blijkt uit een daartoe door zijn echtgenote op 11 mei 2006 opgestelde verklaring, mede wordt geacht namens haar te zijn ingediend en ook door het door [appellant] gemaakte bezwaar mede door haar wordt geacht te zijn gemaakt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen [appellant] overigens heeft betoogd, behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.6. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 24 april 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen.

2.7. De Afdeling ziet aanleiding om de zaak zelf af te doen. De Afdeling stelt vast dat het Kenniscentrum is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en dat zij in beginsel op een door haar uitgebracht advies mag afgaan. Dit is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven. In het advies van Van Montfoort wordt uitgegaan van dezelfde planologische uitgangspunten als in het advies van het Kenniscentrum. Dat Van Montfoort deze uitgangspunten anders waardeert dan het Kenniscentrum, is onvoldoende voor het oordeel dat het advies van het Kenniscentrum onjuist is. [appellant] heeft evenmin door middel van een deskundigenrapport aannemelijk gemaakt dat het advies van het Kenniscentrum onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven. De Afdeling zal daarom het primaire besluit herroepen en, in navolging van het advies van het Kenniscentrum, bepalen dat aan [appellant] ten laste van de gemeente Nederweert ter zake van planschade op de voet van artikel 49 van de WRO wordt toegekend een bedrag van € 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2004 tot aan de dag van algehele voldoening.

De beslissing van de Afdeling wordt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb in de plaats gesteld van het vernietigde besluit op het bezwaarschrift.

2.8. De raad dient op na de melden wijze in de proceskosten van het beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 januari 2008 in zaak nr. 07/885;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nederweert van 24 april 2007;

V. herroept het besluit van de raad van de gemeente Nederweert van 24 oktober 2006;

VI. veroordeelt de gemeente Nederweert om aan [appellant] € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) aan planschadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2004 tot aan de dag van algehele voldoening;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van de raad van 24 april 2007;

VIII. veroordeelt de gemeente Nederweert tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.329,08 (zegge: dertienhonderdnegenentwintig euro en acht cent), waarvan € 1.288,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat de gemeente Nederweert aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2009

344.