Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1890

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
200803221/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2006 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803221/1.

Datum uitspraak: 4 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Overbetuwe,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 maart 2008 in zaak nr. 07/3498 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Overbetuwe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft de gemeenteraad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2008, hoger beroep ingesteld.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2008, waar [appellant], bijgestaan door R.W.M. Rikken, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door R.C. van der Spek, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de raad van de gemeente, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. [appellant], sinds november 1965 eigenaar van het perceel gelegen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), heeft de gemeenteraad verzocht om vergoeding van de schade die hij stelt te lijden ten gevolge van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Buitengebied Dorp Elst". Als gevolg van dat bestemmingsplan kan op korte afstand van het perceel een loods worden gerealiseerd.

2.4. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied dorp Elst" rust op de gronden waar de desbetreffende loods is voorzien de bestemming "Agrarische doeleinden".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de bij dat bestemmingsplan behorende planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor het gebruik ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge het tweede lid mogen op deze gronden uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht, noodzakelijk voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en kennelijk voor dat doel bestemd, inbegrepen één bedrijfswoning, met dien verstande, dat

a. de bebouwing dient plaats te vinden binnen het als zodanig op de plantekening aangegeven bouwperceel;

b. ongeacht het hierboven sub a bepaalde de in artikel 2, vierde lid, bedoelde minimumafstanden in acht moeten worden genomen (bij bebouwing op gronden grenzend aan de wegen A, B, C en D dient rekening te worden gehouden met de respectieve op het renvooi van de plantekening en/of op de plantekening aangegeven bebouwingsvrije stroken).

Ingevolge het vijfde lid mogen op deze gronden overigens kleine gebouwtjes en andere bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf, zoals melkstallen en schuilhutten, mits met een maximumvloeroppervlak van 200 m2 per bouwwerk en een maximumbouwhoogte van 6,5 m.

Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Elst 1954" hadden de gronden waar de desbetreffende loods is voorzien de bestemming "Bestemming in hoofdzaak". De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor akkerbouw-, veeteelt-, fruitteelt-, tuinbouw-, bloementeelt- of gemengde bedrijven van die aard en de voor de uitoefening dier bedrijven vereiste vrijstaande woningen, schuren, kassen, garages en andere bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat, voor zover thans van belang, voor bebouwing C de bouwperceeloppervlakte tenminste 1 ha, de bouwperceelbreedte tenminste 50 m en de afstand tot de zijdelingse perceelgrens tenminste 10 m moeten bedragen.

2.5. Het verzoek van [appellant] is ter advisering voorgelegd aan de schadebeoordelingscommissie Langhout & Wiarda Juristen, Rentmeesters, Makelaars (hierna: de schadebeoordelingscommissie).

In het advies van de schadebeoordelingscommissie van 10 oktober 2005 wordt gesteld dat onder het oude planologische regime gold dat voor bebouwing een afstand van tenminste 10 m tot de zijdelingse perceelsgrens in acht diende te worden genomen en dat onder het vigerende planologische regime geldt dat de bebouwing overal binnen het agrarisch bouwperceel kan worden opgericht tot aan de perceelsgrens. Volgens het advies treedt in die zin een planologische verslechtering op. In het advies staat voorts vermeld dat daartegenover staat dat aan de noord- en oostzijde van het perceel de bebouwingsmogelijkheden aanzienlijk zijn afgenomen, aangezien onder het voorheen geldende planologische regime geen agrarische bouwpercelen bestonden en in beginsel overal binnen de bestemming agrarische bebouwing kon worden opgericht. Verder wordt in het advies vermeld dat onder het vigerende planologische regime aan de oostzijde van het perceel een agrarisch bouwperceel is geprojecteerd en zich aan de noordzijde en de oostzijde van het perceel geen agrarische bouwpercelen bevinden. Buiten de agrarische bouwpercelen is enkel de oprichting van melkstallen en schuilhutten mogelijk. Aan die zijden treedt volgens het advies planologisch voordeel op omdat daar slechts in beperkte mate bebouwing kan worden opgericht. In het advies wordt geconcludeerd dat wat betreft de bebouwingsmogelijkheden, voor- en nadelen salderend, geen sprake is van planologisch nadeel maar van planologisch voordeel.

De gemeenteraad heeft dit advies ten grondslag gelegd aan het bij het besluit op bezwaar van 26 juni 2007 gehandhaafde besluit van 26 september 2006.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat het advies van de schadebeoordelingscommissie onzorgvuldig tot stand is gekomen of onjuistheden bevat, anders dan dat tweemaal "oostzijde" is vermeld waar bedoeld is "westzijde" en dat de rechtbank dit ten onrechte als een kennelijke vergissing heeft aangemerkt. De rechtbank is voorts ten onrechte voorbij gegaan aan het door hem ingebrachte deskundigenrapport van Witjes Makelaars (hierna: Witjes). De gemeenteraad had het advies van de schadebeoordelingscommissie dan ook niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen, aldus [appellant].

2.6.1. Met de rechtbank wordt overwogen dat de twee vermeldingen in het advies van 10 oktober 2005 van het woord "oostzijde", betrekking hebbend op de gronden waar zich volgens dat advies geen agrarische bouwpercelen bevinden en waar de bebouwingsmogelijkheden aanzienlijk zijn afgenomen, als een kennelijke verschrijving moet worden aangemerkt. Blijkens de bij het bestemmingsplan "Buitengebied dorp Elst" behorende plankaart grenst het perceel immers slechts aan één zijde aan een agrarisch bouwperceel en zijn op de gronden grenzend aan de andere zijden van het perceel geen agrarische bouwpercelen voorzien. Ter zitting is bevestigd dat zich slechts aan de oostzijde van het perceel een agrarisch bouwperceel bevindt, waar thans de desbetreffende loods is gerealiseerd. Het advies van de schadebeoordelingscommissie van 10 oktober 2005 moet dan ook aldus worden gelezen dat, in plaats van aan de oostzijde, zich aan de westzijde van het perceel geen agrarische bouwpercelen bevinden en ook daar de bebouwingsmogelijkheden aanzienlijk zijn afgenomen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat dit in het eveneens aan het besluit op bezwaar van 26 juni 2007 ten grondslag liggend nader advies van de schadebeoordelingscommissie van 27 maart 2006 juist is vermeld. Deze kennelijke verschrijving in het advies van 10 oktober 2005 biedt geen grond voor het oordeel dat dit advies naar zijn inhoud of wijze van totstandkoming gebrekkig is en de gemeenteraad zich daarop bij zijn besluitvorming niet mocht baseren. Het door [appellant] ingebrachte deskundigenrapport van Witjes kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is dit deskundigenrapport niet gebaseerd op een vergelijking van de maximale mogelijkheden onder het vigerende met die onder het voorheen geldende planologische regime. Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2009

85-505.