Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1889

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
200802786/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 13 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (hierna: het college) aan [appellant] medegedeeld dat op 21 maart 2006 is besloten geen gevolg te geven aan zijn verzoek om handhavend op te treden tegen de strijdige bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/5106
ABkort 2009/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802786/1.

Datum uitspraak: 4 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2008 in zaak nr. 07/2307 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis.

1. Procesverloop

Bij brief van 13 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (hierna: het college) aan [appellant] medegedeeld dat op 21 maart 2006 is besloten geen gevolg te geven aan zijn verzoek om handhavend op te treden tegen de strijdige bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 mei 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2008, verzonden op 6 maart 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 mei 2008 heeft [belanghebbende], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.H. De Lange, advocaat te Vlaardingen, en het college, vertegenwoordigd door P.H. Harent, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat het gebruik van het perceel voor een manege en voor aanverwante dagrecreatieve activiteiten, zoals kinderfeestjes en huifkartochten, in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Aalkeetpolder I" (hierna: het bestemmingsplan). Het college is derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 16 mei 2007 concreet zicht op legalisatie van de bestreden activiteiten van [belanghebbende] bestond.

2.3.1. Voor het bestaan van concreet zicht op legalisatie door herziening van het bestemmingsplan moet in het algemeen, ten tijde van het besluit op bezwaar, een ontwerp van de herziening ter inzage zijn gelegd.

2.3.2. Het college heeft aan zijn besluit op bezwaar van 16 mei 2007 ten grondslag gelegd dat het bestemmingsplan wordt herzien en dat over het voorontwerp-bestemmingsplan "Aalkeetpolder" (hierna: het voorontwerp-bestemmingsplan) reeds overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 heeft plaatsgevonden. Voorts heeft het college in dit besluit overwogen dat de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] middels een wijziging alsnog in het voorontwerp-bestemmingsplan zijn ingepast. Blijkens een reactie van de provincie Zuid-Holland (hierna: de provincie) van 13 februari 2007 bestaat op grond van provinciaal beleid geen bezwaar tegen het gebruik van het perceel voor een manege en overige, beperkte, dagrecreatieve activiteiten, mits voldaan is aan de voorwaarden die hieraan in de nota "Regels voor Ruimte" (hierna: de nota) worden gesteld.

Het ontwerp-bestemmingsplan "Aalkeetpolder" is eerst met ingang van 11 juni 2007 ter inzage gelegd. Nu de provincie bovendien niet onverkort heeft ingestemd met de in het voorontwerp-bestemmingsplan ten aanzien van het perceel aangebrachte wijziging, kan uit de reactie van 13 februari 2007 niet de conclusie worden getrokken dat het in de lijn der verwachting ligt dat het college van gedeputeerde staten hieraan daadwerkelijk goedkeuring zal verlenen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 16 mei 2007 concreet zicht bestond op legalisatie van de bestreden activiteiten van [belanghebbende].

Gelet op het vorenoverwogene, behoeft al hetgeen door partijen is aangevoerd over de vraag of is voldaan aan de in de nota gestelde voorwaarden geen bespreking.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van

16 mei 2007, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vernietigen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2008 in zaak nr. 07/2307;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 16 mei 2007;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Maassluis aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat gemeente Maassluis aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2009

270-593.