Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
200800416/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2007, kenmerk RMW0713376/25/10, heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Tholen (hierna: de raad) bij besluit van 26 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Poortvliet".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800416/1.

Datum uitspraak: 4 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Themacentrum Bergen op Zoom B.V., gevestigd te Bergen Op Zoom,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2007, kenmerk RMW0713376/25/10, heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Tholen (hierna: de raad) bij besluit van 26 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Poortvliet".

Tegen dit besluit heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Themacentrum Bergen op Zoom B.V. (hierna: TBOZ) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 14 februari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2008, waar TBOZ, vertegenwoordigd door mr. E.F. Gomes, advocaat te Bergen op Zoom, en vergezeld door haar [directeur] en drs. J. Gosselt, werkzaam bij WPM Consultants, en het college, vertegenwoordigd door M. de Koeijer, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. P.A. Quist, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan geeft een planologische regeling voor de gehele kern van het dorp Poortvliet, inclusief het bedrijventerrein aan de noordkant van het dorp. Op dit bedrijventerrein is de woonboulevard Poortvliet (hierna: de woonboulevard) gevestigd. Het plan beoogt de bestaande situatie vast te leggen en daarnaast te voorzien in enkele ontwikkelingen, waaronder een uitbreiding van de woonboulevard van 25.000 m2 naar ongeveer 50.000 m2.

Procedurele aspecten

2.3. TBOZ voert aan dat zij er niet van op de hoogte is gesteld dat het college aan het gemeentebestuur heeft verzocht om ook zelf een distributie-planologisch onderzoek (hierna: DPO) te laten opstellen en dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om daarop schriftelijk te reageren alvorens het college het bestreden besluit nam, hetgeen volgens haar in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit klemt temeer, aldus TBOZ, omdat het college ook geen mogelijkheid heeft geboden om een mondelinge toelichting te geven op de ingediende bedenkingen.

Uit de WRO noch enige andere wettelijke bepaling volgt dat het college is gehouden de indieners van bedenkingen, door toezending dan wel terinzagelegging, in kennis te stellen van stukken met betrekking tot het plan die na de terinzagelegging van het vastgestelde plan nog aan het college worden toegezonden. Onder omstandigheden kan er echter uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding aanleiding bestaan de indieners van bedenkingen in kennis te stellen van dergelijke nadere stukken en hun de gelegenheid te bieden hierop te reageren.

In het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat het bedoelde DPO van Ecorys Nederland B.V. (hierna: Ecorys), het eerdere DPO van Locatus dat in opdracht van de woonboulevard was opgesteld, in grote lijnen bevestigt. De inhoud van het DPO van Ecorys geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten behoeve van een zorgvuldige voorbereiding van zijn besluit TBOZ de mogelijkheid had moeten bieden hierop te reageren. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het rapport geen wezenlijke nieuwe feiten of omstandigheden bevat, met het oog waarop de noodzaak voor het college tot het bieden van een zodanige mogelijkheid zou kunnen bestaan. Voorts kan TBOZ haar bezwaren tegen dit rapport in de beroepsfase naar voren brengen, hetgeen zij ook heeft gedaan.

Voor zover TBOZ aanvoert dat het onderzoek van Ecorys als een nieuw feit in de zin van artikel 7:9 van de Awb is te beschouwen en derhalve noopt tot een hoorplicht, overweegt de Afdeling dat het bestreden besluit is tot stand gekomen met toepassing van de procedure ingevolge artikel 28 van de WRO. Het betreft hier geen bezwaarschriftprocedure als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Awb, zodat artikel 7:9 van deze wet toepassing mist. Artikel 28 van de WRO noch enig ander wettelijk voorschrift voorziet in een hoorplicht. Per 1 juli 2005 is de hoorplicht ingevolge artikel 27, derde lid, van de WRO komen te vervallen. Gelet op het feit dat het ontwerpplan niet vóór 1 juli 2005 ter inzage is gelegd, was het college niet meer wettelijk verplicht om TBOZ te horen. Voorts is niet gesteld noch gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een dergelijke hoorplicht zouden nopen. Deze betogen falen.

2.4. TBOZ betoogt verder dat de procedure met betrekking tot de onverplichte hoorzitting inzake de ingediende zienswijze bij de raad onzorgvuldig is verlopen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat zij onvoldoende tijd heeft gehad om zich voor te bereiden op deze hoorzitting van 16 april 2007 vanwege het feit dat van de zijde van het gemeentebestuur de op het plan betrekking hebbende stukken pas in een zeer laat stadium zijn toegezonden.

Door het college is gesteld dat TBOZ reeds op 27 maart 2007 ervan op de hoogte is gesteld dat de hoorzitting waarschijnlijk op 16 april zou worden gehouden. Niet in geschil is dat de definitieve bevestiging van de datum van de hoorzitting op 4 april 2007 telefonisch aan TBOZ is meegedeeld. Dit is niet onredelijk laat te noemen.

Het verwijt van TBOZ dat van de zijde van het gemeentebestuur stukken te laat zijn toegezonden treft geen doel. De op het plan betrekking hebbende stukken hebben ten behoeve van het indienen van zienswijzen gedurende 6 weken ter inzage gelegen op het gemeentehuis te Sint-Maartensdijk. Gedurende deze periode heeft TBOZ kennis genomen van de stukken en had zij om een afschrift daarvan kunnen verzoeken. Ook nadat de indieningstermijn voor zienswijzen op 8 maart 2007 was verstreken, heeft niets TBOZ dan wel haar gemachtigde in de weg gestaan om eerder dan 26 maart 2007 eventuele relevante stukken op het gemeentehuis in te zien dan wel daarvan een afschrift te verzoeken. Dat TBOZ daarvan pas op 26 maart 2007 gebruik heeft gemaakt, komt voor haar rekening. Naar het oordeel van de Afdeling is van de zijde van de gemeente voldoende voortvarend op het verzoek van TBOZ gereageerd. In hetgeen TBOZ heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de procedure omtrent de hoorzitting onzorgvuldig zou zijn verlopen. Dit betoog faalt derhalve.

2.5. Voorts betoogt TBOZ dat de raad de door haar ingediende zienswijze op een onjuiste en onvolledige wijze heeft samengevat.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijze samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de raad niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Distributie-planologische onderzoeken

2.6. TBOZ, die een woonboulevard exploiteert in Bergen op Zoom, betoogt dat het DPO van Locatus van 16 september 2005 niet deugdelijk is uitgevoerd. Hiertoe voert zij aan dat dit DPO onvoldoende actueel is om ter onderbouwing van de uitbreiding van de woonboulevard te dienen. Verder acht TBOZ de conclusies van het DPO van Ecorys van 4 oktober 2007 niet juist. Hiertoe voert zij aan dat bij de bepaling van de mogelijke uitbreidingsruimte geen rekening is gehouden met andere reeds bestaande uitbreidingsplannen in het verzorgingsgebied ter grootte van ongeveer 60.000 m2. Daarnaast is het verzorgingsgebied dat door de woonboulevard wordt bestreken, te ruim geschat. Tevens wordt de omzetclaim van de woonboulevard op de regio onderschat, waardoor het door Ecorys berekende marktverdringingseffect te laag is geschat. Ook het uitgangspunt dat TBOZ een ander segment van de markt zou bedienen dan de woonboulevard, acht TBOZ niet juist. Na uitbreiding van de woonboulevard zal dan ook sprake zijn van een ernstige ontwrichting van de voorzieningenstructuur, aldus TBOZ.

2.6.1. Het college heeft in het bestreden besluit vermeld dat, gelet op de verschillende uitkomsten van het onderzoek van Locatus en het in opdracht van TBOZ verrichte onderzoek door Logimark, aan het gemeentebestuur is verzocht om een DPO als 'second opinion' te laten verrichten. Daarop heeft Ecorys in opdracht van het gemeentebestuur een DPO uitgevoerd. Het college stelt zich op het standpunt dat het rapport van Ecorys in grote lijnen overeenkomt met het eerdere rapport van Locatus en dat het rapport van Locatus dan ook een voldoende deugdelijke onderbouwing geeft voor de plannen tot uitbreiding van de woonboulevard.

2.6.2. De Afdeling stelt voorop dat, voor zover de bezwaren zijn ingegeven door concurrentievrees, er geen aanleiding bestaat om in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter zake regulerend op te treden.

Ten behoeve van het plan heeft Locatus het DPO 'Haalbaarheid uitbreiding Woonboulevard Poortvliet' van 16 september 2005 uitgebracht. TBOZ heeft naar aanleiding van dit onderzoek door Logimark een tegenonderzoek laten verrichten, dat is neergelegd in het rapport 'Distributief Onderzoek Woonboulevards' van 18 juni 2007. Op verzoek van het college heeft het gemeentebestuur daarna, zoals hiervoor al vermeld, door Ecorys een DPO laten verrichten, dat is neergelegd in het rapport 'Uitbreiding Woonboulevard Poortvliet' van 4 oktober 2007. TBOZ heeft vervolgens WPM Consultants (hierna: WPM) opdracht gegeven voor een reactie op het rapport van Ecorys, die is neergelegd in een notitie van 4 februari 2008. Op de bevindingen in de notitie van WPM heeft Ecorys op verzoek van de raad gereageerd in een memo van 12 september 2008.

Het betoog van TBOZ dat het onderzoek van Locatus onvoldoende actueel is treft geen doel. Het rapport dateert van september 2005 en is opgesteld bij de voorbereiding van het plan. Niet is gemotiveerd waarom dit onderzoek niet meer voldoende actueel zou zijn en daarom niet zou mogen dienen ter onderbouwing van de uitbreiding van de woonboulevard. TBOZ heeft voorts niet nader gemotiveerd waarom dit DPO niet deugdelijk zou zijn uitgevoerd.

2.6.3. In de DPO's van Locatus, Logimark en Ecorys en in de notitie van WPM wordt de omvang van het verzorgingsgebied van de woonboulevard verschillend ingeschat, mede als gevolg van het al dan niet rekening houden met reistijden. Verder wordt in eerdergenoemde DPO's de mogelijke (distributieve) uitbreidingsruimte voor de woonboulevard verschillend ingeschat, waarbij WPM tot de conclusie komt dat er in het geheel geen uitbreidingsruimte is. Daarnaast wordt in de diverse DPO's en reacties het marktverdringingseffect van de uitbreidingsplannen van de woonboulevard verschillend becijferd.

De Afdeling overweegt dat door TBOZ niet aannemelijk is gemaakt dat het verzorgingsgebied in de DPO's van Locatus en Ecorys te ruim is bepaald, nu in deze DPO's is uitgegaan van de gegevens van de klanten van de woonboulevard in de afgelopen tijd. Deze specifieke cijfers zeggen in dit geval meer dan de algemene cijfers en aannames gebaseerd op koopstromen en reistijden in de rapporten van Logimark en WPM.

Ten aanzien van het marktverdringingseffect, constateert de Afdeling dat uit de DPO's weliswaar volgt dat enige verdringing waarschijnlijk is, maar dat TBOZ niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit leidt tot een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur in de regio. Daarbij betrekt de Afdeling dat TBOZ ter zitting heeft bevestigd dat het marktsegment waarop zij zich richt, weliswaar deels overlappingen heeft met, maar niet volledig hetzelfde is als het segment dat door de woonboulevard wordt bediend.

Wat betreft de uitbreidingsplannen van andere woonboulevards in de (verre) omtrek, heeft TBOZ niet aannemelijk gemaakt dat de in dit plan voorziene uitbreiding van de woonboulevard vanwege uitbreidingsplannen van vergelijkbare woonboulevards niet uitvoerbaar is of zeker tot leegstand zal leiden.

Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een deugdelijk DPO aan het plan ten grondslag is gelegd. Het college heeft er voorts in redelijkheid van kunnen uitgaan dat de uitbreiding van de woonboulevard niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau op het gebied van woonwinkels in het verzorgingsgebied.

Bestaande wegcapaciteit

2.7. TBOZ betoogt verder dat het wegennet rondom de woonboulevard niet is berekend op de toename van het verkeer als gevolg van de uitbreiding van de woonboulevard. Er zijn slechts twee toegangsroutes naar de woonboulevard en een snelle verbinding naar het gebied ontbreekt.

2.7.1. Het college wijst erop dat in paragraaf 5.4 van de plantoelichting berekeningen zijn gemaakt van de toename van het aantal verkeersbewegingen in het gebied door uitbreiding van de woonboulevard. Daaruit blijkt dat de capaciteit van deze wegen voldoende is om de toename van verkeer op te vangen. De cijfers over de verkeersintensiteiten die de raad heeft gebruikt zijn juist, aldus het college.

2.7.2. De woonboulevard is gelegen aan de Paasdijkweg, die op ongeveer 900 meter ten zuiden van de woonboulevard door middel van een rotonde aansluit op de provinciale weg N286. In de plantoelichting staat dat de Paasdijkweg een capaciteit heeft van ongeveer 10.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal (hierna: mvt/etmaal). De N286 heeft volgens de plantoelichting een capaciteit van ongeveer 15.000 mvt/etmaal. TBOZ heeft niet gesteld dat hiermee in het plan is uitgegaan van een onjuiste capaciteit voor beide wegen.

De verkeersintensiteit voor de situatie na de uitbreiding van de woonboulevard zoals in het plan voorzien, is met twee verschillende methoden berekend, namelijk op basis van de parkeerbehoefte en op basis van het aantal bezoekers. Uit deze beide berekeningen volgt dat de verkeersintensiteit op ongeveer 20 piekdagen per jaar in 2017 op de Paasdijkweg ongeveer 9.550 mvt/etmaal zal bedragen en dat dit op de N286 ongeveer 14.400 mvt/etmaal zal zijn. De verwachte verkeersintensiteiten op de Paasdijkweg en de N286 blijven daarmee ook op de drukste dagen van het jaar binnen de eerdergenoemde capaciteit voor beide wegen. Ook de capaciteit van de rotonde zal voldoende zijn.

Nu TBOZ haar betoog dat het plan zal leiden tot meer verkeer en dat de desbetreffende wegen niet zijn berekend op die toename van het verkeer, niet heeft onderbouwd en de berekeningen ter zake niet gemotiveerd heeft bestreden, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat bij de goedkeuring van het plan door het college is uitgegaan van onjuiste verkeersintensiteiten of onvoldoende capaciteit op de Paasdijkweg en de N286.

Luchtkwaliteit

2.8. TBOZ voert aan dat uit de stukken niet blijkt dat voldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. Hierdoor is niet duidelijk of het plan voldoet aan de grenswaarden die in het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) worden gesteld.

2.8.1. In het bestreden besluit heeft het college aangegeven dat in het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgegaan van een 'worst case'-scenario, namelijk het hoogste aantal berekende voertuigbewegingen per etmaal, dat uitsluitend op piekdagen zal worden bereikt. De berekeningen geven volgens het college aan dat ook in die situatie wordt voldaan aan de grenswaarden van het Blk 2005. Ondanks een toename van het aantal verkeersbewegingen is sprake van een lichte verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse in de toekomst, aldus het college.

2.8.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, voor zover thans van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in dit besluit genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) in acht. In het tweede lid van dit artikel is onder meer het besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan aangewezen als bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Blk 2005 gelden voor de bescherming van de gezondheid van de mens voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden:

a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.8.3. Bij de berekening van de luchtkwaliteit in de omgeving van de woonboulevard is alleen rekening gehouden met het verkeer op de Paasdijkweg, omdat in de nabije omgeving geen andere drukke doorgaande wegen liggen. Voorts is gerekend met de verkeersintensiteiten op de verwachte 20 piekdagen.

De uitkomsten van het luchtkwaliteitsrapport zijn dat de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide in de periode 2007 tot 2017 daalt van 27 microgram/m3 lucht naar 23 microgram/m3 lucht. De jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes daalt van 22 microgram/m3 lucht naar 20 microgram/m3 lucht. Daarnaast daalt het aantal overschrijdingen van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes in de periode tussen 2007 tot 2017 van 18 per jaar naar 13 per jaar.

De Afdeling constateert derhalve dat aan de in artikel 15 van het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxide en aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes ingevolge artikel 20 van het Blk 2005, wordt voldaan. TBOZ heeft niet gemotiveerd waarom het luchtkwaliteitsonderzoek, waarvan de uitkomsten in de plantoelichting zijn opgenomen, niet goed zou zijn uitgevoerd.

Geluidhinder

2.9. Ten slotte betoogt TBOZ dat ten behoeve van het plan geen dan wel onvoldoende onderzoek naar eventuele geluidhinder is gedaan. Hierdoor is onduidelijk of het plan ten aanzien van de geluidzones rond industrieterreinen en de geluidzones langs wegen voldoet aan de normen van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh).

2.9.1. Het college heeft zich ten aanzien van deze beroepsgrond aangesloten bij hetgeen de raad bij de vaststelling van het plan heeft overwogen op dit punt. Door de raad is opgemerkt dat in het plan sprake is van een reeds bestaand industrieterrein en dat ingevolge de Wgh geen geluidzone voor het industrieterrein behoeft te worden vastgesteld. Ten aanzien van de geluidzones langs wegen is opgemerkt dat akoestisch onderzoek ingevolge de Wgh in dit geval niet is vereist, omdat in het plan de bestaande wegenstructuur niet wordt veranderd.

2.9.2. Met betrekking tot een eventuele geluidzone vanwege een industrieterrein stelt de Afdeling vast dat geen sprake is van een bestaande geluidzone als bedoeld in artikel 52 van de Wgh. Voorts is ingevolge artikel 40 van de Wgh het vaststellen van een geluidzone uitsluitend verplicht indien een bestemmingsplan een industrieterrein mogelijk maakt, waarop de vestiging van categorie 41 Wgh-bedrijven niet is uitgesloten. Niet in geschil is dat het plan de vestiging van dergelijke inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, op het industrieterrein niet mogelijk maakt. In zoverre bestaat ingevolge de Wgh geen plicht om een geluidzone vanwege een industrieterrein vast te stellen.

Ten aanzien van de geluidzone langs de Paasdijkweg, overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat de Paasdijkweg een bestaande weg is met twee rijstroken, waar een maximumsnelheid geldt van 50 kilometer per uur. Ingevolge artikel 74, eerste lid, in samenhang met artikel 75, eerste lid, van de Wgh is bepaald dat een dergelijke weg een geluidzone heeft die zich aan weerszijden van de weg uitstrekt over een afstand van 200 meter, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. Anders dan TBOZ betoogt, is de hoeveelheid verkeer op die weg niet van invloed op de omvang van de geluidzone, nu ingevolge artikel 74 van de Wgh uitsluitend het aantal rijstroken en de vraag of de weg binnen dan wel buiten de bebouwde kom ligt, bepalend is voor de omvang van de geluidzone. Aangezien TBOZ niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat in het plan voor de Paasdijkweg sprake is van een reconstructie in de zin van artikel 1 van de Wgh noch dat het aantal rijstroken verandert, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge de Wgh in zoverre geen akoestisch onderzoek behoefde te worden verricht.

Slotconclusie

2.10. De conclusie is dat hetgeen TBOZ heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.12. 3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2009

234-571.