Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1856

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
200809129/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de inrichting aan [locatie] te [plaats] wegens het overtreden van het Besluit glastuinbouw (hierna: het Besluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809129/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], gevestigd te [plaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de inrichting aan [locatie] te [plaats] wegens het overtreden van het Besluit glastuinbouw (hierna: het Besluit).

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2008, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 januari 2009, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door mr. ing. J.A.J. Hendriks, advocaat te 's-Gravenzande, en A.W.M. Zuijderwijk, en het college, vertegenwoordigd door T.J.E. Lodders en L.A. Buijing, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd die als volgt luidt: "Indien u niet met directe ingang maatregelen en/of voorzieningen treft, om de uitstraling van assimilatiebelichting tegen te gaan, verbeurt u een dwangsom van € 4.500,- per constatering van voorschrift 1.5.1 van het Besluit, tot een maximum van € 18.000,-." Aan deze last onder dwangsom, wat er ook zij van de formulering daarvan, ligt ten grondslag dat het college op 12 november 2007 heeft vastgesteld dat, voor zover thans van belang, voorschrift 1.5.1 van bijlage 2 behorende bij het Besluit werd overtreden, aangezien in de binnen de inrichting aanwezige kas assimilatiebelichting werd toegepast zonder de vereiste gevelafscherming.

2.2. Uit voorschrift 1.5.1 van bijlage 2 behorende bij het Besluit volgt dat de gevel van een permanente glasopstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is afgeschermd op een zodanige wijze dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel, met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.

Uit voorschrift 1.5.4 van bijlage 2 behorende bij het Besluit volgt dat voorschrift 1.5.1 geldt vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopkomst.

In bijlage 2 behorende bij het Besluit is assimilatiebelichting als volgt gedefinieerd: kunstmatige belichting van gewassen, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het elektrische vermogen op enig moment meer bedraagt dan 20 Watt per m².

2.3. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het college op onjuiste wijze heeft vastgesteld of er sprake is van assimilatiebelichting door alle in de kas aanwezige lampen te tellen en niet slechts de lampen die tot zonsopkomst in gebruik zijn. Verder heeft het college het teeltoppervlak onjuist berekend, aangezien het de rijpaden en ruimtes tussen de teelt niet heeft meegerekend, aldus [verzoeker] en anderen. Zij wijzen in dit verband op de toelichting op het Besluit. Daarin staat dat het teeltoppervlak wordt bepaald door het oppervlak onder glas dat wordt gebruikt voor het telen van gewassen minus de oppervlakte van bedrijfsruimte en ketelhuis. Uit de toelichting blijkt verder dat rijpaden en ruimtes tussen de teelt(en) in de teeltruimte wel tot de teeltoppervlakte behoren, aldus [verzoeker] en anderen.

2.4. Op 7 november 2007 is door het college geconstateerd dat omstreeks 00.50 uur lichtuitstraling plaatsvond. Op 12 november 2007 is voor zonsopkomst, hetgeen door [verzoeker] en anderen ter zitting niet is bestreden, een controle uitgevoerd. Daarbij is namens het college gecontroleerd of binnen de inrichting assimilatiebelichting plaatsvond door het aantal lampen dat op dat moment in gebruik was te tellen en dat te delen door het teeltoppervlak. Vastgesteld is dat het elektrisch vermogen van de belichting op dat moment 29,33 Watt per m2 was en dat gevelafscherming als bedoeld in voorschrift 1.5.1 van bijlage 2 behorende bij het Besluit gedeeltelijk ontbrak. Ter zitting is vast komen te staan dat tijdens de controle van 12 november 2007 slechts het aantal lampen dat daadwerkelijk in gebruik was, is geteld. Ter zitting is verder gebleken dat het college bij de berekening van het teeltoppervlak de rijpaden en ruimtes tussen de teelt(en) niet heeft meegenomen. De stelling van het college dat dit geen gevolgen heeft voor de vaststelling dat de belichting ten tijde van de controle hoger dan 20 Watt per m2 was, is door [verzoeker] en anderen niet bestreden. De voorzitter gaat er vooralsnog dan ook van uit dat de conclusie van het college dat assimilatiebelichting werd toegepast juist is. Nu de ingevolge voorschrift 1.5.1 van bijlage 2 behorende bij het Besluit vereiste gevelafscherming ontbrak, heeft het college terecht geconcludeerd dat dit voorschrift werd overtreden. Het college was derhalve bevoegd handhavend op te treden. De voorzitter ziet in zoverre dan ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Voor zover [verzoeker] en anderen stellen dat in de vooraankondiging van het opleggen van de last onder dwangsom niet stond aangegeven wat de termijn voor het indienen van zienswijzen was, maar slechts een termijn voor het maken van bezwaar, overweegt de voorzitter dat, wat er ook zij van deze stelling, daarin geen grond is gelegen voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2009

325-492.