Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
200803567/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2006 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het slopen van een bouwwerk, gelegen achter [café] op het perceel [locatie], te Moordrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2009/88 met annotatie van J. in 't Hout
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803567/1.

Datum uitspraak: 4 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Moordrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 april 2008 in zaak nr. 07/2821 in het geding tussen:

de stichting Stichting het Eeuwige Leven II

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2006 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het slopen van een bouwwerk, gelegen achter [café] op het perceel [locatie], te Moordrecht.

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft het college het daartegen door de stichting Stichting het Eeuwige Leven II (hierna: de stichting) gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2008, verzonden op 10 april 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 juni 2008.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. van den Bosch, advocaat te Den Haag, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. H.H. Kelderhuis, advocaat te Haarlem, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de van de Bouwverordening Moordrecht (hierna: de bouwverordening) is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen, zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge het derde lid verbinden burgemeester en wethouders aan de vergunning slechts voorschriften over, voor zover thans van belang, de veiligheid tijdens het slopen.

Ingevolge artikel 8.1.6, voor zover thans van belang, moet vergunning worden geweigerd, indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden gewaarborgd.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, nu zowel de veiligheid tijdens het slopen, als de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen, voldoende waren gewaarborgd, het college gehouden was de gevraagde vergunning te verlenen. Voorts heeft zij volgens het college miskend dat een inhoudelijke beoordeling van het sloopveiligheidsplan niet vereist is en onderwerpen als veiligheid op het sloopterrein, afscheiding van het sloopterrein en veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder in de bouwverordening zijn geregeld, zodat over deze onderwerpen geen voorschriften aan de sloopvergunning verbonden hoeven worden. Voorts heeft de rechtbank volgens het college miskend dat het geen doorslaggevende betekenis aan de rapporten/reacties van Royal Haskoning/BM Managers hoefde toe te kennen.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juli 2006 in zaak nr. 200508856/1), mag een sloopvergunning slechts worden geweigerd, indien zich één van de in de bouwverordening vermelde weigeringsgronden voordoet. In dat geval moet zij worden geweigerd.

Hetgeen in beroep is aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid op grond van het rapport van Ingenieursbureau Faas & Van Iterson (hierna: Faas & Van Iterson) van 29 december 2005 en de nadere rapporten van 26 oktober en 20 december 2006 de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen voldoende gewaarborgd heeft kunnen achten. Het hoefde in het besluit van 15 maart 2007 niet nader te motiveren, waarom het aan deze rapporten doorslaggevende betekenis toekende, nu in overleg tussen onder meer Faas & Van Iterson en Royal Haskoning is afgesproken, op welke onderdelen van het rapport van 29 december 2005 door Faas & Van Iterson nadere toelichting zal worden gegeven. Bij rapport van 26 oktober 2006 heeft Faas & Van Iterson die toelichting gegeven. Naar aanleiding van de brief van Royal Haskoning/BM Managers van 27 november 2006, waarin deze stellen dat zij voor een juiste beoordeling van de constructie over bepaalde berekeningen dienen te beschikken, heeft Faas & Van Iterson bij rapport van 20 december 2006 constructieberekeningen opgesteld. Royal Haskoning/BM Managers hebben deze rapporten vervolgens niet gemotiveerd weerlegd.

Voorts geeft het in beroep aangevoerde evenmin grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid op grond van het bij de aanvraag behorende sloopplan van Faas & Van Iterson van 29 december 2005 en de nadere rapporten van 26 oktober en 20 december 2006 de veiligheid tijdens het slopen voldoende gewaarborgd heeft kunnen achten. Het college heeft aan de vergunning het voorschrift verbonden dat voor de sloop een sloopveiligheidsplan, als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, onder i, van de bouwverordening, overgelegd moet worden. Voorts is daaraan het voorschrift verbonden dat het slopen en alles wat daarmee in verband staat op veilige wijze moet geschieden, onder meer zodanig, dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.

Op 4 juli 2006 heeft [vergunninghouder] een sloopveiligheidsplan bij het college ingediend. Zoals het college terecht heeft betoogd, behoefde het dat plan niet voorafgaand aan het verlenen van de vergunning te beoordelen, nu het op grond van voormelde rapporten heeft kunnen oordelen dat de veiligheid tijdens het slopen voldoende was gewaarborgd.

Het vorenoverwogene leidt evenwel, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, op zichzelf niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.3. Aan het besluit op bezwaar van 15 maart 2007 heeft het college mede het rapport van Geelhoed Engineering B.V. van 23 januari 2007, waarin een aantal aanbevelingen aan het college is gedaan ten behoeve van de controle bij de sloop, ten grondslag gelegd. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, heeft het uit dit rapport de conclusie getrokken dat Faas & Van Iterson meer dan voldoende gegevens heeft verstrekt om een weloverwogen besluit te kunnen nemen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college voormeld rapport van Geelhoed Engineering B.V. ten onrechte niet voor het nemen van het besluit van 15 maart 2007 aan de stichting en [vergunninghouder] voorgelegd. De rechtbank heeft dat besluit op bezwaar dan ook terecht wegens onzorgvuldigheid van de voorbereiding ervan vernietigd.

2.4. Het college betoogt terecht dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 maart 2007 ten onrechte niet in stand heeft gelaten. Nu de stichting en [vergunninghouder] in beroep alsnog van het rapport van Geelhoed Engineering B.V. kennis hebben kunnen nemen en de daarin opgenomen bevindingen aan de orde hebben kunnen stellen, waren zij door de onzorgvuldige voorbereiding niet langer in hun belangen geschaad.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 15 maart 2007 niet in stand heeft gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 april 2008 in zaak nr. 07/2821, doch slechts voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 maart 2007 daarbij niet in stand zijn laten;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. bevestigt de uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2009

531.