Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1832

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
200900067/1 en 200900067/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een appartementengebouw met 5 appartementen en 2 vrijstaande woningen op het perceel [locatie] te [plaats] (het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900067/1 en 200900067/2.

Datum uitspraak: 28 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 december 2008 in zaak nr. 07/2449 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een appartementengebouw met 5 appartementen en 2 vrijstaande woningen op het perceel [locatie] te [plaats] (het perceel).

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2008, verzonden op 22 december 2008, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 januari 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door drs. C. van Oosten, en het college, vertegenwoordigd door J. Heiner, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [directeur] van vergunninghoudster, en J. van de Pol.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de oprichting van het appartementengebouw.

2.3. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de op het perceel ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum 1988" (hierna: het bestemmingsplan) rustende bestemming "Centrumdoeleinden II". Om realisatie van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.4. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge het eerste lid wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar gold, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, het beleid van het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) ten aanzien van de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, van 15 november 2005 (hierna: het beleid). De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het bouwplan past binnen de in dit beleid vermelde categorieën van gevallen.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het appartementengebouw, dat naast zijn monumentale boerderij is gelegen, te groot is. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan niet voldoet aan het stedenbouwkundig advies van Amer Adviseurs BV (hierna: Amer) van 9 september 2004. [appellant] begrijpt niet waarom in het nadere stedenbouwkundig advies van Amer van 4 mei 2006 wel akkoord is gegaan met het bouwplan, terwijl het bouwplan, mede naar aanleiding van het eerdere advies, niet of nauwelijks is aangepast.

2.5.1. Dit betoog faalt. De ruimtelijke onderbouwing van het project is neergelegd in de notitie "Ruimtelijke onderbouwing ontwikkeling [locatie] te [plaats]" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing). Hierin is onder meer ingegaan op de relatie met het ter plaatse geldende bestemmingsplan alsmede op de feitelijke situatie ter plaatse en is voor de stedenbouwkundige onderbouwing verwezen naar de adviezen van Amer van 9 september 2004 en 4 mei 2006, die als bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing zijn gevoegd.

De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat vanwege het bouwplan de inbreuk op het bestaande planologisch regime zo groot is dat strengere eisen moeten worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing dan die waaraan zij voldoet. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan reeds voorziet in bouwmogelijkheden ter plaatse en dat het bebouwingsvlak slechts aan de voorzijde met 30 cm wordt overschreden. Wat betreft de hoogte en het volume van het bouwplan is de voorzitter met de rechtbank van oordeel dat het advies van Amer van 9 september 2004 grote verschillen in bouwvolume ter plaatse van het bouwplan niet uitsluit. Daarbij is terecht in aanmerking genomen dat in de oorspronkelijke lintbebouwing het verschil in volume van de individuele panden soms groot was en de afwisseling in volumes een karakteristiek kenmerk van de lintbebouwing vormde. Bovendien heeft Amer in zijn nadere advies van 4 mei 2006 uitdrukkelijk ingestemd met de stedenbouwkundige opzet van het bouwplan. Niet aannemelijk is gemaakt dat Amer niet tot dit nadere advies heeft kunnen komen en dat het college dit advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

Dat het appartementengebouw is gelegen naast de monumentale boerderij van [appellant] leidt, gezien het vorenstaande en mede gezien de afstand van circa 14 meter tussen beide gebouwen, dan ook niet tot het oordeel dat het college de nieuwbouw langs de Oostdorpsstraat niet aanvaardbaar heeft kunnen achten op de grond dat deze niet zou aansluiten bij de bestaande bebouwing dan wel de bestaande bebouwing zou overschaduwen. De kritiek die vanuit de monumentencommissie op het bouwplan is geuit, wat hier van zij, behoefde voor het college, zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld, evenmin reden te vormen om de vrijstelling te weigeren.

Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat het bouwplan een dermate grote aantasting van de belangen van [appellant] oplevert dat daarom vrijstelling diende te worden geweigerd. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de welstandscommissie akkoord is gegaan met het bouwplan, terwijl zij eerder een negatief advies had afgegeven en het bouwplan naar aanleiding van dit advies niet dan wel nauwelijks is aangepast.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 maart 2006 in zaak nr. 200506325/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

2.6.2. Op 19 mei 2006 heeft de welstandscommissie na wijziging van het bouwplan een positief advies uitgebracht nadat zij eerder, op 4 april 2006, een negatief advies had afgegeven. De welstandscommissie is van mening dat met het gewijzigde bouwplan, dat weliswaar niet heeft geleid tot een wezenlijke verandering van het appartementengebouw zelf maar waarbij is gezocht naar meer krachtige gevels, een duidelijke richting in het gebouw en meer ruimte rond het dakniveau, in positieve zin is gereageerd op de bij het advies van 4 april 2006 gemaakte opmerkingen. Niet aannemelijk is geworden dat het advies van 19 mei 2006 naar inhoud of wijze van totstandkoming onvolledig is of zodanige gebreken vertoont dat het college zich daarop niet - of niet zonder meer - heeft mogen baseren. Dat eerder door de welstandscommissie een negatief advies is uitgebracht, wat hier van zij, maakt niet dat het advies van 19 mei 2006, dat ten grondslag ligt aan het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning, onjuist is te achten. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college mocht afgaan op het welstandsadvies van 19 mei 2006. Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009

374.