Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
200801277/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West (hierna: het dagelijks bestuur) opnieuw beslist op het bezwaar van [appellanten] tegen het verkeersbesluit van 27 maart 2001, waarbij een gedeelte van de De Genestetstraat te Amsterdam is aangewezen als voetgangersgebied door middel van het plaatsen van bord G07 met onderbord, en dat besluit met aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801277/1.

Datum uitspraak: 4 februari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4466 van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2008 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West (hierna: het dagelijks bestuur) opnieuw beslist op het bezwaar van [appellanten] tegen het verkeersbesluit van 27 maart 2001, waarbij een gedeelte van de De Genestetstraat te Amsterdam is aangewezen als voetgangersgebied door middel van het plaatsen van bord G07 met onderbord, en dat besluit met aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 7 januari 2008, verzonden op 9 januari 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2006 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 maart 2008.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Op 6 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur opnieuw op het bezwaar beslist en het besluit van 27 maart 2001 met aanvulling van de motivering gehandhaafd.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2008, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam, en vergezeld door [appellant], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door J.H.G. Vogel, werkzaam bij het stadsdeel Oud-West, zijn verschenen.

Voorts zijn [belanghebbenden] verschenen, vertegenwoordigd door mr. J. Takx, advocaat te Amsterdam.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het dagelijks bestuur verzocht nadere stukken in te dienen. Het dagelijks bestuur heeft deze stukken bij brieven van 20 oktober 2008 en 17 november 2008 ingediend. De andere partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van een hernieuwde behandeling van de zaak ter zitting en het onderzoek wederom gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 18, derde lid, worden bij algemene maatregel van bestuur regels vastgesteld omtrent de eisen waaraan verkeersbesluiten dienen te voldoen alsmede omtrent de totstandkoming en de inwerkingtreding van die besluiten.

2.1.1. Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van die wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2. Op 27 maart 2001 heeft de stadsdeelraad van Oud-West een verkeersbesluit genomen ten aanzien van het gedeelte van de De Genestetstraat dat is gelegen tussen de Bosboom Toussaintstraat en de Jacob van Lennepkade. Daarbij is het eenrichtingsverkeer opgeheven en het gebied exclusief voor voetgangers bestemd, met uitzondering van de gebruiker van de garage gelegen naast perceel [nummer], door middel van het plaatsen van bord G07 met onderbord.

Bij besluit van 29 januari 2002 heeft de stadsdeelraad het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2004 heeft de rechtbank het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 februari 2005, nr. 200405167/1 heeft de Afdeling het door [appellanten] ingestelde hoger beroep tegen die uitspraak gegrond verklaard en die uitspraak en het besluit van 29 januari 2002 vernietigd, omdat het besluit in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) tot stand was gekomen en de rechtbank dat had miskend.

2.3. Bij het besluit van 18 juli 2006 heeft het dagelijks bestuur, dat ingevolge de Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden (Stb. 2005, 530) daartoe bevoegd was, opnieuw op het bezwaar beslist. Het heeft het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2001 gehandhaafd en dat besluit nader gemotiveerd door verwijzing naar de raadsvoordracht van 28 januari 2002 en de rapporten van verkeersbureau VIA B.V. te Vught van 26 oktober 2001 en 14 december 2005. Voor de motivering van het besluit op bezwaar is voorts verwezen naar het advies van de Commissie bezwaarschriften van 3 april 2006, waarin is gesteld dat, nu de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2005 niet verplicht tot het wederom bespreken van alle aangevoerde bezwaren en ook niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die tot een nieuwe bespreking zouden nopen, de commissie zich voor de bespreking van deze bezwaren aansluit bij de overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 12 mei 2004.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de motivering dat de uitspraak van de Afdeling niet tot heroverweging van de aangevoerde bezwaren zou nopen, onjuist is en dat de motivering dat er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die bespreking zouden behoeven, te summier is om het besluit te kunnen dragen. Zij heeft het besluit van 18 juli 2006 daarom vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

2.5. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

2.6. [appellanten] betogen dat de rechtbank in strijd met de beginselen van een goede procesorde is overgegaan tot toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Zij stellen dat het dagelijks bestuur de door hen eerder aangevoerde gronden niet alleen in het besluit, maar ook op de zitting bij de rechtbank onbesproken heeft gelaten. Door alsnog tot toetsing van die gronden over te gaan, heeft de rechtbank hun onvoldoende gelegenheid gegeven te reageren, aldus [appellanten].

2.6.1. In de VIA-rapporten, die aan het besluit op bezwaar ten grondslag zijn gelegd, wordt ingegaan op de doelstellingen van het verkeersbesluit, de verkeerskundige belangen die daaraan ten grondslag liggen en de belangen van bewoners en omwonenden. Op de bezwaren van [appellanten] dat een verkeerskundige onderbouwing ontbreekt, dan wel dat die onderbouwing in het primaire besluit niet deugdelijk is, en dat hun belangen niet, althans niet voldoende zijn meegewogen, is het dagelijks bestuur door verwijzing naar deze rapporten wel ingegaan. Het standpunt van het dagelijks bestuur daarover was bekend en [appellanten] hebben bij de rechtbank gelegenheid gehad dat standpunt gemotiveerd te bestrijden,

In beroep tegen het eerste besluit op bezwaar van 29 januari 2002 hebben [appellanten] bezwaren geuit tegen het VIA-rapport van 26 oktober 2001. De rechtbank is in haar uitspraak van 12 mei 2004 ingegaan op deze bezwaren en zij is gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het onderzoek, voor zover relevant, onvolledig dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen. Nu de Commissie bezwaarschriften zich blijkens haar advies van 3 april 2006 voor de bespreking van deze bezwaren aansluit bij deze rechtbankuitspraak en het dagelijks bestuur voor de motivering van het besluit op bezwaar van 18 juli 2006 naar dit advies heeft verwezen, is het standpunt van het dagelijks bestuur over dit onderwerp bekend. Ook dit standpunt konden [appellanten] bij de rechtbank gemotiveerd bestrijden.

Het dagelijks bestuur is in het besluit op bezwaar van 18 juli 2006, noch tijdens de zitting bij de rechtbank, ingegaan op de bezwaren van [appellanten] tegen het VIA-rapport van 14 december 2005. Die bezwaren betreffen echter dezelfde gebreken als die zij ten aanzien van het eerste VIA-rapport hadden geconstateerd. Het standpunt van het dagelijks bestuur daarover mocht dan ook bij [appellanten] bekend worden verondersteld.

Gelet op het vorenstaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden omdat [appellanten] geen gelegenheid zouden hebben gehad om te reageren op de beoordeling van hun bezwaren door het dagelijks bestuur. Het betoog faalt derhalve.

2.7. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het verkeersbesluit niet strekt tot een van de in artikel 2 van de Wegenverkeerswet genoemde doelen. De conclusie dat het afsluiten van de De Genestetstraat voor gemotoriseerd verkeer noodzakelijk is om de verkeersveiligheid van de kinderen die gebruik zullen maken van de speelstraat te waarborgen, is volgens hen op zichzelf niet te bestrijden. Zij bestrijden echter dat er een goede verkeerskundige reden is voor herinrichting van de straat tot speelstraat voor kinderen.

2.7.1. Blijkens de door het dagelijks bestuur nader ingediende stukken gold ten tijde van belang ter plaatse het bestemmingsplan "Da Costa- en Helmersbuurt". Op het in geding zijnde gedeelte van de De Genestetstraat rustte de bestemming "verkeersdoeleinden". Ingevolge artikel 25 van de planvoorschriften mogen gronden die zijn bestemd voor verkeersdoeleinden onder meer worden gebruikt voor speelterreinen.

Op 17 maart 1998 heeft de stadsdeelraad besloten om de De Genestetstraat in te richten als speelstraat. In aansluiting op deze herprofilering heeft de stadsdeelraad het verkeersbesluit van 27 maart 2001 genomen. Blijkens dat besluit heeft hij de weg aangewezen als voetgangersgebied in het belang van de algemene verkeersveiligheid en de veiligheid van de gebruikers. In de rapporten van het VIA, die aan het besluit op bezwaar ten grondslag zijn gelegd, is uitgegaan van het profiel waartoe de stadsdeelraad heeft besloten en is vervolgens beoordeeld of de gekozen maatregelen uit verkeerskundig oogpunt gerechtvaardigd zijn voor een speelstraat.

2.7.2. Het verkeersbesluit strekt ter uitvoering van de beslissing van de stadsdeelraad van 17 maart 1998 om de weg te bestemmen voor speelvoorzieningen, in welke mogelijkheid het destijds geldende bestemmingsplan voorzag en het thans vigerende bestemmingsplan "Oud- West" ook voorziet. De keuze voor die bestemming houdt verband met de behoefte aan speelvoorzieningen in de wijk. Deze keuze voor het realiseren van een speelstraat en de belangen die daarbij zijn afgewogen, liggen thans niet ter beoordeling voor. Het verkeersbesluit heeft daarop geen betrekking. Met het verkeersbesluit wordt slechts beoogd de verkeersveiligheid in de speelstraat te bevorderen. Aan dat besluit ligt derhalve een verkeersbelang als bedoeld in artikel 2 van de Wegenverkeerswet ten grondslag. Het betoog slaagt daarom niet.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat het VIA bij zijn onderzoek naar de verkeerskundige belangen die met het verkeersbesluit zijn gemoeid, terecht is uitgegaan van de realisering van een speelstraat. Het betoog van [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat de rapportages van VIA op dit punt niet deugdelijk zijn, slaagt derhalve niet. Ook overigens hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de rapportages van VIA een onjuiste voorstelling van zaken geven.

2.9. Het betoog van [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat de met het verkeersbesluit gemoeide belangen niet kunnen opwegen tegen de verkeerskundige belangen waarop zij voor het openhouden voor gemotoriseerd verkeer een beroep kunnen doen, slaagt evenmin. Het dagelijks bestuur heeft de veiligheid van de spelende kinderen op het als speelstraat aangewezen gedeelte van de De Genestetstraat in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van bewoners en omwonenden bij het openhouden van de weg voor gemotoriseerd verkeer.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.11. Bij brief van 6 juni 2008 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellanten] gemaakte bezwaar. Het hoger beroep van [appellanten] wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen die beslissing in te houden.

2.12. Weliswaar heeft de rechtbank het besluit van 18 juli 2006 vernietigd, maar zij heeft, zoals hiervoor is overwogen, de rechtsgevolgen daarvan terecht in stand gelaten. Omdat de brief van 6 juni 2008 uitsluitend een nadere motivering van het besluit van 18 juli 2006 bevat, wordt geen verandering gebracht in de met dat besluit beoogde rechtsgevolgen.

Gelet hierop, kan de brief van 6 juni 2008 niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van die wet beroep kan worden ingesteld. Dit leidt tot de conclusie dat de Afdeling niet bevoegd is van het beroep kennis te nemen.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. verklaart zich onbevoegd om van het beroep van [appellanten] tegen de brief van 6 juni 2008, kenmerk 2008/7870, kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Visser

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2009.

148.