Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1139

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
200802394/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) het bezwaar van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bospark Beekbergen B.V. (hierna: Bospark Beekbergen) tegen de bij besluit van 2 september 2002 aan haar verleende vergunning voor het houden van kampeerplaatsen, opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802394/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bospark Beekbergen B.V., gevestigd te Barneveld,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/661 van de rechtbank Zutphen van 19 februari 2008 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bospark Beekbergen B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) het bezwaar van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bospark Beekbergen B.V. (hierna: Bospark Beekbergen) tegen de bij besluit van 2 september 2002 aan haar verleende vergunning voor het houden van kampeerplaatsen, opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 februari 2008, verzonden op 22 februari 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door Bospark Beekbergen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Bospark Beekbergen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 mei 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2008, waar Bospark Beekbergen, vertegenwoordigd door C.T.J. van Baak en C.J. Griesdoorn en bijgestaan door mr. M. Gideonse, advocaat te Veenendaal, en het college, vertegenwoordigd door J. Groeneveld, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bospark Beekbergen betoogt dat de rechtbank in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid om uitspraak te doen omdat haar was verzocht de zaak aan te houden in verband met een nog te verwachten advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken, waarom partijen hadden verzocht.

2.2. Dit betoog faalt. Het aanhouden van een zaak betreft een bevoegdheid van de rechtbank, bij de aanwending waarvan haar een grote mate van vrijheid toekomt. Nu de rechtbank op de zitting van 13 december 2006 de zaak heeft geschorst tot 1 maart 2007 om partijen de gelegenheid te bieden in onderling overleg tot een minnelijke oplossing te komen, vervolgens de aanhouding op verzoek van partijen heeft verlengd tot 1 november 2007 en eerst op 5 februari 2008 een nadere zitting heeft gehouden, bestaat geen grond voor het oordeel dat zij in dit geval niet heeft mogen afzien van het nog langer aanhouden van de zaak.

2.3. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de per 1 januari 2008 vervallen Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) was het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wor verbonden burgemeester en wethouders aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, voorschriften over de soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen. Burgemeester en wethouders konden deze voorschriften wijzigen of intrekken.

2.4. Het college heeft met toepassing van het in 2002 verscherpte beleid ten aanzien van de oppervlakte van stacaravans, bij besluit van 2 september 2002 aan Bospark Beekbergen een kampeerexploitatievergunning verleend met het op dit beleid gebaseerde voorschrift dat op het kampeerterrein geen caravans mogen worden geplaatst die een groter vloeroppervlak hebben dan 55 m².

De Afdeling heeft bij haar uitspraak van 18 augustus 2004 in zaak nr. 200400211/1 geoordeeld dat in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat dit beleid onredelijk zou zijn, maar dat het college door het beleid onverkort toe te passen ten onrechte geen aanleiding heeft gevonden te bezien of en in hoeverre Bospark Beekbergen door de nieuwe voor Bospark Beekbergen ten tijde van haar investeringen niet voorzienbare beleidslijn onevenredig in haar belangen zou worden getroffen. Het college had volgens de Afdeling met name nagelaten na te gaan of de in de beleidsregels voorziene overgangs- en compensatiemaatregelen als passend zijn aan te merken in het specifieke geval van Bospark Beekbergen, een startende parkexploitant die op basis van de oude beleidsuitgangspunten belangrijke investeringen heeft gedaan en gezien het uitvoerige overleg met de gemeente ook heeft mogen doen, gericht op voordien toegestane plaatsing van stacaravans tot 75 m², maar die ten tijde van de beleidswijziging de beoogde plaatsing nog maar ten dele had kunnen realiseren. De Afdeling heeft geoordeeld dat het college bij de verlening van de vergunning de door Bospark Beekbergen met betrekking tot haar situatie naar voren gebrachte omstandigheden onvoldoende heeft onderzocht en - dusdoende - niet behoorlijk heeft gemotiveerd waarom de gevolgen van dit besluit niet onevenredig zijn met de door dit besluit te dienen doelen.

2.5. Gevolg gevend aan deze uitspraak van de Afdeling heeft het college in zijn besluit van 6 februari 2006 opnieuw op het bezwaar van Bospark Beekbergen beslist en het opnieuw ongegrond verklaard.

2.6. Bospark Beekbergen betoogt dat de rechtbank slechts het standpunt van het college heeft weergegeven en ten onrechte zelf niet inhoudelijk daarover heeft geoordeeld.

Zij is van mening dat de rechtbank eraan is voorbij gegaan dat het college ten onrechte de in de beleidsregel voorziene overgangs- en compensatiemaatregelen als passend heeft aangemerkt.

2.7. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat wat het voormalige stacaravanterrein (vak A) betreft, het college de door Bospark Beekbergen naar voren gebrachte omstandigheden voldoende heeft onderzocht en voldoende heeft gemotiveerd waarom de gevolgen van het aan de vergunning verbonden voorschrift niet onevenredig zijn met de daarmee te dienen doelen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat Bospark Beekbergen het maximaal op basis van de oude vergunning toegestane aantal stacaravans met een oppervlakte van 75 m² in vak A al had geplaatst voor de inwerkingtreding van het nieuwe beleid, zodat daarop het overgangsrecht van toepassing is. Voorts neemt zij daarbij in aanmerking dat Bospark Beekbergen wat betreft vak A, haar huidige bedrijfsvoering kan voortzetten en dat zij derhalve, mede gelet op de omstandigheid dat stacaravans een aanzienlijke levensduur hebben, de door haar gedane investeringen niet tevergeefs heeft gedaan. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank zich op goede gronden aangesloten bij het standpunt van het college dat het overgangsrecht, op grond waarvan stacaravans groter dan 55 m² mogen worden gehandhaafd en gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, wat betreft vak A als voldoende passend aangemerkt kan worden.

2.8. Anders dan de rechtbank is de Afdeling echter van oordeel dat het college de gevolgen van de door Bospark Beekbergen naar voren gebrachte omstandigheid, dat zij door het nieuwe beleid ter plaatse van

bungalowterrein B van het kampeerterrein geen stacaravans met een oppervlakte van 75 m² meer kan plaatsen terwijl zij daarvoor wel al vóór de inwerkingtreding van het nieuwe beleid de verkaveling en infrastructuur had gerealiseerd, niet voldoende heeft onderzocht. Uit de stukken blijkt en ook ter zitting is verklaard dat Bospark Beekbergen uit oogpunt van de vraag naar meer ruimte en luxere stacaravans de verkaveling en de infrastructuur heeft uitgevoerd op basis van de toekomstverwachting dat stacaravans met een oppervlakte van 75 m² mochten worden geplaatst en dat als gevolg van de wijziging van het beleid 4 à 5 hectare nog niet in gebruik is genomen. Gelet hierop had van het college mogen worden verwacht dat het een - waar nodig financieel onderbouwde - nadere toelichting had gegeven op zijn standpunt dat hem niet gebleken is dat Bospark Beekbergen haar plannen niet heeft kunnen realiseren, dat de verhuurmogelijkheden van de stacaravans door de beleidswijziging niet structureel zijn afgenomen maar dat misschien slechts de doelgroep is gewijzigd. De enkele stelling dat er ook voor kleinere caravans een doelgroep is, is daartoe onvoldoende.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college bij het besluit op bezwaar van 6 februari 2006 onvoldoende heeft onderzocht en - dusdoende - evenmin behoorlijk heeft gemotiveerd waarom de door Bospark Beekbergen wat bungalowterrein B betreft, tegen het voorschrift van de kampeerexploitatievergunning opgeworpen bezwaren dat geen caravans mogen worden geplaatst die een groter vloeroppervlak hebben dan 55 m², ongegrond zijn verklaard. Hieruit volgt dat het besluit op bezwaar in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.9. Bospark Beekbergen heeft ter zitting haar verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb, ingetrokken.

2.10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep bij de rechtbank alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 6 februari 2006 in zoverre vernietigen. Het college dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw een besluit te nemen op het bezwaar van Bospark Beekbergen.

2.11. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 februari 2008 in zaak nr. 06/661;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 6 februari 2006, kenmerk Vrb/jav/mv, voor zover het betreft bungalowterrein B;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bospark Beekbergen B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Apeldoorn aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bospark Beekbergen B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Apeldoorn aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bospark Beekbergen B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 714,00 (zegge: zevenhonderdveertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009

280-497.