Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
200803793/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Overbetuwe (hierna: de raad) bij besluit van 30 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bestemmingsplan Wilhelminahuis Valburg" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803793/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Overbetuwe (hierna: de raad) bij besluit van 30 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bestemmingsplan Wilhelminahuis Valburg" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2008, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2008, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. D. Schilstra, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Pol, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door G. Drost, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat hij geen bedenkingen heeft ingediend.

2.2.1. [appellant] stelt dat hij tijdig bedenkingen heeft ingediend en heeft ter onderbouwing hiervan een kopie van het verzendbewijs van een aangetekende verzending overlegd. Blijkens het stempel op dit stuk is de aangetekende verzending binnen de bedenkingentermijn verzonden.

De aangetekende verzending is "met handtekening retour" verstuurd. Ter zitting is gebleken dat [appellant] geen door het college getekende ontvangstbevestiging kan overleggen.

2.2.2. De bewijslast voor de tijdige ter post bezorging en ontvangst van aangetekende stukken ligt als uitgangspunt bij de afzender. [appellant] heeft met het overleggen van het verzendbewijs een begin van bewijs geleverd. Het college heeft de ontvangst van de bedenkingenbrief slechts ontkend en geen verweerschrift ingediend. Eerst ter zitting heeft het college met verwijzing naar het postregistratiesysteem enkel gesteld dat de bedenkingenbrief niet is geregistreerd en dat daarover herhaaldelijk telefonisch contact is geweest met [appellant], doch het college heeft die stelling niet aangevuld met een uitdraai van het postregistratiesysteem of de telefoonnotities. Voorts heeft [appellant] er ter zitting op gewezen dat TNT Post aangetekende verzendingen die niet aan de geadresseerde kunnen worden aangeboden retourneert aan de afzender, hetgeen in zijn geval niet is gebeurd. Onder deze omstandigheden heeft het college het minst aan het bijbrengen van bewijs gedaan en moet er voor dit geschil van worden uitgegaan dat de bedenkingenbrief tijdig door het college is ontvangen. Het college had derhalve in het bestreden besluit inhoudelijk op de bedenkingen van [appellant] moeten ingaan. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant] ontvankelijk is en voorts dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.2.3. Ter zitting is door partijen erkend dat de inhoud van de bedenkingen van [appellant] overeenkomt met de bedenkingen die door anderen zijn ingediend en die door het college in de besluitvorming zijn betrokken, en dat het beroep van [appellant] daartegen is gericht. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om nader te bezien of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

2.3. Het plan voorziet in de uitbreiding en modernisering van het herstellingsoord Wilhelminahuis (hierna: het Wilhelminahuis) gelegen aan de Broekstraat 9 (hierna: het perceel). Deze gronden hebben de bestemming "Maatschappelijk (M)" met de aanduiding "herstellingsoord (he)". Het plan voorziet in de bouw van een zorgcomplex waarin circa 33 zorgverblijven, gemeenschappelijke ruimten en behandelkamers worden ondergebracht.

2.4. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hiertoe voert hij aan dat het plan voorziet in een complex op het perceel van 8 meter hoog en 120 meter lang dat zijn uitzicht op de monumentale tuin en de daarachter gelegen tuindorpwijk "De Weemen" wegneemt. Het beeldkwaliteitsplan bevat volgens [appellant] strenge voorschriften om het tuindorpkarakter van de wijk "De Weemen" te waarborgen. Voorts heeft het gemeentebestuur volgens [appellant] in het kader van het bestemmingsplan "De Weemen" bevestigd dat het uitzicht op de tuin van het Wilhelminahuis blijvend zou zijn.

2.5. Blijkens de plantoelichting is de huidige bebouwing op het perceel een gemeentelijk monument. De tuin van het Wilhelminahuis heeft, behoudens een monumentale boom, volgens het van de plantoelichting deeluitmakende cultuurhistorisch onderzoek geen bijzondere architectonische of beeldbepalende waarde. De monumentencommissie heeft positief geadviseerd over het plan. Het beeldkwaliteitsplan voor de tuindorpwijk "De Weemen" is blijkens de gedingstukken met het van kracht worden van de welstandsnota vervallen. De welstandscommissie heeft eveneens een positief advies uitgebracht over het plan.

Niet kan worden ontkend dat met de nieuwbouw het uitzicht van [appellant] op de tuin van het Wilhelminahuis wordt aangetast. Uit het bestreden besluit blijkt echter dat het deel van de tuin dat belangrijk is voor het ondersteunen van het gemeentelijk monument en de directe omgeving daarvan behouden blijft, evenals de meest waardevolle en in het zicht van [appellant] gelegen bomen. Voorts blijkt uit het bestreden besluit dat [appellant] door de aanwezige bomen en als gevolg van de aan de rand van de wijk gelegen bijgebouwen en inrichtingselementen sinds 2000 geen direct zicht meer heeft op de tuindorpwijk "De Weemen".

Ten aanzien van de door [appellant] gestelde toezegging overweegt de Afdeling dat [appellant] het bestaan van een door de raad gedane of aan de raad toe te rekenen toezegging dat het uitzicht op de tuin van het Wilhelminahuis blijvend zou zijn, niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien staat het de raad vrij om op grond van gewijzigde planologische inzichten na verloop van tijd andere keuzes te maken.

2.5.1. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in de bezwaren van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn uitzicht niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.

2.6. [appellant] voert aan dat het plan met een maximale bouwhoogte van 8 meter voorziet in te hoge bebouwing.

De Afdeling overweegt dat de maximale bouwhoogte blijkens de gedingstukken aansluit bij de bestaande bebouwing in de omgeving, die in veel gevallen de bouwhoogte van het complex overtreft. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan past in de omgeving. Dat, naar gesteld, de aannemer tot een maximale hoogte van 7,5 meter zal bouwen betekent niet dat het gemeentebestuur gehouden is die hoogte als maximale hoogte in de planvoorschriften op te nemen. Het betoog faalt.

2.7. [appellant] stelt voorts tevergeefs dat het plan geen richtlijnen geeft met betrekking tot de inrichting van de tuin. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de wijze waarop de tuin wordt ingericht geen onderwerp is dat in een bestemmingsplan thuishoort.

2.8. [appellant] stelt dat het plan feitelijk zal leiden tot permanente bewoning van het zorgcomplex. Volgens hem laat de op het perceel rustende bestemming "Maatschappelijk (M)" "herstellingsoord (he)" dit niet toe.

De Afdeling overweegt dat deze procedure slechts ziet op het plan. Indien het complex op het perceel in strijd met de bestemming gebruikt wordt kan het gemeentebestuur hiertegen handhavend optreden. Handhavingsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Op voorhand valt niet in te zien waarom een in verband met de individuele verzorging en begeleiding van personen na ziekte noodzakelijke bewoning van het complex, waarin het plan voorziet, zich niet zou verdragen met de bestemming. Het betoog faalt.

2.9. [appellant] voert aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het plan slechts tot een geringe verkeerstoename zal leiden. Voorts voorziet het plan volgens [appellant] in onvoldoende parkeergelegenheid, waardoor een onveilige verkeerssituatie zal ontstaan.

2.9.1. Volgens het bestreden besluit zal de verkeersintensiteit ter hoogte van het plangebied minder dan 400 motorvoertuigen per etmaal bedragen. Gelet op de geprognosticeerde verkeersintensiteit in het mede aan het besluit ten grondslag gelegde onderzoek "Luchtkwaliteit Wilhelminahuis te Valburg", en in aanmerking genomen dat het zorgcomplex thans bestaat uit 26 zorgeenheden en het nieuwe zorgcomplex voorziet in 7 extra zorgeenheden, is het standpunt van het college dat het plan slechts een geringe verkeerstoename tot gevolg heeft voldoende onderbouwd. Het betoog faalt.

2.9.2. Blijkens de plantoelichting vindt parkeren net als in de huidige situatie volledig op eigen terrein plaats. Nabij het hoofdgebouw worden 5 parkeerplaatsen op maaiveld gehandhaafd. De overige parkeerplaatsen komen (half)verdiept in een (half)open parkeerruimte onder het meest oostelijke deel van de nieuwbouw te liggen. De halfopen parkeerkelder onder de nieuwbouw biedt plaats aan 25 parkeerplaatsen. Met een totaal van 30 parkeerplaatsen wordt volgens de plantoelichting ruimschoots voldaan aan de geldende en aan nationale richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek ontleende gemeentelijke parkeernorm van 0,5 à 0,7 parkeerplaats per zorgeenheid voor personeel, patiënten en bezoekers.

Gelet hierop overweegt de Afdeling dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Dat de inmiddels ingediende aanvraag om bouwvergunning niet voorziet in een parkeerkelder onder het zorgcomplex maakt dit niet anders nu die aanvraag geen onderwerp is van deze procedure.

2.10. [appellant] stelt dat het college goedkeuring aan het bestreden besluit had moeten onthouden omdat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar een alternatieve locatie voor het Wilhelminahuis.

2.11. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich, gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Het betoog faalt.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het te vernietigen besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit kunnen daarom in stand gelaten worden.

2.13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 9 mei 2008, kenmerk 2007-020567;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 946,52 (zegge: negenhonderdzesenveertig euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00

(zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009

429-599.