Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1133

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
200802497/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maasdriel (hierna: de raad) bij besluit van 14 augustus 2007 vastgestelde bestemmingsplan "De Kampen-Noord".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/2655
ABkort 2009/77
TBR 2009/53 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2009/168
OGR-Updates.nl 09-54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802497/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maasdriel (hierna: de raad) bij besluit van 14 augustus 2007 vastgestelde bestemmingsplan "De Kampen-Noord".

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2008, beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkoijen, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Pol, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door drs. ing. J.E.M. Breij en ing. H.N.G. van Dalen, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein ten noorden van het bestaande bedrijventerrein De Kampen te Hedel.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. [appellante] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dat voorziet in bedrijfsbebouwing binnen de geurhindercontour van haar veehouderij. Volgens [appellante] kan geen goed verblijfsklimaat voor de ter plaatse verblijvende werknemers en bezoekers worden gegarandeerd en worden de uitbreidingsmogelijkheden van haar veehouderij met dit plan op onaanvaardbare wijze aangetast omdat in het plan het weren van geurgevoelige bedrijven binnen de geurhindercontour onvoldoende is geregeld. [appellante] betoogt voorts dat niet duidelijk is hoe de geurhindercontour is bepaald en dat derhalve niet duidelijk is of de juiste geurhindercontour is gehanteerd.

2.4. Het college heeft het plan, behoudens artikel 6 van de planvoorschriften, niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft het, met uitzondering van artikel 6, goedgekeurd. Het college stelt zich op het standpunt dat wordt voldaan aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) nu in artikel 3, elfde lid, sub h, van de planvoorschriften afdoende is voorgeschreven dat binnen de geurhindercontour van 8,0 odour units per kubieke meter lucht geen geurgevoelige bedrijvigheid mag plaatsvinden. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat de veehouderij al in haar uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt door een bestaande burgerwoning en dat een gedeelte van de rechten voor het houden van vee is vervallen aangezien de meest noordelijke stal niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de milieuvergunning is opgericht en in werking gebracht..

2.4.1. Op 1 januari 2007 is de Wgv in werking getreden. Het bestreden besluit dateert van na die datum zodat het college terecht heeft getoetst aan de Wgv.

2.4.2. Ten behoeve van de vaststelling van het plan is door Arcadis onderzoek gedaan naar de geurhindercontour van de veehouderij van [appellante]. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in het rapport "Wet geurhinder en veehouderij, rapportage geurhinder, gemeente Maasdriel" van 11 juli 2007 (hierna: het rapport). In het rapport is aangegeven dat de gemeente Maasdriel is gelegen in een niet-concentratiegebied en dat het plangebied moet worden aangemerkt als bebouwde kom. Volgens het rapport geldt voor de veehouderij op grond van de Wgv derhalve een standaardnorm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht. Volgens het rapport valt, uitgaande van de vergunde veebezetting, het gehele plangebied binnen de geurhindercontour van de veehouderij van [appellante] van 2,0 odour units per kubieke meter lucht, ook als geen rekening wordt gehouden met de eventuele geuremissie van de meest noordelijke stal. Volgens het rapport heeft de raad evenwel de mogelijkheid af te wijken van de standaardnorm en kan in dit geval een geurbelasting van maximaal 8,0 odour units per kubieke meter lucht worden toegestaan. In het rapport is aangegeven dat uitgaande van de geuremissie in de situatie dat een gedeelte van de rechten voor het houden van vee in het najaar van 2007 zullen vervallen, slechts een klein deel aan de oostzijde van het plangebied binnen de geurhindercontour van 8,0 odour units per kubieke meter lucht valt en dat in het voorliggende plan op dit deel van het plangebied geen geurgevoelige objecten kunnen worden gerealiseerd.

2.4.3. Op de plankaart is een geurhindercontour van 8,0 odour units per kubieke meter lucht ingetekend.

2.4.4. Ingevolge artikel 3, elfde lid, aanhef en onder h, van de planvoorschriften, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 10, eerste lid (algemene gebruiksbepalingen), en voor zover gelegen binnen de geurhindercontour van 8 odour units per kubieke meter lucht, in elk geval gerekend het gebruik voor:

- voedingsmiddelenindustrie en voedingsmiddelenopslag;

- bedrijven die in de bij deze voorschriften behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten (bijlage) zijn aangemerkt als "stankgevoelig";

- bedrijven die bestemd zijn voor het langdurig met wonen gelijk te stellen, verblijf van mensen, waaronder in ieder geval begrepen bedrijven met een matige tot hoge arbeids- en/of bezoekersintensiteit.

2.4.5. Door de raad is ter zitting gesteld dat op de plankaart de geurhindercontour van 8,0 odour units per kubieke meter lucht abusievelijk onjuist is ingetekend en dat deze geurhindercontour niet overeenstemt met de geurhindercontour van 8,0 odour units per kubieke meter lucht zoals berekend in het rapport. Gelet hierop is het plan vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.4.6. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgv betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder als gevolg van de geurbelasting vanwege de tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9 van die wet.

2.4.7. De Afdeling overweegt dat het bedrijventerrein als gevolg van het plan deel uit gaat maken van de bebouwde kom, zoals ook in het rapport is bevestigd.

2.4.8. Ingevolge artikel 3, eerste lid, sub c, van de Wgv, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied en binnen de bebouwde kom, meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, sub c, van de Wgv voor zover hier van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

2.4.9. Zoals blijkt uit eerdere uitspraken van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 16 juli 2008, zaak nr. 200705538/1) is, wanneer een ruimtelijk plan vestiging mogelijk maakt van voor geurhinder gevoelige objecten binnen de afstanden die bij vergunningverlening op grond van de milieuwetgeving ten opzichte van veehouderijen moeten worden aangehouden, ter plaatse in beginsel geen sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat.

2.4.10. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2008, zaak nr. 200709155/1, is voor de vraag of een bedrijfsgebouw als geurgevoelig object in de zin van de Wgv moeten worden aangemerkt, naast de eis dat het gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf dient te worden gebruikt, allereerst van belang of de gebouwen bestemd en geschikt zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Daarbij is overwogen dat uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz. 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" wordt bedoeld, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf en dat uit die wetsgeschiedenis verder blijkt dat het bij de beoordeling of een gebouw bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf, niet van belang is hoeveel personen in het gebouw verblijven. Het verblijven van maar één persoon is voldoende. In eerdergenoemde uitspraak is voorts overwogen dat er in de Wgv dus voor is gekozen om, anders dan in de door de Afdeling gevormde jurisprudentie over geurgevoelige objecten bij toepassing van de brochure "Veehouderij en Hinderwet" en de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aard van het verblijf noch het aantal personen dat verblijft, een rol te laten spelen bij de vaststelling of een (bedrijfs)gebouw als geurgevoelig object moet worden aangemerkt.

Gelet hierop is in artikel 3, elfde lid, aanhef en onder h, van de planvoorschriften een onjuist criterium aangelegd door onder geurgevoelige bedrijvigheid onder meer te verstaan bedrijven die bestemd zijn voor het langdurig met wonen gelijk te stellen verblijf van mensen, waaronder in ieder geval begrepen bedrijven met een matige tot hoge arbeids- en/of bezoekersintensiteit. Daargelaten de omstandigheid dat, zoals overwogen onder 2.4.5. de geurhindercontour van 8,0 odour units per kubieke meter lucht op de plankaart niet juist is ingetekend, heeft het college zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat in artikel 3, elfde lid, sub h, van de planvoorschriften afdoende is voorgeschreven dat binnen de geurhindercontour van 8,0 odour units per kubieke meter lucht geen geurgevoelige bedrijvigheid mag plaatsvinden.

2.4.11. Voorts staat vast dat ten tijde van het bestreden besluit geen gemeentelijke verordening krachtens artikel 6, eerste lid, van de Wgv van kracht was waarin is bepaald dat voor het desbetreffende gebied een andere waarde van toepassing is dan de waarde genoemd in artikel 3, eerste lid, van die wet. Hieruit volgt dat de ten hoogste toegestane geurbelasting vanwege veehouderijen op geurgevoelige objecten op dat moment 2,0 odour units per kubieke meter lucht bedroeg.

Gelet hierop is in het voorliggende plan ten onrechte uitgegaan van een geurhindercontour van 8,0 odour units per kubieke meter lucht waarbinnen geen geurgevoelige bedrijven zijn toegestaan. Nu voorts het plangebied nagenoeg geheel binnen de geurhindercontour van 2,0 odour units per kubieke meter lucht ligt, heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het plangebied een aanvaardbaar verblijfsklimaat is gegarandeerd en dat derhalve het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.4.12. Gelet op hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 2.4.5. en 2.4.11. is de conclusie dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dat het college zich bovendien niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, behoudens artikel 6 van de planvoorschriften, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan, met uitzondering van artikel 6 van de planvoorschriften, goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan, dient te worden vernietigd.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plan voor zover dat bij het bestreden besluit is goedgekeurd.

2.4.13. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellante] overigens tegen het plan heeft aangevoerd geen bespreking.

2.4.14. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 14 maart 2008, kenmerk 2007-014720, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan;

III. onthoudt goedkeuring aan het plan voor zover dat bij besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 14 maart 2008, kenmerk 2007-014720, is goedgekeurd;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 maart 2008, voor zover dat onder II. is vernietigd;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Bosnjakovic

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009

410-525.