Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
200802997/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer (hierna: het college) geweigerd aan [vergunninghoudster] (hierna: [vergunninghoudster]) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van 25 appartementen op twee percelen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nrs. […] en […] (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802997/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], onderscheidenlijk gevestigd te [plaats], en te [plaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 april 2008 in zaak nr. AWB 07/841 in het geding tussen:

[wederpartij] en anderen, allen wonend te Deventer

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer (hierna: het college) geweigerd aan [vergunninghoudster] (hierna: [vergunninghoudster]) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van 25 appartementen op twee percelen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nrs. […] en […] (hierna: de percelen).

Bij besluit van 14 december 2004 heeft het college het daartegen door [vergunninghoudster] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog vrijstelling en bouwvergunning verleend.

Bij uitspraak van 8 augustus 2005, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] en anderen (hierna: [wederpartijen]) ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 december 2004 vernietigd.

Bij uitspraak van 27 september 2006 in zaak nr. 200508020/1 heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, de door [vergunninghoudster], [appellante sub 1 A] en het college daartegen ingestelde hoger beroepen ongegrond verklaard.

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college het door [vergunninghoudster] gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard en, met vrijstelling en ontheffing, bouwvergunning verleend.

Bij uitspraak van 15 april 2008, verzonden op 21 april 2008, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 april 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [vergunninghoudster] en [appellante sub 1 A] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2008, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2008, hoger beroep ingesteld. [vergunninghoudster] en [appellante sub 1 A] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 14 mei 2008.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college het door [vergunninghoudster] gemaakte bezwaar andermaal gegrond verklaard en wederom vrijstelling, ontheffing en bouwvergunning verleend.

[vergunninghoudster] en [appellante sub 1 A], het college en [wederpartijen] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2008, waar [vergunninghoudster] en [appellante sub 1 A], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, het college, vertegenwoordigd door

F.W.H.M. Helmich en J. Teesink, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. R.E. Dommerholt, juridisch adviseur, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.5.30, derde lid, van de gemeentelijke bouwverordening (hierna: bouwverordening), voor zover thans van belang, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.

Ingevolge artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in onder meer het derde lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

2.2. Bij het besluit op bezwaar van 10 april 2007 heeft het college krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening ontheffing verleend voor vijf parkeerplaatsen.

2.3. [vergunninghoudster], [appellante sub 1 A] en het college betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college thans voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële bijdrage, die door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging van de ontheffing, bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening, zal worden aangewend om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat ten gevolge van het bouwplan.

2.3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in voormelde uitspraak van 27 september 2006 dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. De verwijzing van het college naar de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2006 in zaak nr. 200600591/1, die betrekking heeft op een ander geval, maakt voor de beslissing in deze zaak geen verschil. Uit laatstgenoemde uitspraak kan niet worden afgeleid dat thans geen betekenis meer toekomt aan de hiervoor aangehaalde overweging in de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2006. Het college heeft zich in het besluit van 10 april 2007 op het standpunt gesteld dat de financiële bijdrage zal worden aangewend voor de medefinanciering van openbare parkeervoorzieningen in het centrum. Ter zitting van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Dat de rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m acceptabel is voor het parkeren van bezoekers van de appartementen, kan, anders dan [vergunninghoudster], [appellante sub 1 A] en het college stellen, niet afdoen aan haar oordeel dat ten aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financiële bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan. De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening is verleend.

2.4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Het besluit van 27 mei 2008 wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.6. [wederpartijen] betogen dat het college bij de verlening van ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat verlening van ontheffing slechts mogelijk is indien op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.

2.6.1. Het college heeft zich in het besluit van 27 mei 2008 ten aanzien van twee van de vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage concreet zal worden aangewend voor de uitvoering van het herinrichtingsplan van de openbare ruimte aan de Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen inpandige parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten aanzien van die twee parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. In zoverre is voldaan aan het in het slot van voormeld artikelonderdeel gestelde vereiste.

Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen evenwel geen inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.

2.7. Het beroep tegen het besluit van 27 mei 2008 is gegrond en dit besluit dient te worden vernietigd.

2.8. Het college dient ten aanzien van [wederpartijen] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het door [wederpartijen] ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 27 mei 2008 gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deventer tot vergoeding van bij Brendel in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 678,70 (zegge: zeshonderdachtenzeventig euro en zeventig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Deventer aan [wederpartijen] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Arichi, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Arichi

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009

430.