Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1120

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
200801374/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2008 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van biologisch gedroogd RWZI-slib door het Waterschap Rijn en IJssel (hierna: het Waterschap) naar Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 23K
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/3469
Milieurecht Totaal 2009/3219
JOM 2009/249
JAF 2009/7 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801374/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Waterschap Rijn en IJssel, gevestigd te Doetinchem,

appellante,

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2008 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van biologisch gedroogd RWZI-slib door het Waterschap Rijn en IJssel (hierna: het Waterschap) naar Duitsland.

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft de minister het door het Waterschap hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft het Waterschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2008, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2008, waar het Waterschap, vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te Den Haag, drs. ing. V. van Uem en W. Willink, beiden werkzaam bij het Waterschap, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. J.P.J. Geurts, werkzaam bij het ministerie, en mr. K. Ulmer, werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het Waterschap heeft kenbaar gemaakt voornemens te zijn om op grond van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van 14 juni 2006, betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: de Verordening) in de periode van 15 januari 2008 tot en met 14 januari 2009 biologisch gedroogd RWZI-slib over te brengen naar de rechtspersoon naar Duits recht Evonik STEAG GmbH te Duitsland.

De minister heeft bezwaar gemaakt tegen deze voorgenomen overbrenging, omdat hij zich op het standpunt stelt dat de kennisgeving niet door de juiste rechtspersoon is gedaan. Hij voert aan dat het Waterschap niet als eerste producent of vergunde nieuwe producent in de zin van de Verordening kan worden aangemerkt, waardoor het Waterschap niet als kennisgever kon optreden.

Volgens de minister wordt door de bewerking die bij GMB Slibverwerkingsbedrijf Zutphen B.V. (hierna: GMB) plaatsvindt de aard en samenstelling van het slib veranderd, waardoor niet meer gesproken kan worden van dezelfde afvalstof. Deze nieuwe door GMB geproduceerde afvalstof wordt overgebracht naar Duitsland. Het is volgens hem dan ook GMB die de kennisgeving moet doen.

Daarnaast wordt het slib bij de bewerking gemengd met andere afvalstoffen en bovendien bewerkt, zodat het voor het Waterschap onmogelijk is om haar oorspronkelijke afvalstroom uit deze bewerkte afvalstroom te onderscheiden. Dat door GMB voor het Waterschap een bepaalde hoeveelheid compost beschikbaar wordt gehouden betekent nog niet dat het daarbij om hetzelfde slib gaat.

Tevens wijst de minister er op dat GMB in dertien vergelijkbare gevallen wel de kennisgeving voor door haar bewerkt van waterschappen afkomstig rioolwaterslib voor haar rekening neemt. De stelling van het Waterschap dat GMB zelfs niet gerechtigd is de kennisgeving te doen, gaat volgens de minister reeds hierom niet op.

2.2. Het Waterschap betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet het Waterschap, maar GMB als kennisgever moet optreden voor de voorgenomen overbrenging van het gedroogde RWZI-slib naar Duitsland. Het Waterschap stelt dat GMB zelfs niet gerechtigd is de kennisgeving te doen.

Volgens het Waterschap treedt GMB niet op als inzamelaar van het rioolwaterslib, maar bewerkt het in opdracht en voor rekening van het Waterschap. Het Waterschap houdt gedurende het gehele beheerstraject de eigendom van en de eindverantwoordelijkheid voor de afvalstof. Daarnaast is de stelling van de minister dat het slib afkomstig van het Waterschap wordt gemengd met slib afkomstig van andere waterschappen onjuist. In principe vindt geen vermenging met ander slib plaats en worden ook geen andere stoffen aan het eindproduct toegevoegd. Daarom is het volgens het Waterschap onjuist dat door de bewerking bij GMB de aard en samenstelling van het slib veranderen. Er wordt alleen vocht uit het slib verwijderd, waardoor het slib compost wordt. De Euralcode die op het slib en het compost van toepassing is blijft hetzelfde. Het Waterschap stelt hierbij dat bovendien met behulp van bemonstering en analyses zowel de kwaliteit van het aangevoerde slib als de kwaliteit van het afgevoerde compost gegarandeerd wordt.

2.3. In artikel 2, negende lid, van de Verordening wordt 'producent' gedefinieerd als eenieder wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen (eerste producent) en/of eenieder die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen verricht die resulteren in een wijziging van de aard of samenstelling van die afvalstoffen (nieuwe producent) (als omschreven in artikel 1, lid 1, onder b), van Richtlijn 2006/12/EG.

In artikel 2, vijftiende lid, onder a, van de Verordening wordt, voor zover hier van belang, bepaald dat in geval van overbrenging vanuit een lidstaat, de onder de rechtsmacht van die lidstaat vallende natuurlijke of rechtspersoon die voornemens is de afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen gehouden is door de kennisgevingsplicht. De kennisgever is een van de hieronder genoemde personen of instanties in de aangegeven volgorde:

i) de eerste producent; of

ii) de vergunde nieuwe producent die handelingen verricht vóór de overbrenging.

2.3.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het slib ten behoeve van de ontwatering wordt gemengd met houtsnippers die later weer uit het eindproduct worden weg gezeefd. Tevens blijkt dat geen andere stoffen aan het slib worden toegevoegd, dat in principe alleen incidenteel vermenging met andere partijen slib van gelijke samenstelling plaatsvindt vooral ten behoeve van het enten met voor de compostering benodigde bacteriën en dat het slib op een aparte locatie ter beschikking van het Waterschap wordt gehouden.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de stelling van de minister dat GMB door het slib te drogen een nieuwe afvalstof heeft doen ontstaan en alleen al daarom als eerste producent degene is die de kennisgeving moet indienen niet opgaat, omdat het slib daarbij niet wezenlijk van aard of samenstelling verandert. Bovendien laat de Verordening de mogelijkheid open dat een afvalstof wordt bewerkt en vermengd zonder dat daarbij een nieuwe afvalstof ontstaat.

De Afdeling overweegt verder dat in de onderhavige omstandigheden waarbij het Waterschap inzamelaar en 'eerst producent' van de afvalstoffen is, gedurende het gehele traject eigenaar en eindverantwoordelijke blijft, zelf de verwerkingscondities bepaalt en ook de eindbestemming van het compost in eigen hand heeft, GMB niet als producent in de zin van artikel 2, negende lid, van de Verordening kan worden aangemerkt. Hieruit volgt dat in het onderhavige geval het Waterschap als kennisgever in de zin van artikel 2, vijftiende lid, onder a, van de Verordening dient te worden aangemerkt. Deze beroepsgrond treft doel.

2.4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 6 februari 2008 komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 februari 2008, kenmerk JZ/EVOA_JZ/080098/BPA;

III. herroept het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 januari 2008, kenmerk NL 201739;

IV. bepaalt dat de uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij Waterschap Rijn en IJssel in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan Waterschap Rijn en IJssel onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan Waterschap Rijn en IJssel het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009

315.