Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
200803297/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 5 januari 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) een verzoek van appellante (hierna: de producentenorganisatie) om nadeelcompensatie vanwege de verdieping van de Westerschelde afgewezen en haar € 44.430,00 toegekend ter compensatie van de schade ten gevolge van de aanleg van een kabel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009/410 met annotatie van B.P.M. van Ravels
JOM 2010/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803297/1.

Datum uitspraak: 28 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Kokkelvisserij U.A., gevestigd te Kapelle,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 maart 2008 in zaak nrs. 06/724 en 06/725 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 5 januari 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) een verzoek van appellante (hierna: de producentenorganisatie) om nadeelcompensatie vanwege de verdieping van de Westerschelde afgewezen en haar € 44.430,00 toegekend ter compensatie van de schade ten gevolge van de aanleg van een kabel.

Bij besluit van 17 mei 2006 heeft de minister de door de producentenorganisatie daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) de door de producentenorganisatie daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de producentenorganisatie bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 mei 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2009, waar de producentenorganisatie, vertegenwoordigd door mr. P.W.H.M. Haans, advocaat te Bergen op Zoom, en haar [secretaris] en de minister, vertegenwoordigd door ing. L. Harpe MSc, werkzaam bij Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De producentenorganisatie heeft verzocht om compensatie van nadeel, naar zij stelt veroorzaakt door sterke afname van de vangst van kokkels als gevolg van verdiepingswerkzaamheden in de Westerschelde in 1997/1998 en de aanleg van een 150kV kabel op de Middelplaat in de Westerschelde.

2.2. De minister heeft de verzoeken beoordeeld aan de hand van de Regeling nadeelcompensatie verkeer en Waterstaat 1999 (hierna: de Regeling). Voor de gronden van het besluit van 17 mei 2006 heeft hij verwezen naar een advies van 11 november 2005 van de krachtens artikel 15 van de Regeling ingestelde commissie.

2.2.1. Voor de beantwoording van de vraag of de afname van het kokkelbestand in de Westerschelde is veroorzaakt door de verdieping- en baggerwerkzaamheden in 1997/1998, heeft de commissie gebruik gemaakt van gegevens van het Rijksinstituut voor Visserij en Onderzoek (RIVO) over de periode 1992 tot en met 2003 en gegevens van kokkelvissers die in de Westerschelde vissen. De gegevens over de Westerschelde zijn, in overleg met de producentenorganisatie, vergeleken met die van de Waddenzee. Bij onderlinge vergelijking zijn geen significante verschillen in het verloop van de sterk fluctuerende kokkelpopulaties door de jaren heen gebleken. Het gemiddelde stuksgewicht van de kokkels, die op het moment van de werkzaamheden één jaar oud waren, is na 1998 afgenomen. Zodanige afname is echter ook waargenomen in het Waddengebied, hetgeen wijst op andere oorzaken dan de verdiepingswerkzaamheden. Ook ten aanzien van de samenstelling van de kokkelpopulaties zijn geen significante verschillen geconstateerd. De slotsom van het advies is dat er geen aantoonbare relatie is tussen de verdiepingswerkzaamheden en de door de producentenorganisatie gestelde schade.

2.3. De producentenorganisatie betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte door haar niet aannemelijk gemaakt heeft geacht dat de verdieping van de Westerschelde de enige verklaring is voor de verminderde kokkelvangst in de jaren na de werkzaamheden. Zij stelt daartoe dat de kokkelbestanden in de periode 1992-1998 in de Westerschelde en de Waddenzee een vergelijkbaar verloop kennen, terwijl het bestand in de Westerschelde na 1998 duidelijk achterblijft.

2.3.1. Dat betoog faalt.

Volgens het in zoverre niet bestreden advies kennen het verloop in het kokkelbestand in de Westerschelde en dat in de Waddenzee een vergelijkbaar - grillig - patroon. 1997, 1998 en 1999 zijn relatief goede jaren geweest, waarop in de Westerschelde in 2000 een scherpe daling volgde, met daarna een opleving. De neergang in de Waddenzee is geleidelijker geweest; eerst in 2003 vond een met die in de Westerschelde vergelijkbare opleving plaats. De commissie heeft voorts geadviseerd dat in 2004 in de Westerschelde, evenals in de Waddenzee, de hoogste biomassa sinds 1998 is vastgesteld, hetgeen volgens haar betekent dat de rekrutering van broed naar één-jarige kokkels in 2004 goed is geweest.

De rechtbank heeft met juistheid in de door de producentenorganisatie tijdens de hoorzitting in bezwaar en wederom tijdens de behandeling van het hoger beroep overgelegde grafiek van het RIVO inzake het percentage 2-jarige kokkels van het kokkelbestand in de Westerschelde en van het kokkelbestand in de voor visserij opengestelde gebieden in de Waddenzee in de periode 1993-2006 geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister het advies ten onrechte aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Uit de door de producentenorganisatie bij de rechtbank overgelegde brief van de deskundige J.H. van den Berg van 11 juli 2007 blijkt niet dat de nadelige trend van na de verdiepingswerkzaamheden zich heeft voortgezet.

Voor zover de producentenorganisatie aanvoert dat de rechtbank heeft miskend dat uit een brief van prof. dr. A.C. Smaal van 20 maart 2006 blijkt dat een door de verdiepingswerkzaamheden veroorzaakt hoger slibgehalte de verklaring voor de scherpe achteruitgang van de kokkelpopulatie na 1999 vormt, treft dit evenmin doel. Uit die brief blijkt niet dat prof. Smaal kan vaststellen dat door de verdieping meer slib op de platen is gekomen, omdat hierover geen onderzoeksgegevens beschikbaar zijn.

De producentenorganisatie voert evenzeer tevergeefs aan dat de rechtbank heeft miskend dat uit het evaluatierapport MOnitoring VErruiming Westerschelde (MOVE) uit 2003 blijkt dat de achteruitgang in aantal en kwaliteit van het kokkelbestand het gevolg is van de verdiepingswerkzaamheden. Volgens MOVE-eindrapport 2006 is het voor kokkels geschikte areaal toegenomen en bestaat baggerspecie voor 98% uit zand, dat vrijwel direct naar de bodem zakt en dus geen slib veroorzaakt. Dit rapport leidt niet tot de conclusie dat de verdiepingswerkzaamheden de oorzaak zijn van de achteruitgang in omvang en kwaliteit van het kokkelbestand. In het rapport staat dat de variatie in het vóórkomen van de kokkel voornamelijk wordt veroorzaakt door variaties in de kokkelbroedval en niet door de verdieping van de Westerschelde. Ook in het RIVO-rapport C058/03 worden andere mogelijke oorzaken genoemd voor de fluctuering van het kokkelbestand, zoals sterfte als gevolg van bevriezing, te grote opwarming en bevissing.

2.4. De producentenorganisatie betoogt voorts dat de rechtbank, door te aanvaarden dat de minister de gedupeerde vissers ten onrechte slechts voor één jaar en niet ook voor het toekomstig verlies van de visgronden ten gevolge van het besluit van 22 februari 2000, waarbij de minister aan N.V. Delta Nutsbedrijven vergunning is verleend voor het leggen van een 150 kV kabel in de Westerschelde, heeft gecompenseerd, heeft miskend dat de vissers er van mochten uitgaan dat de visvergunningen elk jaar opnieuw zullen worden verleend.

2.4.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister op goede gronden geen toekomstig mogelijk te lijden schade door middel van kapitalisatie hoefde te vergoeden. De vergunningen worden jaarlijks verleend of geweigerd, zodat met jaarlijks wisselende omstandigheden in het kokkelbestand rekening kan worden gehouden. Dat betekent dat voor vergunninghouders een onzekere factor bestaat en zij er niet van uit mogen gaan dat hun elk jaar opnieuw vergunning zou worden verleend.

2.5. De producentenorganisatie betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte een korting van 20% op de vergoeding van schade wegens normaal ondernemersrisico heeft toegepast. De vissers behoefden er niet van uit te gaan dat de 150 kV kabel buiten het 1300 meter brede kabel- en pijpleidinggebied zou worden gelegd, waardoor een strook voor de groei van kokkels geschikte grond ter breedte van 400 meter aan het beschikbare areaal is onttrokken. Bovendien heeft de minister bevissing boven kabels en pijpleidingen in de Waddenzee altijd toegestaan, zodat evenmin rekening hoefde te worden gehouden met een visverbod ter plaatse van de aangelegde kabel, aldus de producentenorganisatie.

2.5.1. Dit betoog faalt evenzeer. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat de kabel weliswaar niet in, maar wel aangrenzend in de daarvoor bestemde kabelstraat op de Middelplaat is gelegd. Zij heeft voorts terecht door de minister aannemelijk gemaakt geacht dat het leggen van kabels in de Westerschelde, ook buiten het gebied van de Middelplaat, niet ongebruikelijk is. Ingevolge artikel 6, zevende lid, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 is het verboden te ankeren, dan wel enig tuig over de grond te laten slepen, binnen een afstand van 200 meter aan weerszijden van een kabel. De producentenorganisatie is bij brief van 20 juni 2001 over de betekenis van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 ingelicht. De vissers moesten derhalve rekening houden met een visverbod ter plaatse en konden er niet op vertrouwen dat het voor de Westerschelde gevoerde beleid geheel zou overeenkomen met dat voor de Waddenzee. De rechtbank heeft derhalve terecht het door de minister toegepaste korting van 20% niet onredelijk geacht.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009

299.