Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH1096

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
200808974/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek (hierna: het college) de stichting Stichting Dierenthuis (hierna: Dierenthuis) onder oplegging van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) strijdige gebruik van de opstallen en de gronden op het perceel Bakelseweg 27 te Aarle-Rixtel (hierna: het perceel) binnen dertien weken na verzenddatum van dit besluit te beëindigen en beëindigd te houden, hetgeen betekent dat geen honden en katten meer aanwezig mogen zijn in de bebouwing en op de gronden van het perceel, en voorts het hekwerk nabij de bedrijfsruimte op het achterterrein van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden binnen acht weken na verzenddatum van dit besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808974/2.

Datum uitspraak: 19 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de stichting Stichting Dierenthuis, gevestigd te Aarle-Rixtel,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 december 2008 in zaak nr. 08/2128 in het geding tussen:

de stichting Stichting Dierenthuis

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek (hierna: het college) de stichting Stichting Dierenthuis (hierna: Dierenthuis) onder oplegging van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) strijdige gebruik van de opstallen en de gronden op het perceel Bakelseweg 27 te Aarle-Rixtel (hierna: het perceel) binnen dertien weken na verzenddatum van dit besluit te beëindigen en beëindigd te houden, hetgeen betekent dat geen honden en katten meer aanwezig mogen zijn in de bebouwing en op de gronden van het perceel, en voorts het hekwerk nabij de bedrijfsruimte op het achterterrein van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden binnen acht weken na verzenddatum van dit besluit.

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het college het door Dierenthuis daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder aanpassing van de begunstigingstermijn.

Bij besluit van 30 juni 2008 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot het tijdstip waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het door Dierenthuis tegen het besluit van 13 mei 2008 ingestelde beroep.

Bij uitspraak van 4 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door Dierenthuis ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de verlenging van de begunstigingstermijn tot het moment dat de rechtbank op het beroep heeft beslist, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, bepaald dat de begunstigingstermijn is verlengd tot en met twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft Dierenthuis bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft Dierenthuis de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot tien kalenderdagen vanaf de datum waarop de voorzitter uitspraak heeft gedaan op het verzoek van Dierenthuis.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 januari 2009, waar Dierenthuis, vertegenwoordigd door mr. D.J. Lokhorst, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van Heijningen, advocaat te Den Bosch, en A.J.M. van Doorn en M.L.M. van Heijnsbergen, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting H.J.F. Sterken, in persoon, en M.F.C. van den Heuvel en anderen, in de persoon van M.F.C. van den Heuvel, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan rusten op het perceel de bestemmingen "Bos" en "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-". Voorts rust op een deel van het perceel de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de nadere aanduiding "B5: honden- en paardenpension".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Bos" bestemd voor de volgende doeleinden:

a. instandhouding van het bos met daarop afgestemde bosbouw;

b. instandhouding van de aanwezige natuurwaarden;

c. extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden" bestemd voor de volgende doeleinden:

a. duurzame agrarische bedrijfsuitoefening;

b. instandhouding van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden;

c. extensief recreatief medegebruik;

Ingevolge artikel 26a, eerste lid, is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

2.3. Op het perceel vangt Dierenthuis permanent honden en katten op. Ter zitting heeft Dierenthuis aangegeven dat thans ongeveer 50 honden en 1000 katten op het perceel aanwezig zijn.

2.4. Het verzoek strekt tot schorsing van de besluiten van 20 december 2007 en 13 mei 2008. Aan het verzoek heeft Dierenthuis onder meer ten grondslag gelegd dat het gebruik van de opstallen en gronden op het perceel ten behoeve van de opvang van honden en katten niet in strijd is met het bestemmingsplan. Verder stelt zij zich op het standpunt dat, voor zover zich wel strijd met het bestemmingsplan voordoet, het college vanwege bijzondere omstandigheden van handhavend optreden had moeten afzien.

2.4.1. Naar het oordeel van de voorzitter heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat, nu de opvang van honden en katten geen verband houdt met de in artikel 5, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften vermelde doeleinden, die opvang in strijd is met de bestemmingen "Bos" en "Agrarisch gebied met landschappelijke/ cultuurhistorische en/of abiotische waarden". Verder biedt hetgeen Dierenthuis heeft aangevoerd voorshands onvoldoende grond voor de conclusie dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding "honden- en paardenpension" die op een deel van het perceel rust. De voorzitter is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de honden- en kattenopvang in strijd is met het in artikel 26a, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod, zodat het college bevoegd is daartegen handhavend op te treden.

2.4.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.3. Voorshands ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar concreet uitzicht op legalisatie bestond, nu het college in dat besluit heeft aangegeven niet bereid te zijn vrijstelling te verlenen. De enkele stelling van Dierenthuis dat het rijksbeleid en het provinciale beleid niet aan het verlenen van vrijstelling in de weg staan, hetgeen door het college gemotiveerd wordt bestreden, leidt niet tot een ander oordeel. Zelfs indien van de juistheid van die stelling zou moeten worden uitgegaan, betekent dit nog niet dat het college gehouden is vrijstelling te verlenen.

Verder ziet de voorzitter in hetgeen Dierenthuis naar voren heeft gebracht over de problemen en kosten die een gedwongen verhuizing van alle honden en katten met zich brengt geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college van optreden behoort af te zien. Daarbij is van belang dat uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college Dierenthuis voorafgaand aan de verhuizing naar het perceel meerdere malen heeft gewaarschuwd dat het exploiteren van een dierenopvang aldaar mogelijk niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat hieromtrent eerst onderzoek dient plaats te vinden. Het college heeft de toenmalige belangenbehartiger van Dierenthuis er voorts bij brief van 24 juli 2007 op gewezen dat het wellicht ook in het belang van Dierenthuis ongewenst is om ter plaatse reeds bedrijfsactiviteiten te starten voordat duidelijk is of de vestiging van een honden- en kattenopvang mogelijk is op basis van het bestemmingsplan. Ondanks die waarschuwingen heeft Dierenthuis ervoor gekozen de dierenopvang op te starten en zelfs, nadat de last al was opgelegd, verder uit te breiden. Die keuze dient naar het oordeel van de voorzitter voor haar rekening en risico te blijven.

Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank naar voorlopig oordeel terecht geconcludeerd dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan van het college mag worden gevergd dat het van handhavend optreden afziet.

2.4.4. Wat de stelling van Dierenthuis betreft dat de dwangsom te hoog is, nu zij daardoor in financiële problemen komt, overweegt de voorzitter dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 december 2007 in zaak nr. 200701730/1) de financiële omstandigheden van de overtreder in beginsel geen rol spelen bij de vaststelling van de hoogte van de dwangsom. Bovendien kan Dierenthuis verbeurte van de dwangsom voorkomen door aan de last te voldoen.

2.5. Gelet op het voorgaande, ziet de voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Dierenthuis inmiddels meer dan een jaar de tijd heeft gehad om aan de last te voldoen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009

457.