Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
200801258/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / opschorting van uitzettingen van Tamils naar Sri Lanka / aangekondigd onderzoek inzake instellen vertrekmoratorium / geen wijziging van het recht

De opschorting van uitzettingen van Tamils naar Sri Lanka in afwachting van een leidend arrest van het EHRM, heeft de rechtbank terecht niet aangemerkt als een wijziging van het recht, aangezien deze geen betekenis heeft voor de beoordeling van de asielaanvraag. Het door de staatssecretaris aangekondigde onderzoek inzake het instellen van een vertrekmoratorium voor Tamils uit Sri Lanka, heeft de rechtbank terecht evenmin als een wijziging van het recht aangemerkt. Zelfs indien een zodanig moratorium zou zijn ingesteld, behelst dit, zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak nr. 200700590/1, www.raadvanstate.nl), geen wijziging van het recht, nu een besluit tot instelling van een dergelijk moratorium ziet op afgewezen asielzoekers en geen betekenis heeft voor de beoordeling van de asielaanvraag. De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801258/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] alias [alias],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 8 februari 2008 in zaak nr. 07/44360 in het geding tussen:

[appelant],

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [appellant] alias [alias] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 februari 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 februari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2008, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te ’s Gravenhage, zijn verschenen. De zaak is ter zitting tegelijkertijd behandeld met zaak nr. 200706161/1.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de vreemdeling grief I ingetrokken.

2.2. In grief II klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de rechtbank, door te overwegen dat niet in geschil is dat het beleid met betrekking tot Tamils uit Sri Lanka niet is gewijzigd, heeft miskend dat de uitlatingen van de staatssecretaris tijdens het op 1 november 2007 gevoerde algemeen overleg van de vaste Kamercommissie voor Justitie (Kamerstukken II 2007/08, 19 637, nr. 1178, blz. 8) een beleidswijziging behelzen.

2.2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl).

Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.2.2. De vreemdeling heeft eerder, op 28 oktober 2000, een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluit van 18 juni 2003 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voor zover thans van belang, deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en deze afgewezen.

Voorts heeft de vreemdeling op 26 juli 2007 een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft de staatssecretaris deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 26 november 2007 is van gelijke strekking als de besluiten van 18 juni 2003 en 1 augustus 2007, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.2.3. Ter nadere toelichting van zijn aanvraag van 20 november 2007 heeft de vreemdeling, voor zover thans van belang, in zijn zienswijze van 26 november 2007 verwezen naar de uitlatingen van de staatssecretaris tijdens voormeld algemeen overleg.

2.2.4. Tijdens dat algemeen overleg heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, verklaard dat Nederland in een "nare situatie" terecht kan komen, indien Tamils naar Sri Lanka worden teruggestuurd en dat het raadzaam is een leidend arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) af te wachten. Voorts heeft de staatssecretaris verklaard dat hij nagaat of het vertrekmoratorium, dat ooit gold voor Tamils uit Sri Lanka, opnieuw moet worden ingesteld.

2.2.5. De opschorting van uitzettingen van Tamils naar Sri Lanka in afwachting van een leidend arrest van het EHRM, heeft de rechtbank terecht niet aangemerkt als een wijziging van het recht, aangezien deze geen betekenis heeft voor de beoordeling van de asielaanvraag. Het door de staatssecretaris aangekondigde onderzoek inzake het instellen van een vertrekmoratorium voor Tamils uit Sri Lanka, heeft de rechtbank terecht evenmin als een wijziging van het recht aangemerkt. Zelfs indien een zodanig moratorium zou zijn ingesteld, behelst dit, zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak nr. 200700590/1, www.raadvanstate.nl), geen wijziging van het recht, nu een besluit tot instelling van een dergelijk moratorium ziet op afgewezen asielzoekers en geen betekenis heeft voor de beoordeling van de asielaanvraag. De grief faalt.

2.3. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009

418.

Verzonden: 16 januari 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak