Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
200803843/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd om aan [wederpartij] een verklaring van geen bezwaar af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803843/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2008 in zaak nr. 07/1459 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd om aan [wederpartij] een verklaring van geen bezwaar af te geven.

Bij besluit van 14 maart 2007 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2008, verzonden op 15 april 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 maart 2007 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt op het bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft de minister, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2008, heeft [wederpartij] daartegen beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Eckhardt, werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: Wvo) wordt in deze wet verstaan onder vertrouwensfunctie: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, wordt in deze wet onder verklaring verstaan: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, meldt de werkgever een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie aan bij het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD).

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de AIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op gegevens betreffende de justitiële gegevens die ten behoeve van het veiligheidsonderzoek zijn verkregen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

In de Beleidsregels vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens van 30 januari 1997 (Stcrt. 1997, 35, p. 9; hierna: de Beleidsregel) heeft de minister een leidraad gegeven voor de beoordeling van justitiële gegevens bij het afgeven van verklaringen van geen bezwaar in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens.

Volgens artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel wordt bij het afgeven van een verklaring als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Wvo, in verband met de vervulling van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wvo, bij de beoordeling van die gegevens rekening gehouden met:

a. de aard van de gegevens;

b. de ouderdom van de gegevens;

c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben;

d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen;

e. het aantal in een bepaalde tijdspanne vastgelegde gegevens;

f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens.

Volgens het tweede lid, aanhef en onder d, wordt bij de beoordeling van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde gegevens in het bijzonder gelet op gegevens betreffende zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling.

2.2. De minister heeft [wederpartij] de verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvo geweigerd op grond van artikel 8, tweede lid, van de Wvo. Hiertoe heeft de minister overwogen dat uit navraag bij de Centrale Justitiële Documentatie van het Ministerie van Justitie is gebleken dat [wederpartij] wordt verdacht van diefstal met bedreiging of geweld, gepleegd op 1 juli 2005 en van diefstal onder verzwarende omstandigheden, gepleegd op 29 augustus 2005. Op grond hiervan heeft de minister geconcludeerd dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat [wederpartij] onder alle omstandigheden de uit de door hem geambieerde vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

2.3. De rechtbank heeft voorop gesteld dat naar haar oordeel de Beleidsregel slechts ziet op de beantwoording van de vraag of er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. De Beleidsregel ziet niet op de wijze waarop de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot weigering van de verklaring indien wordt voldaan aan de voorwaarde voor het gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid. De rechtbank overweegt vervolgens dat uit het besluit van 14 maart 2007 blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde die artikel 8, tweede lid, van de Wvo stelt aan het gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot weigering van een verklaring, maar dat niet is gebleken dat de minister de belangen van [wederpartij] heeft meegewogen in het kader van de gebruikmaking van zijn bevoegdheid. Onvoldoende is gemotiveerd waarom in dit geval het belang van de nationale veiligheid zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van [wederpartij].

2.4. De minister bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. Daartoe betoogt de minister dat in dit geval een individuele toets heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de justitiële gegevens is, in overeenstemming met de Beleidsregel, rekening gehouden met de aard en de ouderdom van de gegevens en de zwaarte van het delict waarop de gegevens betrekking hebben, aldus de minister. Tevens is de leeftijd waarop [wederpartij] de delicten heeft gepleegd bij de beoordeling betrokken. De minister voert aan dat hij veel gewicht toekent aan justitiële gegevens die vallen binnen de reikwijdte van de Beleidsregel en dat hij het beleid voert dat indien dergelijke justitiële gegevens aanwezig zijn, in beginsel de gevraagde verklaring van geen bezwaar wordt geweigerd, dan wel ingetrokken. De rechtbank heeft volgens de minister miskend dat bij afweging van de betrokken belangen, het uitgangspunt is dat het belang van de nationale veiligheid zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van degene die de vertrouwensfunctie vervult.

2.4.1. Dit betoog slaagt. De minister is bevoegd een verklaring van geen bezwaar te weigeren indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 september 2008 in zaak nr. 200800011/1) komt de minister bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn, beoordelingsvrijheid toe die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst.

Bij de beoordeling van de justitiële gegevens in dit geval heeft de minister, rekening houdend met de in artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel genoemde omstandigheden, geconcludeerd dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat [wederpartij] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat is voldaan aan de voorwaarde die artikel 8, tweede lid, van de Wvo stelt om een verklaring van geen bezwaar te weigeren. In dat kader heeft de minister geoordeeld dat het belang van de nationale veiligheid zwaarder dient te wegen dan de persoonlijke belangen van [wederpartij]. Het was aan [wederpartij] om bijzondere omstandigheden aan te voeren die een uitzondering hierop rechtvaardigen. In beroep heeft [wederpartij] omstandigheden naar voren gebracht die hebben plaatsgevonden na het nemen van het besluit van 14 maart 2007, zodat de minister daarmee bij het nemen van dit besluit geen rekening heeft kunnen houden. Ook voor het overige heeft de minister voor het maken van een uitzondering op de gemaakte belangenafweging geen aanleiding behoeven te zien. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het besluit van 14 maart 2007 op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 14 maart 2007 beoordelen, voor zover dit bespreking behoeft.

2.6. De beroepsgronden van [wederpartij], gericht tegen het standpunt van de minister dat sprake is van onvoldoende waarborgen dat [wederpartij] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen, zijn door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. [wederpartij] heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld. Nu evenmin sprake is van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over deze beroepsgrond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld, vallen deze beroepsgronden thans dientengevolge buiten het geding.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Het besluit van 12 augustus 2008 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. De Afdeling zal dit besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken.

2.7.1. Bij genoemd besluit heeft de minister het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 24 oktober 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

2.7.2. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de grondslag aan dit besluit komen te ontvallen. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2008 in zaak nr. 07/1459;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 augustus 2008, kenmerk 3203288/01, gegrond;

V. vernietigt dit besluit.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Den Broeder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009

97-581.