Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
200708514/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2007, nr. 1274167, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veldhoven (hierna: de raad) bij besluit van 13 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "De Run 6000-ASML".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708514/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, gevestigd te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2007, nr. 1274167, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veldhoven (hierna: de raad) bij besluit van 13 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "De Run 6000-ASML".

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft ASML Netherlands BV (hierna: ASML) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2008, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. F.H. Eijmaal, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door A.J.J.M. Danen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door R. Smits, ambtenaar in dienst van de gemeente, en ASML, vertegenwoordigd door mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Geldrop.

Na afloop van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek hervat. [appellant] en anderen zijn in de gelegenheid gesteld alsnog te reageren op het Verkeerscirculatieplan en het rapport "Verkeers- en parkeerstudie De Run". Bij brief van 19 september 2008 is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De overige partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, van welke gelegenheid door het college, de raad en ASML gebruik is gemaakt. Met toestemming van partijen is een tweede onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in het juridisch-planologisch kader ten behoeve van de uitbreidingsmogelijkheden op het bedrijventerrein "De Run 6000" te Veldhoven voor ASML, door verhoging van het bebouwingspercentage en de bouwhoogte van de bedrijfsgebouwen op haar bedrijventerrein.

2.3. [appellant] en anderen voeren in de eerste plaats als bezwaar aan dat zij de inhoud van het Verkeerscirculatieplan en het rapport "Verkeers- en parkeerstudie De Run", op grond waarvan het college het bestreden besluit heeft genomen, niet kennen. Zij betwisten derhalve de op basis van deze rapporten getrokken conclusies.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de ontsluiting van het ASML-terrein geen problemen zal opleveren. Het college brengt naar voren dat de genoemde verkeersrapporten ten tijde van de planvaststelling nog niet waren opgesteld.

2.3.2. De Afdeling stelt vast dat het college ter motivering van het bestreden besluit ingaat op het rapport "Verkeers- en parkeerstudie De Run." Blijkens het verweerschrift dateert dit rapport van 3 augustus 2007. Het rapport is derhalve na de terinzagelegging van het vastgestelde plan tot stand gekomen. Niet in geschil is dat dit rapport niet voorafgaand aan het nemen van het besluit omtrent de goedkeuring van het plan door het college aan de indieners van bedenkingen is toegestuurd.

De Afdeling stelt voorop dat uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch enige andere bepaling volgt dat het college gehouden is de indieners van bedenkingen, door toezending dan wel terinzagelegging, in kennis te stellen van stukken met betrekking tot het plan die na de terinzagelegging van het vastgestelde plan aan hem bekend worden. Onder omstandigheden kan echter uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit omtrent goedkeuring aanleiding bestaan de indieners van bedenkingen in kennis te stellen van dergelijke nadere stukken en aan hen de gelegenheid te bieden hierop te reageren.

In het rapport "Verkeers- en parkeerstudie De Run" wordt ingegaan op de gevolgen van het plan voor de verkeerssituatie ter plaatse. Het college heeft zijn standpunt in het bestreden besluit dat de ontsluitingsstructuur afdoende is voor de uitbreiding van ASML uitdrukkelijk gemotiveerd onder verwijzing naar dit verkeersrapport. Het verkeersrapport is blijkens het bestreden besluit dragend en doorslaggevend geweest voor de beslissing van het college omtrent de door [appellant] en andere ingebrachte bedenkingen aangaande de gevolgen van het plan voor de verkeersdruk rondom het plangebied.

Gelet op het voorgaande lag het naar het oordeel van de Afdeling in de rede het rapport "Verkeers- en parkeerstudie De Run" ter inzage te leggen dan wel aan [appellant] en andere toe te zenden en hen in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Nu het college een en ander heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre niet genomen met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het besluit kan om die reden niet in stand blijven. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te bezien of er termen bestaan om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat

[appellant] en andere alsnog in de gelegenheid zijn gesteld het rapport "Verkeers- en parkeerstudie De Run" in te zien en dat zij alsnog hun bezwaren met betrekking tot dit rapport in het kader van deze procedure kenbaar hebben kunnen maken.

2.4. [appellant] en andere voeren aan dat de ontsluitingstructuur thans reeds ontoereikend is om de verkeersdruk in de nabijheid van het bedrijf van [appellant] binnen aanvaardbare grenzen te houden. Door de uitbreiding van ASML en de daarmee samenhangende groei van bedrijfs- en personeelsverkeer zal de intensiteit van het verkeer in de nabijheid van het perceel van [appellant] sterk toenemen, aldus [appellant] en andere. Zij vrezen in dit verband voor parkeeroverlast en een slechte bereikbaarheid van [appellant]. Voorts betogen zij dat uit het Verkeerscirculatieplan volgt dat het aantal verkeersbewegingen op de rotonde Kempenbaan zal toenemen en dat de aanleg van de westelijke ontsluitingsroute de verkeersproblematiek op deze rotonde onvoldoende zal oplossen.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het Verkeerscirculatieplan en het rapport "Verkeers- en parkeerstudie De Run" blijkt dat de verkeersproblemen in de omgeving van ASML met name worden veroorzaakt door knelpunten bij de A2. In het kader van een reconstructie van de A2 zullen deze problemen worden opgelost. Na voltooiing van deze reconstructie is de doorstroming van het verkeer op de Kempenbaan en in de omgeving van het plangebied gewaarborgd, aldus het college.

2.4.2. Uit het rapport "Verkeers- en parkeerstudie De Run" komt naar voren dat de verkeersafwikkeling van en naar het ASML-terrein in de huidige situatie geen problemen oplevert. Blijkens dit rapport en het Verkeerscirculatieplan wordt de huidige verkeersproblematiek in de omgeving van ASML voornamelijk veroorzaakt door knelpunten bij de A2. Thans zijn verschillende werkzaamheden gestart in het kader van de reconstructie van de A2 en de A67 om de verkeersdoorstroming in de omgeving van het plangebied te verbeteren. De uitbreiding van ASML zal daarnaast slechts in beperkte mate bijdragen aan de totale toename van de verkeersstromen in de omgeving van het plangebied. Voorts is de hoofdingang van het terrein van ASML gelegen aan de oostzijde van het plangebied. Het grootste deel van de verkeersbewegingen van en naar ASML wordt derhalve afgewikkeld over de Kempenbaan. De ontsluiting aan de zuidwestelijke zijde van het plangebied, in het gedeelte van het bedrijventerrein waar [appellant] is gevestigd, zal enkel als calamiteitenuitgang worden gebruikt. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in verband met de uitbreiding van ASML in de nabijheid van het perceel van [appellant] geen significante toename van het verkeer is te verwachten.

Voorts worden blijkens het rapport "Verkeers- en parkeerstudie De Run" momenteel door ASML extra parkeervoorzieningen gerealiseerd. Recentelijk is langs de A67 een parkeerterrein met 400 parkeerplaatsen aangelegd. Tevens zal langs de A67 een parkeergarage worden aangelegd om de extra parkeerdruk ten gevolge van de uitbreiding van ASML op te vangen. Het plan voorziet hierin. Daarnaast blijkt uit de schriftelijke reactie van ASML dat ASML naast de 2400 bestaande parkeerplaatsen op eigen terrein 1200 extra parkeerplaatsen zal realiseren. Gelet op het voorgaande hebben [appellant] en andere niet aannemelijk gemaakt dat het college aan hun vrees voor parkeeroverlast doorslaggevend gewicht diende toe te kennen.

2.4.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en andere omtrent de rotonde Kempenbaan, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het Verkeerscirculatieplan komt naar voren dat zonder nadere maatregelen het aantal verkeersbewegingen per uur op deze rotonde zal toenemen tot 1900. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich op het standpunt gesteld dat een enkelstrooksrotonde als de rotonde Kempenbaan voldoende capaciteit heeft om deze verkeerstroom te verwerken. Voorts brengt het college van burgemeester en wethouders naar voren dat het onderhavige plan geen extra verkeersbewegingen op de rotonde met zich brengt, nu de hoofdingang van het ASML-terrein is gesitueerd aan de Run 6100 en het grootste deel van het verkeer van en naar ASML zal worden afgewikkeld over de Kempenbaan in de richting van de A2. [appellant] en andere hebben dit op zichzelf niet betwist. Gelet op het voorgaande heeft het college in hetgeen [appellant] en andere omtrent de rotonde Kempenbaan naar voren hebben gebracht geen aanleiding behoeven te zien aan enig onderdeel van het plan goedkeuring te onthouden.

2.5. [appellant] en andere betogen dat het plan zal leiden tot visuele hinder, gelet op de in het plan toegelaten maximum bouwhoogte van 85 meter en maximum bebouwingspercentages van 80 en 100. Zij vrezen aantasting van hun woongenot en een waardedaling van hun woning en bedrijfsgebouwen.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de belangen van [appellant] en andere niet onevenredig worden aangetast door de in het plan voorziene bouwhoogten. ASML zal niet, dan wel nauwelijks zichtbaar zijn vanaf het perceel van [appellant] en andere, aldus het college.

2.5.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, sub 2, onder a, van de planvoorschriften gelezen in samenhang met bijlage 1 van de planvoorschriften en de plankaart gelden in het plangebied maximale bouwhoogten van respectievelijk 20, 30, 55 en 85 meter. Voorts zijn op het terrein bebouwingspercentages van 50, 80 en 100 toegelaten. Het perceel van [appellant] en anderen ligt op ongeveer 170 meter van het plangebied. Voor het grootste deel van het gebied geldt een maximaal toegelaten bouwhoogte van 30 meter. Op ongeveer 330 meter van het perceel van [appellant] en andere is een maximale bouwhoogte van 55 meter toegestaan. Het deel van het terrein waar een maximale bouwhoogte van 85 meter en een maximaal bebouwingspercentage van 100 is toegelaten, ligt op ongeveer 550 meter afstand van het perceel. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat het woongenot zodanig zal worden aangetast en de waarde van de woning en de bedrijfsgebouwen van [appellant] en andere door visuele hinder dusdanig zal verminderen dat het college hieraan doorslaggevende betekenis had moeten toekennen. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat het perceel van [appellant] en andere deel uitmaakt van een bedrijventerrein en dat voor het gebied tussen dit perceel en het plangebied een maximale bouwhoogte van twintig meter is toegestaan. Voorts heeft het college belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat het plan past binnen het beleid dat erop is gericht ruimte op bedrijventerreinen binnen de stadsregio intensief te gebruiken.

2.6. [appellant] en andere betogen voorts dat het plan ten onrechte veel ruimte biedt voor milieubelastende expansie. Zij wijzen er in dit verband op dat voor de uitbreiding van ASML nog geen milieuvergunning is verleend.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor de uitbreiding van ASML.

2.6.2. Ingevolge de doeleindenomschrijving en artikel 3, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die behoren tot categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Voor deze categorie bedrijven geldt volgens deze Staat van Bedrijfsactiviteiten een richtafstand van 100 meter tot een woning. Niet is gebleken dat hieraan niet wordt voldaan. Voorts is voor de goedkeuring van het plan niet vereist dat een eventueel benodigde milieuvergunning reeds is verleend. Het college heeft kunnen volstaan met het standpunt dat de benodigde milieuvergunning voor de voorgenomen uitbreiding kan worden verleend. Gelet op het voorgaande hebben [appellant] en andere niet aannemelijk gemaakt dat er desondanks milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het plan.

2.7. [appellant] en andere vrezen dat ASML door de uitbreiding mogelijk meer trillinghinder zal ondervinden van het staalconstructiebedrijf van [appellant], waardoor de milieuvergunning van [appellant] zou kunnen worden aangescherpt.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de mogelijke trillinghinder geen gevolgen zal hebben voor [appellant]. Voorts is de milieuvergunning van [appellant] een gegeven voor ASML, aldus het college.

2.7.2. Blijkens het verweerschrift zijn in de vigerende milieuvergunning van het staalconstructiebedrijf [appellant] voorschriften opgenomen ten aanzien van trillingen. Enige overlast door trillingen voor ASML kan niet worden uitgesloten. De raad stelt zich op het standpunt dat de uitbreiding van ASML geen belemmeringen voor [appellant] zal opleveren, omdat tussen het terrein van ASML en [appellant] andere bedrijven zijn gesitueerd. Indien de voorschriften van de milieuvergunning onvoldoende bescherming bieden zal ASML hiervoor toereikende voorzieningen moeten treffen, de raad. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Voorts blijkt uit de schriftelijke uiteenzetting van ASML dat ASML reeds maatregelen treft ter voorkoming van trillinghinder. Gelet op het voorgaande heeft het college aan de mogelijke trillinghinder in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht behoeven toe te kennen.

2.8. [appellant] en andere betogen voorts dat de uitbreiding van ASML een onaanvaardbare toename van de geluidhinder vanwege het verkeer tot gevolg zal hebben. Zij wijzen in dit verband op de door het adviesbureau Peutz berekende 110 vrachtwagenbewegingen per dag.

2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van het perceel van [appellant] geen sprake zal zijn van een significante toename van geluidhinder vanwege het verkeer.

2.8.2. Uit het onderzoek van het adviesbureau Peutz naar het geluid in de omgeving ten gevolge van ASML blijkt dat het aantal verkeersbewegingen na de realisatie van het plan zal toenemen. De raad stelt zich op het standpunt dat het grootste deel van het aantal verkeersbewegingen van en naar ASML in de toekomstige situatie zal worden afgewikkeld via de hoofdentree aan de oostelijke zijde van het plangebied. Nu deze entree niet in de omgeving van het perceel van [appellant] is gelegen en de ontsluiting aan de zuidwestelijke zijde van het plangebied uitsluitend in geval van calamiteiten zal worden gebruikt, zal de uitbreiding van ASML geen relevante toename van het verkeer ter plaatse van het perceel van [appellant] met zich brengen, aldus de raad. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Gelet op het voorgaande hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de door hun ervaren geluidhinder door extra verkeersbewegingen dusdanig zal toenemen dat hieraan doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

2.9. Tot slot betogen [appellant] en anderen dat de externe veiligheid niet afdoende is gewaarborgd. Zij wijzen in dit verband onder meer op de toename van het aantal personen binnen bedoeld invloedsgebied met 300.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de uitbreiding van ASML geen verdere externe veiligheidsrisico's met zich brengt en acht de verandering van het groepsrisico voldoende verantwoord.

2.9.2. Ingenieursbureau Oranjewoud heeft onderzoek gedaan naar de invloed van het plan op het gebied van de externe veiligheid. Volgens het onderzoek voldoet de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied aan de normen van het plaatsgebonden risico en is de vereiste basisbescherming geboden. Voorts is de verandering van het groepsrisico ten opzichte van de veiligheidszone van de A67 in beeld gebracht. In verband met een mogelijke personeelstoename met 300 personen is in de plantoelichting de verandering van het groepsrisico beoordeeld en verantwoord. Blijkens het onderzoek verschuift de fN-curve richting de oriëntatiewaarde ten gevolge van een verdichting van het aantal personen binnen het invloedsgebied. De cumulatieve kans per jaar dat een (minimaal) aantal mensen tegelijkertijd slachtoffer wordt van een ongeval neemt derhalve toe door het plan. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt echter niet overschreden. Voorts blijven calamiteiten bij de bron en op het terrein van ASML voldoende bestrijdbaar en is aannemelijk dat de werknemers van ASML voldoende zelfredzaam zijn, zo luidt de verantwoording in de plantoelichting. De Afdeling acht deze verantwoording van de verandering van het groepsrisico niet onredelijk. Blijkens het verweerschrift en de bijlage bij het verweerschrift is het groepsrisico herberekend door ingenieursbureau Oranjewoud, uitgaande van een situatie waarin ASML maximaal 5000 medewerkers heeft. Uit deze aanvullende berekening blijkt dat ook wanneer wordt uitgegaan van 5000 medewerkers, de conclusie omtrent de externe veiligheid zoals vervat in de plantoelichting gehandhaafd kan blijven. Gelet op het voorgaande hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de externe veiligheid onvoldoende is gewaarborgd.

2.10. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.3.2., is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. De Afdeling ziet echter tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit omtrent goedkeuring in stand blijven.

2.11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 2 oktober 2007, kenmerk 1274167;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 840,98 (zegge: achthonderdveertig euro en achtennegentig cent), waarvan € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellant] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. J.G.C. Wiebenga, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009

177-575.