Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
200803287/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) een aanvraag van [appellante] om de afgifte van een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803287/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2371 van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2008 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) een aanvraag van [appellante] om de afgifte van een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 6 augustus 2007 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2008, verzonden op 8 april 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2008, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2008, waar [appellante] in persoon is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt onder peiljaar verstaan het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag om een toevoeging wordt gedaan.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder o, wordt onder vermogen verstaan het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder p, wordt onder heffingvrij vermogen verstaan het heffingvrij vermogen, bedoeld in de artikelen 5.5 en 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Ingevolge artikel 25, derde lid, voor zover hier van belang, verstrekt de inspecteur die bevoegd is tot heffing van belastingen van de rechtzoekende op verzoek van de raad van de rechtzoekende het verzamelinkomen of het belastbaar loon alsmede het vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen.

Ingevolge artikel 34a, eerste lid, eerste volzin, is het inkomen van de rechtzoekende het verzamelinkomen in het peiljaar. Tot het moment waarop dit inkomen door de inspecteur is vastgesteld wordt onder inkomen verstaan het bedrag dat in het peiljaar het verzamelinkomen zo goed mogelijk benadert. De raad stelt dit bedrag vast op grond van de beschikbare gegevens. Nadat de inspecteur het inkomen en vermogen in het peiljaar heeft vastgesteld, neemt de raad ambtshalve een besluit dat in de plaats komt van het eerder genomen besluit.

Ingevolge het vierde lid is het vermogen, het vermogen in het peiljaar. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt het voordeel uit sparen en beleggen gesteld op 4% (forfaitair rendement) van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (begindatum) en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar (einddatum), voor zover het gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.

Ingevolge artikel 5.5, eerste lid, bedraagt het heffingvrije vermogen ten tijde van belang € 19.252.

2.2. De raad heeft de door [appellante] gevraagde toevoeging geweigerd, omdat het vastgestelde vermogen in het peiljaar de in de Wrb genoemde financiële grenzen overschrijdt.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij over meer vermogen beschikt dan het heffingvrij vermogen. Zij voert aan dat de bij haar in eigendom zijnde woningen in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) te hoog zijn gewaardeerd door de gemeente Amsterdam, Dienst Belastingen. Deze woningen verkeren in een slechte staat, met name het pand aan de [locatie], waarvan de fundering moet worden vernieuwd. Bovendien zijn de woningen in 2003 door de Belastingdienst getaxeerd op een lager bedrag dan op de WOZ-beschikkingen is vermeld, aldus [appellante].

2.3.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, overschrijdt het door de Belastingdienst vastgestelde vermogen van [appellante] over het peiljaar 2004 het heffingvrij vermogen met een bedrag van € 110.922. Ingevolge artikel 34a, eerste lid, van de Wrb gelezen in samenhang met het vierde lid van deze bepaling, was de raad gehouden uit te gaan van dit door de Belastingdienst vastgestelde vermogen. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd met betrekking tot de waarde van haar panden, heeft de raad dan ook terecht bij de beoordeling van de aanvraag om een toevoeging buiten beschouwing gelaten.

2.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante] gevraagde toevoeging diende te worden geweigerd, omdat het vastgestelde vermogen in het peiljaar de in de Wrb genoemde financiële grenzen overschrijdt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009

97-581.