Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
200800347/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) zowel ingevolge artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) als ingevolge artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ede (hierna: de raad) bij besluit van 12 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Woongebied Kernhem" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 4a
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Wet op de Ruimtelijke Ordening 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/134
ABkort 2009/62
JM 2009/31 met annotatie van Jong
JOM 2009/166
OGR-Updates.nl 09-52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800347/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

2. de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg, gevestigd te Ede,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) zowel ingevolge artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) als ingevolge artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ede (hierna: de raad) bij besluit van 12 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Woongebied Kernhem" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2008, en de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg (hierna: de vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2008, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). [appellant sub 1] en anderen, de vereniging en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2008, waar [appellant sub 1] en anderen, in de persoon van [appellant sub 1], de vereniging, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam en bijgestaan door ir. J.A. de Jong, ir. M.E. van den Berg, G.G.H. Rijkse, L.G.A.M. van Duren en T.M. Driever.

2. Overwegingen

algemeen

2.1. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het woongebied Kernhem dat aan de rand van Ede ligt. In de plantoelichting wordt onderscheid gemaakt tussen vlek A en vlek B van dit woongebied. Vlek A is grotendeels gerealiseerd met toepassing van artikel 19 van de WRO en voorziet in de bouw van ongeveer 1.100 woningen. Vlek B is nog niet gerealiseerd en heeft een capaciteit van ongeveer 1.920 woningen. In het plan zijn in zoverre uit te werken bestemmingen opgenomen.

Het plan voorziet verder in een baanverdubbeling van de N224, een ecologische zone en een warmtecentrale.

juridisch kader

2.1.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

inspraak

2.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de inspraak naar aanleiding van het voorontwerp voor het plan niet zorgvuldig is verlopen, overweegt de Afdeling dat de wijze waarop een bestemmingsplan wordt voorbereid en vastgesteld is vastgelegd in de WRO. Ingevolge die wet vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Het bieden van inspraak in de daaraan voorafgaande fase maakt derhalve geen onderdeel uit van de in de WRO geregelde procedure, zodat de wijze waarop de inspraak in die fase is verlopen geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van het bestemmingsplan en de daaruit voortvloeiende besluiten en niet ter toetsing van de Afdeling staat. Niet gebleken is dat in dit geval bij de totstandkoming van het plan niet aan de procedurevoorschriften van de WRO is voldaan.

Het hierop betrekking hebbende betoog faalt derhalve.

milieueffectrapportage

2.3. [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd dat in dit geval ten onrechte genoegen is genomen met het aan de "Partiële herziening inzake Kernhem-Ede" van het Streekplan Gelderland 1996 van 12 september 2001 ten grondslag gelegde milieueffectrapport (hierna: MER). De daarin vastgelegde informatie is onvoldoende actueel, onvoldoende gedetailleerd, onvoldoende overzichtelijk en is niet gebaseerd op daadwerkelijke alternatieven. Zo zijn bij de inschatting van het gebied voor wat betreft de waterhuishouding aannames gedaan over de woningdichtheid, terwijl deze inschatting nadien verhoogd is.

Van de zijde van de vereniging is aangevoerd dat met de vaststelling op 29 juni 2005 van het Streekplan Gelderland 2005 de voorheen geldende "Partiële herziening inzake Kernhem-Ede" van het Streekplan Gelderland 1996 is vervallen en daarmee ook de daarin vervatte concrete beleidsbeslissing. Derhalve is, aldus de vereniging, het plan de eerste beslissing die de bouw van 3500 woningen mogelijk maakt en had een nieuwe milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) moeten worden uitgevoerd. Daarbij had wellicht nog voor wat betreft de locatiekeuze met een actualisering van de oude rapportage kunnen worden volstaan, maar ten aanzien van een groot aantal inrichtingsaspecten, als de waterhuishouding, de warmwatervoorziening, luchtkwaliteit en inrichting van de groenstructuur, had een nieuw MER moeten worden opgesteld, aldus de vereniging.

2.3.1. Van de zijde van het college is uiteengezet dat in het kader van de "Partiële herziening inzake Kernhem-Ede" van het streekplan Gelderland 1996 een m.e.r.-procedure is doorlopen. Deze partiële herziening, waarin de woningbouwlocatie Kernhem is aangegeven als concrete beleidsbeslissing, was het eerste ruimtelijke plan waarin de onderhavige woningbouw werd voorzien, waarna voor wat betreft vlek A toepassing werd gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO. Nu in het kader van de streekplanherziening was voldaan aan de verplichting om een MER te maken, was voor het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan geen nieuwe m.e.r. nodig. De nadien uitgevoerde vervolgonderzoeken hebben voorts de voor de beoordeling van het plan benodigde actuele informatie opgeleverd, aldus het college.

2.3.2. Bij Wet van 5 juli 2006 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG L 197) (milieu-effectrapportage plannen) (Stb. 2006, 336) is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer gewijzigd. Deze wijziging is in werking getreden op 28 september 2006. Voor bestemmingsplannen die zijn aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 7.2, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals - waar ten dele sprake is van een zogenoemd eindplan - het onderhavige bestemmingsplan, is in de Wet van 5 juli 2006 geen overgangsrecht opgenomen. Hieruit volgt, zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in de uitspraak van 28 mei 2008, in zaak nummer 200608226/1, dat ten aanzien van dergelijke plannen, indien het besluit omtrent goedkeuring is genomen na 28 september 2006, toepassing moet worden gegeven aan hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer zoals dat luidt met ingang van 28 september 2006.

2.3.3. Gelijktijdig met evenbedoelde wijziging van de Wet milieubeheer is in werking getreden een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage 1994 (hierna: het Besluit).

Ingevolge artikel 7.2, derde lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, vierde lid, van het Besluit moet een m.e.r. voor besluiten worden uitgevoerd voor de categorieën van besluiten die zijn omschreven in kolom 4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit.

Ingevolge onderdeel C, categorie 11.1, van de bijlage bij het Besluit moet een m.e.r. worden uitgevoerd voor de bouw van woningen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en, voor zover hier van belang, 2.000 of meer woningen omvat buiten de bebouwde kom. In kolom 4 is als aangewezen besluit genoemd de vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WRO, dan wel bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 10 van de WRO dat in de bouw voorziet.

Vóór de inwerkingtreding van evenbedoeld wijzigingsbesluit was in artikel 7.2, derde lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit vastgelegd dat een milieueffectrapportage voor besluiten moest worden uitgevoerd voor de categorieën van besluiten die in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit zijn vermeld. Daarbij was in onderdeel C, categorie 11.1, van de bijlage vastgelegd dat een m.e.r. moest worden uitgevoerd bij het besluit tot vaststelling van het eerste ruimtelijke plan dat in de bouw voorzag van woningen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en, voor zover hier van belang, 2.000 of meer woningen omvatte buiten de bebouwde kom.

Onder ruimtelijk plan waren daarbij onder meer een streekplan en een bestemmingsplan begrepen.

2.3.4. Ten aanzien van een ruimtelijke ontwikkeling van meer dan 2.000 woningen in een aaneengesloten gebied buiten de bebouwde kom - als waarvan thans sprake is - was derhalve vóór de wijziging van het Besluit een m.e.r. voor besluiten voorgeschreven bij de vaststelling van een streekplan dat een concrete beleidsbeslissing ter zake inhield.

Na de wijziging van het Besluit dient voor de vaststelling van een streekplan dat in een dergelijke activiteit voorziet niet een m.e.r. voor besluiten, maar een m.e.r. voor plannen te worden uitgevoerd. Een m.e.r. voor besluiten dient ter zake van deze activiteit te worden uitgevoerd voor de vaststelling van een uitwerkingsplan of bestemmingsplan.

2.3.5. Artikel II van het Besluit van 16 augustus 2006 tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage 1994 (Stb 2006, 388) bevat overgangsrecht voor de situatie waarin onder het nieuwe recht de verplichting om een m.e.r. voor besluiten uit te voeren is verschoven van de vaststelling van een bestemmingsplan naar de vaststelling van een uitwerkingsplan.

In het specifiek op artikel II van het wijzigingsbesluit betrekking hebbende deel van de toelichting is uitdrukkelijk gesteld dat het de bedoeling is geweest om ten aanzien van m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten maar één m.e.r. te maken ten behoeve van een besluit. Nu een tweede m.e.r.(beoordeling) in dit soort situaties geen toegevoegde waarde zou hebben en slechts zou leiden tot onnodige administratieve en bestuurlijke lasten, is middels overgangsrecht bepaald dat geen m.e.r. hoeft te worden uitgevoerd voor bijvoorbeeld het uitwerkingsplan van een bestemmingsplan, indien voor dat bestemmingsplan op grond van het voorheen geldende Besluit al een MER is gemaakt, aldus de toelichting.

Op geen enkele wijze blijkt dat bij de wijziging van het Besluit is bedoeld ten aanzien van de overheveling van de verplichting om een zogenoemde besluit-m.e.r. uit te voeren van een streekplan naar een bestemmingsplan een andere keuze te maken dan de keuze zoals die is gemaakt in de vorm van de overheveling van de verplichting om een besluit-m.e.r. op te stellen van een bestemmingsplan naar een uitwerkingsplan. Nu voorts de onderliggende reden voor het opstellen van overgangsrecht - het ontbreken van een toegevoegde waarde en onnodige administratieve lasten indien het nieuwe recht onverkort zou worden ingevoerd, zonder rekening te houden met een al eerder uigevoerde besluit-m.e.r. - zich in gelijke mate doet gevoelen, brengt een redelijke toepassing van het aan de wijziging van het Besluit verbonden overgangsrecht met zich dat dit overgangsrecht ook moet worden geacht betrekking te hebben op de situatie waarin een bestemmingsplan wordt vastgesteld en waarin op grond van het voorheen geldende Besluit al eerder, ten behoeve van een in een streekplan vervatte concrete beleidsbeslissing, een besluit-m.e.r. is uitgevoerd.

2.3.6. Bij de op 12 september 2001 vastgestelde "Partiële herziening inzake Kernhem-Ede" van het Streekplan Gelderland 1996 is een woningbouwlocatie voor maximaal 3.500 woningen aangewezen. In de op deze streekplanherziening betrekking hebbende uitspraak van 1 mei 2002, inzake nummer 200105355/1, heeft de Afdeling onder meer geoordeeld dat evenbedoelde streekplanherziening het eerste ruimtelijke plan is dat in de mogelijkheid van woningbouw voorziet en dat de beroepsgronden betreffende het MER en de m.e.r.-procedure geen doel treffen, en heeft zij, voor zover hier van belang, het beroep van de vereniging tegen de in de partiële herziening vervatte concrete beleidsbeslissing ongegrond verklaard.

Nu het aan de orde zijnde bestemmingsplan, dat onderdeel is van dezelfde activiteit op dezelfde locatie, in dit geval niet kan worden aangemerkt als het eerste besluit dat voorziet in een deel van de m.e.r.-plichtige activiteit, bestond er geen verplichting meer om voor dit plan een m.e.r. uit te voeren. Van enig, pas bij het plan opgekomen en niet al eerder voorzien, onderdeel waarvoor een zelfstandige plicht gold om een MER op te stellen is de Afdeling niet gebleken.

Dat de betreffende concrete beleidsbeslissing niet meer voorkomt in het nieuwe streekplan maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is dat de realisering van de nieuwe wijk niet langer door het provinciaal bestuur wordt voorgestaan. Veeleer is, waar het Streekplan Gelderland 2005 Kernhem wel noemt als een van de grotere nieuwe woningbouwlocaties en voorts bouwvergunningen voor woningen in vlek A bij de uitspraak van de Afdeling in zaak nummer 200300658/1 van 24 september 2003 onherroepelijk zijn geworden, aannemelijk dat bij de vaststelling van het nieuwe streekplan als uitgangspunt heeft gegolden dat de woningbouw reeds tot uitvoering was gekomen.

De betogen falen derhalve.

noodzaak woningbouw

2.4. De vereniging en [appellant sub 1] en anderen stellen zich op het standpunt dat geen behoefte bestaat aan nieuwe woningbouw. Voor zover er al niet sprake is van een woningoverschot in de gemeente, zal rond 2015 geen behoefte meer bestaan aan woningbouw anders dan ter vervanging van bestaande woningen. Bovendien sluit volgens hen de aard van de bebouwing niet aan bij de in de toekomst noodzakelijke woningbouw.

2.4.1. Van de zijde van de raad is gesteld dat het inwonertal van de gemeente Ede tussen 2005 en 2015 met 10.000 zal groeien, hetgeen resulteert in een behoefte aan 8.400 woningen.

2.4.2. In het deskundigenbericht is, onder verwijzing naar de Bevolkingsprognose Gelderland 2007 van februari 2007, vermeld dat het aantal huishoudens in de Gelderse vallei en het aantal inwoners in Ede tot 2040 zullen blijven groeien, waarbij de bevolkingsgroei in Ede zal liggen tussen de 5 en 15%. Met de geraamde woningbouwaantallen zal de gemeente Ede de door de provincie gestelde woningbouwopgave ook niet overschrijden, aldus het deskundigenbericht.

2.4.3. De Afdeling ziet, mede gelet op hetgeen ter zake in het deskundigenbericht is vermeld, in het door de vereniging en [appellant sub 1] en anderen in dit verband aangevoerde geen aanleiding te twijfelen aan de door de raad en het college gestelde behoefte aan nieuwe woningen. Uit de stukken komt voorts naar voren dat de behoefte om nieuwe woningbouw in vlek B te realiseren mede verband houdt met het tekort aan zogenoemde sociale woningbouw in Ede, terwijl een deel van de nieuwe woningbouw in die vlek bovendien nodig is voor de opvang van bewoners van de te herstructureren wijken Veldhuizen en Uitvindersbuurt.

De betogen falen derhalve.

de ecologische zone

2.5. De vereniging voert aan dat niet wordt voldaan aan de partiële herziening van het Streekplan Gelderland 1996 van 21 september 2001 en het aan deze partiële herziening ten grondslag gelegde milieu-effectrapport, nu langs de Doesburgerdijk geen ecologische zone met een breedte van 90 meter zal worden aangelegd.

Nu is, aldus de vereniging, slechts een 50 meter brede zone (ten zuiden van de Doesburgerdijk) als zodanig bestemd. Aangezien op sommige plaatsen ten noorden van de Doesburgerdijk bebouwing aanwezig is, zal op die plaatsen niet een 40 meter brede strook aanvullend mogelijk zijn. Verder liggen de woningen aan de Braamberg met de achtergevel op slechts 75 centimeter van de grens met de ecologische zone, zodat slechts optisch en niet effectief van een ecologische zone over de volle breedte van 90 meter sprake zal zijn.

Van de zijde van [appellant sub 1] en anderen is aangevoerd dat de effectieve breedte van de ecologische zone volgens de door de Afdeling in 2003 gewezen uitspraak 90 meter dient te zijn. De 40 meter aan de noordzijde kan niet worden benut, gezien de aldaar aanwezige bebouwing en het voortgaande gemeentelijke beleid tot bevriezing en niet van afbraak van de aanwezige bebouwing.

2.5.1. De Afdeling heeft bij haar uitspraak van 24 september 2003, inzake nummer 200300658/1, onder meer als volgt geoordeeld:

"Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven minimale breedte van de ecologische zone langs de Doesburgerdijk ten onrechte heeft ontleend aan de "Partiële herziening inzake Kernhem-Ede", een partiële herziening van het "Streekplan Gelderland 1996".

Dat betoog faalt. In de partiële herziening, in het kader waarvan is voldaan aan de verplichting een milieu-effectenrapportage op te stellen, staat: "Om de overgang naar het waardevolle gebied ten noorden van de Doesburgerdijk op ecologisch verantwoorde wijze gestalte te kunnen geven, zal in het noordelijk gedeelte van het woongebied Kernhem een ecologische zone van voldoende breedte (ten minste 50 m) moeten worden ingepast".

Dat uit de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2002 in zaak nr. 200105355/1 valt af te leiden dat deze passage geen onderdeel uitmaakt van de in de partiële herziening vervatte concrete beleidsbeslissing, betekent niet dat het college deze passage niet als richtsnoer bij zijn besluitvorming mocht hanteren. Verder heeft het college die passage terecht zo opgevat, dat een minimaal 50 m brede ecologische zone tussen de Doesburgerdijk en het woongebied voldoende is geacht. De verleende vrijstellingen staan niet in de weg aan een verbreding van de ecologische zone aan de noordzijde van de dijk tot de door appellanten noodzakelijk geachte 90 m.

De verwijzing door appellanten naar het bestemmingsplan "Kernhem", waarin volgens hen op basis van onderzoek is vastgelegd dat de ecologische zone 90 m breed moet zijn, treft geen doel, reeds omdat daaraan geen rechtskracht toekomt na de onthouding van goedkeuring door de Afdeling bij uitspraak van 21 december 2000 in zaak nr. E01.98.0364. Overigens was in de daarin opgenomen zone voorzien in woningbouw aan de zuid- én de noordzijde van de Doesburgerdijk en moest de zone aan de zuidzijde een minimale breedte van 50 m hebben. De bij de onderhavige bouwplannen aangehouden breedte van 50 m brengt dus geen versmalling met zich ten opzichte van voormeld plan."

2.5.2. Weliswaar gold ten tijde van het bestreden besluit het Streekplan Gelderland 2005, waarin geen concrete beleidsbeslissing meer was opgenomen, doch dat betekent niet dat aan vorenstaande overwegingen geen betekenis meer toekomt.

In hetgeen de vereniging en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan de uitspraak van 24 september 2003 geen betekenis meer toekomt. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen omtrent een 90 meter brede zone berust op een onjuiste lezing van die uitspraak. Voorts is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden, die niet eerder ter toets hebben gestaan, en evenmin dat een zone ter breedte van 50 meter niet meer haalbaar is.

In de enkele omstandigheid dat de bestemming "Tuin" direct grenst aan de voor ecologische zone bestemde gronden en op een aantal plaatsen bouwvlakken zijn ingetekend waar - schuin weglopend - tot op korte afstand van de ecologische zone bebouwing kan verrijzen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de zone als onvoldoende effectief had moeten kenschetsen en deswege aan het daarop betrekking hebbende plandeel goedkeuring had moeten onthouden.

De betogen falen derhalve.

flora en fauna

2.6. De vereniging vreest voor de nadelige gevolgen die de baanverdubbeling van de N224 volgens haar kan hebben voor vleermuizen. Verder worden volgens haar onvoldoende maatregelen getroffen om nadelige gevolgen voor vleermuizen in vlek B te voorkomen.

Hiertoe voert zij aan dat aan de noordzijde van het bestaande tracé van de N224 oude eikenbomen moeten worden gekapt. Weliswaar worden jonge bomen bijgeplant, maar de verbindingsfunctie en de foerageerfunctie van de bestaande eiken zullen verminderen, aldus de vereniging. Bovendien was toegezegd dat, alvorens tot kap van de bomen zou worden overgegaan, de ecologische waarde daarvan zou worden beoordeeld. Ten onrechte is, aldus de vereniging, die toezegging niet in de planvoorschriften vastgelegd.

Eerst na het bestreden besluit heeft nader onderzoek plaatsgevonden, waarvan op 28 december 2007 rapport is opgemaakt, welk rapport derhalve bij de toetsing van dat besluit buiten beschouwing moet worden gelaten.

Ook is naar stellen van de vereniging ten onrechte een beoordeling van de effecten op vleermuizen in vlek B achterwege gebleven. Weliswaar is in vlek B de naast de A30 gelegen waterplas de Slenk opgevoerd als compensatie, maar de ecologische zones in dat gedeelte van het plangebied zijn noord-zuid gericht, zodat daar geen op de Slenk gerichte corridors aanwezig zijn.

Daarnaast stelt de vereniging dat het plan ertoe heeft geleid dat de habitat van de rouwmantel, welke vlinder in 1998 op een locatie in vlek A is aangetroffen, is vernietigd. Onjuist is de stelling dat deze vlinder spontaan is verdwenen.

In haar reactie op het deskundigenbericht heeft de vereniging nog gewezen op de waarde van de ecologische zone voor dassen. Ter zitting heeft zij hier aan toegevoegd dat de aanwezigheid van dassen in het plangebied inmiddels is aangetoond. In vlek B is een drietal dassenburchten aangetroffen, waarvan twee bewoonde, aldus de vereniging.

2.6.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had mogen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.6.2. Met als resultaat een op 9 augustus 2001 uitgebracht rapport "Toetsing woningbouwlocatie Kernhem aan de natuurwetgeving" heeft onderzoek plaatsgevonden naar de ter plaatse voorkomende flora en fauna, welk onderzoek met name ten aanzien van vlek B is geactualiseerd bij rapport van 20 oktober 2006, getiteld "Actualisatie toetsing Kernhem Vlek B aan de natuurwetgeving".

2.6.3. In het deskundigenbericht is gesteld dat, gezien de bestemmingen en de uitvoeringsplannen, niet gesproken kan worden van een ernstige bedreiging van de vliegroutes van vleermuizen langs (de beplantingen langs) de N224. Gezien het geringe aantal bomen dat gekapt moet worden, is het, aldus het deskundigenbericht, niet noodzakelijk nog extra onderzoek te laten uitvoeren naar de ecologische waarde van de te kappen bomen voor de vliegroutes van vleermuizen. De te verwachten effecten van de kap van enkele bomen (onder gelijktijdig behoud van andere bomenrijen en het toevoegen van nog meer bomenrijen) zijn daarvoor te gering, aldus het deskundigenbericht. Voorts is blijkens het deskundigenbericht voorzien in een oost-west-verbinding, in de vorm van een afwateringssloot die uitmondt in een waterberging in de Slenk, waarlangs in vlek A al een grote bomenrij aanwezig is.

Ten aanzien van de rouwmantel is in het deskundigenbericht nog gesteld dat algemeen wordt aangenomen dat deze grotendeels uit Nederland is verdwenen, maar nog wel als zogenoemde dwaalgast voorkomt. Ook in het onderzoek "Inventarisatie van Flora en Fauna van de Doesburgerbuurt in 1996", samengesteld onder auspiciën van de KNVV, afdeling Wageningen e.o., kan, aldus dit bericht, een bevestiging worden gevonden dat de rouwmantel in het gebied geen vaste verblijfplaats had.

2.6.4. Blijkens de stukken, zoals ter zitting nader toegelicht, is het uitgangspunt van de baanverdubbeling van de N224 dat de bestaande bomenrijen behouden blijven. De bestaande bomenrij aan de noordzijde blijft in stand als middenberm; ten noorden van het wegtracé zal een nieuwe bomenrij worden aangeplant. Alleen ter plaatse van de ontsluiting van vlek B zal op een tweetal plaatsen doorbreking van de bomenrij plaatsvinden. Dit is ook in het op de betreffende gronden van toepassing zijnde artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften tot uitdrukking gebracht. Ingevolge dit planvoorschrift zijn de op de plankaart als "Verkeersdoeleinden (V)" aangewezen gronden mede bestemd voor behoud, versterking en/of herstel van de landschappelijke en natuurwaarde van de binnen deze bestemming aanwezige houtopstanden (laanbeplantingen).

In het rapport "Actualisatie toetsing Kernhem vlek B aan de natuurwetgeving" van Arcadis van 20 oktober 2006 wordt de verwachtingswaarde van vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen in vlek B laag ingeschat. Met name de beplanting langs de Doesburgerdijk en de oude bosstrook aan de oostzijde van vlek B vormen vliegroutes voor de laatvlieger en in mindere mate voor de gewone dwergvleermuis. Blijkens dit rapport is tevens sprake van een vliegroute voor de laatvlieger vanaf de Doesburgerdijk in zuidelijke richting. Vast staat dat de bosstrook aan de oostzijde van vlek B als zodanig is bestemd, nu plankaart 2 aan de desbetreffende gronden de bestemming "Houtwal/houtopstanden (Nh)" toekent. De beplanting langs de Doesburgerdijk zal, zoals hiervoor is overwogen, worden omgevormd tot een ecologische zone met een breedte van minimaal 50 meter. Vast staat verder dat het plan voorziet in het behoud van een aantal bestaande houtwallen en de aanleg van een voor vleermuizen aantrekkelijke waterpartij - genoemd de Slenk - aan de westzijde van vlek B. Daartoe kent plankaart 2 aan de gronden met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen (UW(bv))" in enkele gevallen tevens de aanduiding "houtwal" dan wel de aanduiding "Slenk" toe.

In evengenoemd rapport is voorts gesteld dat het mogelijk is dat de das het plangebied incidenteel gebruikt als foerageergebied, aangezien er een dassenslachtoffer uit 1993 bekend is aan de Doesburgerdijk, ten noordoosten van het plangebied. Sporen van de das zijn in het plangebied tijdens het veldonderzoek niet aangetroffen, aldus het rapport. In hetgeen de vereniging heeft gesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat voor het college kenbaar moest zijn dat het onderzoek in zoverre niet zorgvuldig zou zijn geweest. Dat, naar gesteld, inmiddels wel de aanwezigheid van de das ter plaatse is aangetoond, maakt dat niet anders.

Evenmin is de Afdeling gebleken dat de in het deskundigenbericht ten aanzien van de rouwmantel getrokken conclusies onjuist zijn.

Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen de vereniging heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet in zoverre niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Overigens heeft na het bestreden besluit, conform de door de vereniging bedoelde toezegging, nog nader onderzoek plaatsgevonden. Er is geen grond voor het oordeel dat een verplichting tot het houden van een dergelijk onderzoek bij het plan diende te worden vastgelegd op de wijze zoals door de vereniging gesteld.

De betogen falen derhalve.

 

waterhuishouding

2.7. Van de zijde van de vereniging is aangevoerd dat het reeds bestaande deel van de wijk, vlek A, te maken heeft met ernstige wateroverlast. In de wijk moet worden gebouwd zonder kruipruimten en al bij niet extreme neerslag komen delen van de wijk blank te staan. De grond is dermate drassig dat in vochtige periodes vrachtwagens die naast de weg terecht komen in de grond wegzakken. Voorheen werd van gemeentewege uitgegaan van maximaal eens per twee jaar water op de straat, nu is dat al bijgesteld tot zeven keer per jaar. Door het gebied verder te verharden, zal dit nog ernstiger worden, aldus de vereniging. In de oorspronkelijke opzet was het de bedoeling gebiedswater binnen het gebied te laten inzijgen om de ecologische verbindingen niet in gevaar te laten komen. Nu geeft de gemeente aan dat inzijgkorven zullen worden ingegraven, is er reeds een afvoersloot in vlek A aangelegd en moet sinds jaar en dag gepompt worden om het water weg te werken. Doordat de grondwaterstand stelselmatig hoger is dan in het oorspronkelijke bestemmingsplan was aangenomen, is geen sprake van drainage in de wijk. De gegevens waarop een en ander is gebaseerd, zijn ook volstrekt verouderd, aldus de vereniging.

[appellant sub 1] en anderen hebben hier aan toegevoegd dat 7 maanden per jaar sprake is van een grond- en regenwaterstand op maaiveldhoogte. Een en ander wordt veroorzaakt door een te hoge grondwaterstand in combinatie met de slechte infiltratiecapaciteit van de bodem. Voor vlek B was eerst een infiltratievijver voorzien, maar wordt nu gesproken over een bergingsvijver. Verder is bij de berekeningen uitgegaan van gebruik van regenwater als huishoudwater, maar is dit project geschrapt, en is er geen zogenoemd first flush systeem aangelegd, waardoor deze neerslag in het gebied zelf moet worden opgevangen en niet via de riolering wordt afgevoerd. Ook is er een aantal ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied geweest waardoor de bodem van het plangebied meer water moet bergen dan voorzien, zoals de aanleg van de A30, verminderde grondwateronttrekking, een toename van de neerslagintensiteit en doorboring van een leemlaag.

In het Derde Waterhuishoudingsplan Gelderland 2005-2009 wordt aangegeven dat in fluctuatiegebieden, waartoe ook het plangebied behoort, een forse verhoging van de grondwaterstand wordt verwacht. Inmiddels is gebleken dat de watertoets heeft gefaald. De gemeente besteedt hieraan evenwel ten onrechte geen aandacht, aldus [appellant sub 1] en anderen.

2.7.1. Het college heeft, onder verwijzing naar de commentaarnota zienswijzen, gesteld dat aan het plan een deugdelijke watertoets ten grondslag ligt. Daarbij zijn uitgebreide studies verricht naar de (geo)hydrologische situatie en heeft uitvoerig overleg met de waterbeheerder plaatsgevonden. De daarbij besproken en geaccordeerde afspraken zijn vastgelegd in de van de toelichting deel uitmakende waterparagraaf. Er is voorts een ambtelijk advies uitgebracht waaruit blijkt dat het plan is getoetst aan het Derde waterhuishoudkundige plan van de provincie.

Als uitgangspunt voor het waterhuishoudkundig systeem heeft gefungeerd een duurzame omgang met hemel- en grondwater, waarbij water zo veel mogelijk wordt vastgehouden, vervolgens geborgen in oppervlaktewateren en eerst dan wordt afgevoerd naar het landelijk gebied. Als uitgangspunt bij het ontwerp heeft gestaan dat maximaal zeven maal per jaar water op de straat mag staan, welke situatie slechts kort van duur zal zijn. In vlek B is niet gekozen voor infiltratie van hemelwater, in verband met de hogere grondwaterstand van dat gebied.

2.7.2. Uit het deskundigenbericht komt naar voren dat een belangrijke doelstelling van het plan is om een duurzame waterhuishouding te ontwerpen, waarbij regenwater nuttig wordt gebruikt voor bijvoorbeeld grondwateraanvulling. Hemelwaterafvoer is daarbij afgekoppeld van het rioleringstelsel. In vlek A wordt zo veel mogelijk geïnfiltreerd, waarbij overtollig water wordt afgevoerd in de centrale watergang. In vlek B, waar de grondwaterstand van het plangebied het hoogst is, wordt de hemelwaterafvoer aangesloten op een afzonderlijk regenwaterriool.

Blijkens het deskundigenbericht zijn uitdrukkelijke keuzes gemaakt voor het waterhuishoudkundig systeem, waarvan niet gezegd kan worden dat deze berusten op onvoldoende onderzoek of inzicht. Aan de technische uitwerking van het systeem is zeer veel aandacht besteed, waarbij alle aspecten aan de orde zijn geweest, aldus dit bericht. Voorts wordt in dit bericht gesteld dat, anders dan [appellant sub 1] en anderen hebben betoogd, het systeem bij hoge grondwaterstanden niet infiltreert maar draineert.

Een deel van de klachten over de waterhuishouding vloeit, aldus het deskundigenbericht, voort uit het feit dat bewoners van de wijk zich er kennelijk onvoldoende van bewust waren met welk waterhuishoudkundig systeem in Kernhem zou worden gewerkt. Voorts is, aldus het deskundigenbericht, voor bewoners onvoldoende duidelijk wat men precies van dat systeem kan verwachten en hoeveel keer per jaar water op de straat moet worden geaccepteerd. Anderzijds ontbreekt een duidelijke definitie van het begrip "water op de straat", terwijl bovendien geen systematische, voldoende monitoring plaatsvindt van het functioneren van het systeem en eventueel ondervonden overlast, zo stelt het deskundigenbericht.

2.7.3. In artikel 8, derde lid, onder c, sub 1, van de planvoorschriften zijn de algemene uitgangspunten van het plan met betrekking tot de waterhuishouding vastgelegd, met als hoofduitgangspunt een duurzame waterhuishouding. Gelet op al hetgeen ter zake is gesteld in het deskundigenbericht, heeft hetgeen de vereniging en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd de Afdeling niet tot het oordeel gebracht dat deze van meet af aan in de plannen meegewogen en bewust gemaakte keuze op zich tot onevenwichtige resultaten leidt. Weliswaar is aannemelijk dat deze keuze tot enige beperkingen voor de bewoners kan leiden, doch niet aannemelijk is geworden dat deze nadelen zodanig zwaarwegend zijn dat het college om deze reden goedkeuring aan het plan had moeten onthouden.

Gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in het door de vereniging en [appellant sub 1] en anderen gestelde geen aanleiding om aan te nemen dat de technische keuzes voor de uitwerking en toepassing hiervan, voor zover een en ander zijn neerslag heeft gevonden in het plan en de daarbij behorende voorschriften, berusten op onjuiste of verouderde inzichten. In dit verband wijst de Afdeling er op dat zij niet kan treden in de wijze waarop het plan in de praktijk is uitgevoerd, gemonitord en beheerd, hoezeer ook aannemelijk is dat de gevolgen daarvan aanzienlijk kunnen zijn, nu dit alles niet het plan zelf betreft.

De betogen falen derhalve.

de warmtecentrale, voorzien op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden, nutsvoorzieningen -Mn-", ter plaatse van het Hogewout en de gastoevoerleiding ten behoeve van die centrale

2.8. [appellant sub 1] en anderen voeren onder meer aan dat de op de betrokken locatie aanwezige warmtecentrale destijds is opgericht middels een tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WRO. De locatie was een tijdelijke, in afwachting van een project voor warm water, afkomstig van restwarmte van de Enka-fabriek elders in de gemeente Ede. Al in 2002 werd duidelijk dat de Enka haar fabriek zou sluiten, zodat naar alternatieven zou moeten worden gezocht. Nadien is, in strijd met alle daarvoor op grond van artikel 17 van de WRO geldende termijnen, niets gebeurd. Nu wil de raad de tijdelijke locatie omzetten in een definitieve, terwijl in de directe omgeving van de locatie woningen en scholen tot stand zijn gekomen.

Voorts is, aldus [appellant sub 1] en anderen, in een voorbereidingsnotitie van de gemeente een veiligheidsnorm van 30 meter gehanteerd, welke afstand bij lange na niet wordt gehaald. Binnen deze afstand liggen een school en een kinderdagverblijf. Weliswaar is in nadere stukken sprake van een afstand van 15 meter, namelijk tot het gasreduceerstation van de warmtecentrale, maar ook die afstand wordt niet gehaald. In verband met ruimteproblemen wordt de ruimte tussen de school en de warmtecentrale namelijk gebruikt als schoolplein; daartoe is ook een huurovereenkomst opgesteld. De afstand van het gasreduceerstation tot het als schoolplein ingerichte terrein bedraagt 4 meter. Ook ten opzichte van andere omliggende functies wordt de norm-afstand niet gehaald.

Verder hebben [appellant sub 1] en anderen en de vereniging gesteld dat de warmtecentrale zal worden ingezet ten behoeve van de vlekken A en B, zodat sprake is van stadsverwarming. Ook in steden waar sprake is van stadsverwarming is er geen sprake van één enkele centrale voor de hele stad. Gelet hierop, zo stellen zij onder verwijzing naar de brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de brochure) van de Vereniging van Nederlandse gemeenten en het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer van december 2006, dient uit veiligheidsoverwegingen een afstand van 50 meter tot gevoelige bestemmingen te worden aangehouden, welke afstand bij lange na niet wordt gehaald.

Van de zijde van [appellant sub 1] en anderen is ten slotte nog aangevoerd dat - in tegenstelling tot de situatie in bijvoorbeeld de gemeente Enschede - ten onrechte een veiligheidszone voor de gastoevoerleiding voor de warmtecentrale ontbreekt. De vereniging heeft in dit verband gesteld dat in het plan een aanlegvergunningenstelsel had moeten worden opgenomen met betrekking tot de aardgastoevoerleiding, ter bescherming tegen graafschade.

2.8.1. Het college heeft uiteengezet dat met het onmogelijk worden van het afnemen van restwarmte van de Enka-fabriek een nieuwe situatie is ingetreden ten aanzien van de destijds voorziene tijdelijkheid van de warmtecentrale. Voor de definitieve situering en uitvoering van de warmtecentrale zijn op 23 maart 2007 onder meer de rapporten "Beoordeling externe veiligheidsaspecten en Warmtecentrale geluid" tot stand gekomen. Gelet op de in deze rapporten uitgevoerde berekeningen is de verwachting gerechtvaardigd dat met betrekking tot de veiligheid met het nemen van maatregelen tot aanvaardbare oplossingen kan worden gekomen.

De raad stelt zich op het standpunt dat karakteristiek voor vlek A is dat de woningen zijn aangesloten op een collectief warmtenet, dat gevoed wordt vanuit een gasgestookte wijkverwarming en door pompeenheden voor warmwaterdistributie. Nu het hier een voorziening betreft ten behoeve van de woonwijk zelf, is de voorziening passend te achten binnen de woonomgeving. Ten aanzien van de veiligheid stelt de raad zich op het standpunt dat de warmtecentrale op de geplande locatie niet leidt tot onaanvaardbare risico's. Maatgevende afstand voor de beoordeling van risico's is het gasreduceerstation, waarvoor binnen het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden, nutsvoorzieningen -Mn-" een aparte aanduiding op de plankaart is aangebracht en dat op minimaal 15 meter van omliggende functies dient te liggen, zoals de basisschool, de schoolwoningen en de woningen. Niet de begrenzing van het gebouw maar die van het terrein is hier bepalend, aldus de raad.

2.8.2. In het deskundigenbericht is gesteld dat het weggedeelte dat tussen de warmtecentrale en de school ligt en zal liggen een zogenoemde "eigen weg" is en de bestemming "Verblijfsgebied, auto's toegestaan" heeft gekregen. De betreffende gronden zijn thans voorzien van draaihekken, zodat de schoolkinderen tijdens de buitenspeeltijden de weg als schoolplein kunnen gebruiken.

In de brochure wordt voor gasgestookte warmwatervoorzieningsinstallaties voor stadsverwarming in verband met optredend gevaar een afstand van 50 meter geïndiceerd tot gevoelige bestemmingen; voor installaties die dienen voor blokgasverwarming, gasdrukregel- en meetruimten (zoals het gasreduceerstation) kan een afstand van 10 meter volstaan. Op grond van de brochure mag, aldus het deskundigenbericht, worden aangenomen dat een afstand tussen de 10 en 50 meter, bijvoorbeeld 30 meter, tot gevoelige objecten kan volstaan.

2.8.3. Niet in geschil is, en de Afdeling gaat daar ook van uit, dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet van toepassing is op de gastoevoerleiding. Evenmin is gebleken dat ten behoeve van de warmtecentrale dient te worden voorzien in een gastoevoerleiding van een soort waarvoor in de circulaire "Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen" door de toenmalige minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 november 1984 een zonering nodig is geacht. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat ten behoeve van deze leiding vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in het plan een apart beschermingsregime diende te worden opgenomen. De op de gastoevoerleiding betrekking hebbende betogen van [appellant sub 1] en anderen en de vereniging falen.

2.8.4. Met betrekking tot de warmtecentrale stelt de Afdeling voorop dat de WRO noch enig ander wettelijk voorschrift zich ertegen verzet dat een eenmaal door toepassing van artikel 17 van de WRO mogelijk gemaakte bebouwing of gebruik, ook na verloop van de in dat artikel beschreven termijnen, alsnog in een bestemmingsplan wordt opgenomen. Bepalend is of een definitieve inpassing zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening en ook anderszins niet in strijd komt met het recht.

2.8.5. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de opstelplaats van een gasdrukmeet- en regelstation categorie C, zoals het onderhavige gasreduceerstation, in het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, in bijlage 1, onder 1.1.2, gelezen in samenhang met tabel I, is aangegeven dat een afstand van 15 meter tot woningen en objecten categorie I, zoals scholen, dient te worden aangehouden en dat het thans geldende Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) een vergelijkbare regeling kent. Evenmin is in geschil dat een schoolplein onder de in aanmerking te nemen kwetsbare objecten behoort.

Nu blijkens het deskundigenbericht en de door partijen ter zitting gegeven toelichting zich binnen de afstand van 15 meter onder meer de als schoolplein in gebruik genomen weg bevindt en op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat aan dit gebruik een einde zal worden gemaakt, moet worden geoordeeld dat het plan en daarmee het ter goedkeuring daarvan strekkende bestreden besluit in zoverre niet overeenstemmen met het door het college en de raad gehanteerde criterium. Hier komt nog bij dat op de plankaart is voorzien in de nadere aanduiding "gasreduceerstation" binnen een gedeelte van het aan het Hogewoud gelegen plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden, nutsvoorzieningen -Mn-", maar dat de bij deze bestemming behorende voorschriften zich niet verzetten tegen de totstandkoming van een dergelijk station ook buiten die aanduiding.

Voorts is ten onrechte in het bestreden besluit noch in het daaraan voorafgaande raadsbesluit enige aandacht besteed aan de vraag of ook voor zover het de warmwatercentrale zelf betreft een aparte afstand in acht dient te worden genomen met betrekking tot de omliggende terreinen en gebouwen.

2.8.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen en de vereniging hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden, nutsvoorzieningen -Mn-" aan het Hogewoud, in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door dit besluit in zo verre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan.

Gelet hierop behoeft het op dit plandeel betrekking hebbende beroep van [appellant sub 1] en anderen en de vereniging voor het overige geen bespreking meer.

de planologische regeling van de Braamberg algemeen

2.9. Van de zijde van de vereniging is naar voren gebracht dat ten noorden van de Braamberg een versmalling van de groenstrook heeft plaatsgevonden, waardoor de afwikkeling van voetgangers- en fietsverkeer van en naar de scholen in het verlengde van de Braamberg niet veilig meer kan verlopen.

[appellant sub 1] en anderen hebben in dit verband aangevoerd dat ten tijde van de aankoop van hun woningen maar ook bij het voorontwerp van het plan was voorzien in een beperktere woonbebouwing, die doorkijk vanuit hun woningen naar de ecologische zone mogelijk maakte, terwijl eerst naar aanleiding van een concreet bouwplan gekozen is voor uitgebreidere, en ten opzichte van de omgeving meest intensieve, bebouwingsmogelijkheden. Juist waar het de overgang naar de ecologische zone betreft, was aangepaste bebouwing nodig, in plaats van alle beschermende maatregelen te verwijderen. Verder was het de intentie van het college van burgemeester en wethouders van Ede, maar ook van de wethouder, ter plaatse vrijstaande woningen te realiseren; een en ander had ook formeel in het plan moeten worden vastgelegd. Ook was de raad ten tijde van het vaststellen van het plan onjuist voorgelicht over de inhoud van de planologische regeling met betrekking tot de omgeving van de Braamweg.

De krappe verkaveling aan de noordzijde van de Braamberg heeft tal van nadelige gevolgen, zoals te korte afstanden tussen parkeerplaatsen - waarvan de afmetingen ten onrechte niet in het plan zijn vastgelegd - en vuilcontainers, problemen bij het in- en uitrijden van parkeerplaatsen, op de oprit geparkeerde auto's die over de weg uitsteken en verkeersonveiligheid. Over een wegbreedte van 3,5 meter moet alle verkeer, in twee richtingen, worden afgewikkeld, waarbij deze weg ook nog een belangrijke toegangsroute is naar school, terwijl zelfs een trottoir ontbreekt. Een en ander wijkt bovendien af van het beeld elders in de gemeente. Een ter zake door Veilig Verkeer Nederland uitgebracht rapport bekritiseert de verkeersveiligheid op een aantal punten en geeft ook aan dat verbeteringen moeten worden getroffen. Ook ander verkeerskundig onderzoek bevestigt dat de in het plangebied gelegen basisschool op dit gebied vele knelpunten heeft, aldus [appellant sub 1] en anderen.

2.9.1. Het college heeft naar voren gebracht dat eventuele toezeggingen uit het verleden niet bindend zijn voor de raad, die naar aanleiding van de meest recente stedenbouwkundige inzichten en na afweging van de betrokken belangen het plan heeft vastgesteld.

2.9.2. Uit het deskundigenbericht komt naar voren dat uitgangspunt van het plan is geweest dat de auto "te gast" is, hetgeen inhoudt dat er smalle woonstraten worden aangelegd, waarin niet wordt geparkeerd. Buiten enkele noord-zuid georiënteerde straten en enige parkeerhoven dient geparkeerd te worden op eigen terrein. De straten zijn 3,5 meter breed en in alle straten met de bestemming "Verblijfsgebied", hetgeen in vrijwel de gehele wijk het geval is, geldt een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Het passeren van tegenliggers dient te geschieden bij opritten of ter hoogte van de parkeerhoven. Daarbij is er van uitgegaan dat door de wegenstructuur en de vormgeving van de wegen een aangepast rijgedrag wordt afgedwongen, waarbij de verkeersveiligheid mede wordt bereikt door de menging van verkeer. Aparte voetpaden zijn daarbij niet zonder meer noodzakelijk.

Met betrekking tot het door de vereniging en [appellant sub 1] en anderen bedoelde rapport van Veilig Verkeer Nederland van 25 september 2007, wordt in het deskundigenbericht vermeld dat in dat rapport de uitgangspunten van de verkeersstructuur in de wijk worden onderschreven. Een aantal van de geschetste problemen kan worden opgelost door technische aanpassingen, terwijl met de totstandkoming van de bebouwing aan de noordzijde van de Braamberg meer opritten ontstaan waarop kan worden uitgeweken. Slechts in een enkel geval is de oprit zodanig klein dat daarop niet kan worden geparkeerd. In dit verband is er in het deskundigenbericht nog op gewezen dat in de planvoorschriften is voorzien in een regeling waarbij bij voor wat betreft de noordzijde van de Braamberg per woning een tweetal parkeerplaatsen op eigen terrein is ingetekend, en waarbij ten aanzien van de bouw van bijgebouwen geldt dat een parkeerplaats ter grootte van 18 m² moet resteren. Al met al is, aldus het deskundigenbericht, de beperkte breedte van de straat of de strook met de bestemming "Verblijfsgebied" geen doorslaggevende oorzaak van eventuele verkeersonveilige situaties.

Aan de zuidzijde van de Braamberg is voorzien in een 1,5 meter brede groenstrook, waaraan de bestemming "Verblijfsgebied, auto's toegestaan" is toegekend. Ook aan de noordzijde is een ongeveer 1,5 meter brede strook grond voorzien van dezelfde bestemming. Alleen aan de oostelijke zijde van de Braamberg hebben de woningen een vrij krappe achtertuin; verder verspringen de woningen en zijn zij vrijstaand gebouwd. Van een te krappe opzet kan niet gesproken worden, hoewel de afstand tussen de woningen aan weerszijden van de Braamberg niet al te groot is, aldus het deskundigenbericht. Door de vrijstaande uitvoering van de hoofdbebouwing en de enigszins schuine plaatsing van de woningen ten opzichte van de weg ontstaat een verspringend beeld en wordt de loodrechte afstand tussen de woningen van ongeveer 15 meter niet als zeer smal ervaren. Er is geen sprake van een uit stedenbouwkundig oogpunt of oogpunt van woongenot minder goede situatie, aldus het deskundigenbericht.

2.9.3. De Afdeling stelt voorop dat de keuze van de wijze waarop een wijk wordt opgezet en ingericht, is voorbehouden aan de raad. Gelet op de stukken, waaronder het ter zake uitgebrachte deskundigenrapport, het verhandelde ter zitting en het rapport van Veilig Verkeer Nederland heeft de Afdeling geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de wijze waarop het plan is opgezet en de uitwerking daarvan in de plankaart zodanig verkeersonveilig uitpakt dat het college daaraan vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen goedkeuring had mogen verlenen. Gelet op hetgeen hierover is gesteld in het deskundigenbericht ziet de Afdeling evenmin grond voor het oordeel dat het college vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet in redelijkheid heeft mogen instemmen met de wijze waarop de raad bij het plan vorm heeft gegeven aan parkeerplaatsen. In dit verband wijst de Afdeling er nog op dat de argumenten van de vereniging en [appellant sub 1] en anderen die betrekking hebben op de manier waarop een aantal voorzieningen in en rond de wegen feitelijk tot stand is gebracht geen betrekking hebben op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure echter niet aan de orde komen; de daarop betrekking hebbende argumenten dienen dan ook buiten beschouwing te worden gelaten.

Voorts heeft het door [appellant sub 1] en anderen aangevoerde de Afdeling, mede gelet op hetgeen hiervoren is weergegeven over de stedenbouwkundige opzet en inrichting, niet tot het oordeel gebracht dat de nadelen van de door het plan mogelijk gemaakte bebouwing voor hen zo ernstig zijn te achten dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan gediend zijn.

De stukken en de daarop ter zitting gegeven toelichting hebben de Afdeling verder niet tot het oordeel gebracht dat het college er van moest uitgaan dat de raad slechts vanuit een verkeerde voorstelling van zaken is gekomen tot de vaststelling van het plan in zoverre. Voor zover [appellant sub 1] en anderen nog hebben willen betogen dat bij hen het vertrouwen is gewekt dat een andere, voor hen gunstiger planologische regeling zou worden getroffen, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat het plan in zo'n regeling zou voorzien. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

De betogen falen derhalve.

de subbestemming "Tuin", voor zover toegekend aan een gedeelte van het perceel [locatie 1]

2.10. [appellant sub 1] en [appellant sub 1 A] voeren nog aan dat ten onrechte de subbestemming "Tuin" in plaats van "Erf" is toegekend aan het naast hun woning gelegen gedeelte van hun perceel [locatie 1]. Voorafgaand aan de aankoop van hun woning hebben zij bij de gemeente navraag gedaan of het mogelijk zou zijn om op die gronden een uitbouw op te richten, hetgeen werd bevestigd. Nadien is echter de bestemming van die grond gewijzigd in "Tuin", waardoor dat niet meer mogelijk was. Ondanks verzoeken tot wijziging en in tegenstelling tot de woning [locatie 2], waarvoor hetzelfde probleem gold, is de bestemming "Tuin" gehandhaafd. Bij de woning [locatie 2] is zelfs de bestemming "Erf" aan beide kanten van het perceel gelegd.

2.10.1. De raad heeft naar voren gebracht dat bij de vaststelling van het plan de mogelijkheden om op de bestemming "Tuin" aan- en uitbouwen te realiseren, zijn uitgebreid. Een nog verder gaande uitbreiding door ter plaatse te voorzien in de bestemming "Erf" acht de raad niet wenselijk, nu het betreffende perceelsgedeelte aan openbare ruimte grenst. Bij de woning [locatie 2] is daar wel toe overgegaan, nu gezien de geringe diepte van de achtertuin bij die woning en de afstand aan die zijde van die woning tot de volgende woning - 9 meter - bebouwing in de achtertuin van die woning niet wenselijk is. Het college heeft zich bij het standpunt van de raad aangesloten.

2.10.2. Niet in geschil is dat de planvoorschriften ten aanzien van de subbestemming "Tuin" meer beperkingen ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden met zich brengen dan die ten aanzien van de subbestemming "Erf", waarbij voor [appellant sub 1] en [appellant sub 1 A] met name van belang is het ontbreken van een mogelijkheid om een losstaand bijgebouw en/of een aan- of uitbouw dieper dan 2,5 meter op te richten.

Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 1 A] in dit verband naar voren hebben gebracht, leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat het college de keuze van de raad om ten aanzien van aan de openbare ruimte grenzende tuinen beperkingen aan te brengen in de mogelijkheid om bijgebouwen, aan- en uitbouwen te verwezenlijken ten onrechte vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar heeft geacht. Voorts bestaat, gezien de resterende bebouwingsmogelijkheden op het betreffende perceelsgedeelte en andere gedeelten van het perceel, geen aanleiding voor het oordeel dat deze beperkingen zodanig bezwarend inwerken op de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 1 A], dat het college gehouden was daaraan doorslaggevende betekenis toe te kennen.

Voorts valt niet in te zien dat het college in verband met het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 1 A] op het gelijkheidsbeginsel goedkeuring aan het betrokken plandeel had moeten onthouden. De onderliggende reden voor de raad om wel een subbestemming "Erf" toe te kennen aan andere delen van het perceel [locatie 2] - de onwenselijkheid om gezien de specifieke situatie achter die woning op die plaats bijgebouwen en dergelijke toe te laten - berust op zich op een planologisch relevant verschil tussen de percelen, zodat er geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 1 A] faalt.

conclusie en proceskosten

2.11. De conclusie is dat de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en de vereniging gedeeltelijk gegrond zijn. Het bestreden besluit komt, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden, nutsvoorzieningen -Mn-" aan het Hogewoud, voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien.

De conclusie is voorts dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen, de vereniging en [appellant sub 1] en [appellant sub 1 A] hebben aangevoerd voor het overige geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.12. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en de vereniging op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 23 november 2007, kenmerk 2007-007915, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden, nutsvoorzieningen -Mn-", gelegen aan het Hogewoud te Ede;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II van deze uitspraak bedoelde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 23 november 2007;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van de door [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 239,86 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro en zesentachtig cent); dit bedrag dient door de provincie Gelderland aan [appellant sub 1] en anderen, onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van de door de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg in verband met de behandeling van haar beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Gelderland aan de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg, onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IX. gelast dat de provincie Gelderland aan de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg het door haar voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, voorzitter, mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt , leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009

45.