Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
200803169/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2008:BD0626, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 26 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis met berging en een bollenloods op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803169/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting "Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl", gevestigd te Egmond aan Zee,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 22 april 2008 in zaken nrs. 07/2471, 07/2619, 07/2763 en 07/2858 in het geding tussen:

1. de stichting "Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond- Schoorl" en anderen,

2. [appellant sub 2],

3. [wederpartij sub 3],

4. [wederpartij sub 4],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 26 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis met berging en een bollenloods op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 september 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, de door de stichting "Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl" (hierna: de stichting) en [appellant sub 2] (hierna: [appellant sub 2]) daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd onder verbetering van de motivering ervan.

Bij uitspraak van 22 april 2008, verzonden op 23 april 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 september 2007 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van [appellant sub 2] ongegrond is verklaard, dat bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit en het beroep van de stichting tegen het besluit van 10 september 2007 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 april 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De stichting heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 2 juni 2008. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 30 mei 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2], [vergunninghouder] en de stichting hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Hink, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [vergunninghouder], in persoon, en vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, vertegenwoordigd door J.G. van Turen, ambtenaar in dienst van de provincie, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op de gronden waarop de bouwplannen zijn voorzien rust ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Open agrarisch gebied (Ao)". De bouwplannen zijn hiermee in strijd. Het college heeft voor de bouwplannen vrijstelling verleend krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.2. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank, door zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, heeft miskend dat hij belanghebbende is bij de besluiten van 26 september 2006. Hij voert hiertoe aan dat realisering van de bouwplannen grote invloed heeft op zijn leefomgeving en dat hij eigenaar is van de wegberm langs zijn woning die als rijweg wordt gebruikt.

2.2.1. Dit betoog slaagt niet. De woning van [appellant sub 2] ligt op een afstand van omstreeks 1000 m van de percelen. Voor zover hij vanuit zijn woning al zicht zal hebben op de vergunde gebouwen, gaat dat niet om gebouwen die zo omvangrijk zijn dat de belangen van iemand op genoemde afstand nog als rechtstreeks betrokken belangen kunnen worden aangemerkt. Het college heeft voorts in het besluit van 10 september 2007 gemotiveerd uiteengezet dat het aantal transportbewegingen als gevolg van de geprojecteerde agrarische bebouwing niet zal toenemen in vergelijking met de huidige bedrijfssituatie, maar naar verwachting zal afnemen en dat een incidentele toename van transportbewegingen niet aan de geprojecteerde bebouwing zal zijn toe te schrijven, maar inherent is aan de bollenteelt. De conclusie is dat niet aannemelijk is dat de bouwplannen voor [appellant sub 2] zodanige (nadelige) effecten door verkeerstoeneming zullen hebben, dat hij op die grond als belanghebbende kan worden aangemerkt. Dat hij, zoals gesteld, hinder ondervindt, omdat het verkeer ook naast de weg in de hem toebehorende berm zal rijden - wat hiervan zij - maakt dat niet anders, omdat dit geen gevolg is van het bouwplan. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat [appellant sub 2] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende.

2.3. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verleende vrijstelling slechts ziet op het ontbreken van een bouwvlak en dat geen vrijstelling is verleend van artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften. Daarom had moeten worden aangetoond dat uitsluitend ten dienste van en noodzakelijk voor de bestemming "Open agrarisch gebied" wordt gebouwd, hetgeen niet is gebeurd, aldus de stichting.

2.3.1. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen, voor zover thans van belang, op de gronden op de plankaart aangewezen als "Open agrarisch bedrijf (Ao)", al dan niet met een subbestemming, uitsluitend ten dienste van en noodzakelijk voor de genoemde bestemmingen worden gebouwd:

a. bedrijfsgebouwen

b. bedrijfswoningen

(…).

2.3.2. Het betoog slaagt niet. Uit de vrijstellingsbesluiten, gelezen in combinatie met de ruimtelijke onderbouwing, moet worden afgeleid dat van artikel 5, eerste tot en met derde lid, van de planvoorschriften vrijstelling is verleend. In de ruimtelijke onderbouwing, die van deze besluiten deel uitmaakt, is uitdrukkelijk vermeld dat vrijstelling wordt verleend voor het gebruik en de bebouwing van de gronden zoals aangegeven op de bijbehorende kaart. Voorts worden de desbetreffende planvoorschriften in de ruimtelijke onderbouwing beknopt weergegeven. De rechtbank heeft dan ook in hetgeen door de stichting is aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de verleende vrijstellingen geen betrekking hebben op artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften.

2.4. De stichting betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de projecten een grote inbreuk maken op het planologische regime, zodat zware eisen dienen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing. De stichting stelt in dit verband dat de agrarische functie, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet het primaat heeft boven de ingevolge het bestemmingsplan eveneens vereiste openheid van het gebied. Voorts heeft de rechtbank volgens haar miskend dat aan het gebied landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn toegekend.

2.4.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen als "Open agrarisch gebied (Ao)", bestemd voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf alsmede voor het behoud van de ruimtelijke openheid.

Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, gelden voor het bouwen de nadere aanwijzingen op de plankaart en mogen de bouwwerken uitsluitend binnen het bouwvlak en uitsluitend ten dienste van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf worden gebouwd, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte per bouwvlak van alle bouwvlakken die ten oosten van de Herenweg zijn gelegen niet meer dan 60% van het bouwvlak mag bedragen of maximaal 6000 m² indien het bouwperceel kleiner is dan 1 ha.

Ingevolge artikel 5, vijfde lid, onder 1, aanhef en onder 4, kan het college het bestemmingsplan in die zin wijzigen dat het ter plaatse van de gronden in de polder zoals aangegeven op de ontwikkelingskaart nieuwe bouwvlakken ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven mag aanwijzen. Deze bevoegdheid mag slechts worden toegepast indien het een verplaatsing van een agrarisch bedrijf vanuit de binnenduinrand naar de polder in het kader van de herinrichting en de realisering van de natuurdoelstelling van de binnenduinrand van dit bestemmingsplan betreft; bovendien mag deze bevoegdheid worden toegepast in geval van calamiteit en indien recreatieve ontwikkelingen in het binnenduinrandgebied daartoe aanleiding geven.

2.4.2. Dit betoog van de stichting slaagt evenmin. In paragraaf 5.2 van de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld dat het plan in algemene zin is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden, waaronder de openheid in de polder, en dat vervolgens per functie het specifieke beleid wordt aangegeven, waarbij tevens de doorwerking van dit beleid in de voorschriften wordt uiteengezet. In paragraaf 5.3 is vermeld dat voor de functie landbouw een onderscheid wordt gemaakt in gebieden waarbij het accent puur op de agrarische bedrijfsvoering ligt (de Ao-gebieden) en gebieden waar, naast het agrarisch belang, ook de natuurlijke en landschappelijke waarden van belang zijn (Aln-gebieden). Tevens is vermeld dat in het agrarisch gebied (Ao) in het algemeen geen nadere beperkingen aan de agrarische bedrijfsvoering worden gesteld. Deze toelichting strookt met de tekst van artikel 5 van de planvoorschriften. Uit dit een en ander volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat in het onderhavige Ao-gebied het primaat ligt op de agrarische functie, waarvan op effectieve wijze gebruik moet kunnen worden gemaakt. Het betoog van de stichting dat uit de streekplankaart zou blijken dat aan het perceel cultuurhistorische waarden zijn toegekend, mist feitelijke grondslag.

De rechtbank heeft voorts terecht in aanmerking genomen dat artikel 5, vijfde lid, van de planvoorschriften het mogelijk maakt om, onder voorwaarden, op Ao-gronden nieuwe bouwvlakken voor agrarische bedrijven aan te wijzen, en heeft evenzeer terecht in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan forse bebouwingmogelijkheden toestaat voor reeds in het gebied aanwezige agrarische bedrijven met een bouwvlak. De projecten voldoen aan de in artikel 5, derde lid, en artikel 5, vijfde lid, genoemde voorwaarden, zij het dat het bedrijf van [vergunninghouder] niet wordt verplaatst vanuit de binnenduinrand naar de polder, maar zich aldaar nieuw vestigt. Dit neemt niet weg dat het bestaande planologische regime vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf ter plaatse onder voorwaarden mogelijk maakt.

De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de inbreuk van de projecten op het bestaande planologische regime kan worden beschouwd als gemiddeld.

2.5. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De stichting wijst er in dit verband op dat in de ruimtelijke onderbouwing niet wordt gemotiveerd dat de geprojecteerde bebouwing noodzakelijk is, hetgeen temeer klemt nu realisering van die bebouwing ten koste gaat van de openheid van het landschap. Bovendien is het bedrijf van [vergunninghouder] ter plaatse geen volwaardig agrarisch bedrijf, nu [vergunninghouder] het grootste deel van zijn gronden aldaar niet gebruikt voor zijn hyacintenteelt, aldus de stichting.

2.5.1. In het besluit op bezwaar van 10 september 2007 heeft het college gesteld dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de landschappelijke openheid. Het heeft daarbij gewezen op de aanvullende ruimtelijke onderbouwing van Bügel/Hajema adviseurs, die als appendix aan de ruimtelijke onderbouwing is toegevoegd en waarin erop wordt gewezen dat de percelen in het streekplan Noord-Holland zijn aangewezen als bollenconcentratiegebied. Voorts is daarin vermeld dat het bouwplan aan de rand van de open ruimte ligt en aansluit op enkele aanwezige verticale elementen in de directe omgeving (bebouwing met bosschages). Het college heeft daarnaast gewezen op het advies van DLV Bouw, Milieu en Techniek BV van 31 januari 2007 en het advies van RBOI-adviesbureau, die eveneens deel uitmaken van de ruimtelijke onderbouwing. In dit laatste advies wordt gesteld dat het voor een duurzame en efficiënte bedrijfsvoering van belang is dat een bouwkavel nabij de agrarische gronden is gesitueerd. Tevens is in het advies van DLV gesteld dat de bouw van een bedrijfswoning op het perceel vanuit een oogpunt van toezicht op teelt, bedrijfsprocessen en veiligheid zeer wenselijk is en dat het noodzakelijk is dat [vergunninghouder] in directe nabijheid van zijn bedrijf woont.

De stichting kan voorts niet worden gevolgd in haar betoog dat het bedrijf van [vergunninghouder] ter plaatse geen volwaardig bedrijf is. [vergunninghouder] heeft in de onmiddellijke nabijheid van het perceel 25 hectare grond in eigendom. Dat deze gronden niet in hun geheel onafgebroken in gebruik zijn voor de hyacintenteelt is, zoals [vergunninghouder] ter zitting onweersproken heeft toegelicht, inherent aan deze teelt en neemt niet weg dat het bedrijfseconomisch zwaartepunt kan worden geacht in de omgeving van het perceel te liggen. Dat sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf wordt voorts bevestigd door de mededeling van [vergunninghouder] ter zitting dat zijn bedrijf het afgelopen jaar een omzet heeft gehad van anderhalf miljoen euro en dat hij in drukke perioden circa 30 werknemers in dienst heeft, hetgeen door de stichting niet is betwist.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college met de in de ruimtelijke onderbouwing gegeven argumenten voldoende heeft gemotiveerd dat realisering van de bollenloods met bedrijfswoning op het perceel in relatie tot de omgeving planologisch aanvaardbaar is en dat de verleende vrijstellingen derhalve van een toereikende ruimtelijke onderbouwing zijn voorzien.

2.6. Voor zover de stichting voorts in algemene zin naar de door haar in beroep aangevoerde beroepsgronden verwijst, is dat tevergeefs. De rechtbank heeft deze behandeld en beoordeeld. De stichting heeft niet betoogd dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank niet juist zijn.

2.7. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009

488.