Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0454

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
200803584/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2007 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant], een boete van € 20.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803584/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/4661 van de rechtbank Arnhem van 17 april 2008 in het geding tussen:

[appellant],

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2007 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant], een boete van € 20.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 27 september 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht

Bij uitspraak van 17 april 2008, verzonden op 23 april 2008, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 juni 2008. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M.G.H. Rensen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, derde lid, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 2, voor zover thans van belang, wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Uit het op ambtseed door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 19 oktober 2006 (hierna: het boeterapport) blijkt dat vijf vreemdelingen van Poolse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) op 11 mei 2006 werkzaamheden verrichtten in het tuinbouwbedrijf van [appellant] aan [locatie] te [plaats], zonder dat voor hen tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. Voorts staat in het boeterapport dat de vreemdelingen aan [appellant] zijn ingeleend via het gecertificeerde [uitzendbureau], gevestigd te [plaats] (hierna: [uitzendbureau]).

2.2.1. Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de boete wegens het volledig, dan wel gedeeltelijk ontbreken van verwijtbaarheid ten onrechte is opgelegd, dan wel dient te worden gematigd.

2.3. [appellant] klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen heeft gedaan dat redelijkerwijs mogelijk was om overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav te voorkomen, zodat geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, en de overigens door hem aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat grond bestaat voor het oordeel dat de boete dient te worden gematigd. [appellant] betoogt dat een werknemer van [uitzendbureau], een gecertificeerd uitzendbureau, hem heeft benaderd met het aanbod van de vreemdelingen gebruik te maken voor de werkzaamheden in zijn tuinbouwbedrijf, waarbij hem is verzekerd dat hij geen tewerkstellingsvergunningen hoefde aan te vragen. Voorts betoogt [appellant] dat hij niet bewust de Wav heeft overtreden, hij bij de overtreding geen belang had, nu de benodigde tewerkstellingsvergunningen hem, als hij deze had aangevraagd, zonder meer zouden zijn verleend en hij door de vreemdelingen tewerk te stellen geen financieel voordeel heeft behaald.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep te onderbouwen.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.

Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 maart 2006 in zaak nr. 200509111/1), is het de eigen verantwoordelijkheid van iedere werkgever in de zin van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd. De omstandigheid dat de vreemdelingen door tussenkomst van (een medewerker van) [uitzendbureau] bij [appellant] zijn tewerkgesteld, doet aan de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] niet af. Nu uit het boeterapport en met name de door [appellant] afgelegde verklaring voorts blijkt dat [appellant] met [uitzendbureau] niet heeft gesproken over tewerkstellingsvergunningen, doch dat hij er vanuit is gegaan dat [uitzendbureau] hiervoor zorg zou dragen, heeft [appellant] niet voldaan aan zijn eigen verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de voorschriften van de Wav. [appellant] heeft bovendien verklaard eerder te zijn beboet vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, zodat hij zich had dienen te realiseren dat voor de vreemdelingen tewerkstellingsvergunningen hadden moeten worden aangevraagd. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat aan de kant van [appellant] sprake is van het ontbreken van dan wel een verminderde mate van verwijtbaarheid.

Dat [appellant] naar gesteld niet bewust de Wav heeft overtreden brengt niet met zich dat de boete dient te worden gematigd, nu voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, opzet geen vereiste is en dit moet worden geacht bij de totstandkoming van de beleidsregels, voor zover die zien op de hoogte van de boete, te zijn betrokken.

Het betoog dat bij aanvraag zonder meer tewerkstellingsvergunningen aan [appellant] op naam van de vreemdelingen zouden zijn verleend en door hem geen financieel voordeel is behaald met de overtreding biedt evenmin grond voor matiging, reeds omdat dat betoog niet is gestaafd. Voorts laat het naar gesteld niet behalen van financieel voordeel onverlet dat door het niet aanvragen van tewerkstellingsvergunningen niet is vastgesteld of in dit geval door de tewerkstelling van de vreemdelingen de doelstellingen van de Wav, waaronder, zoals uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen (Kamerstukken II 2003/04, 29 253, nr. 3, blz. 1) blijkt, het tegengaan van verdringing van legaal arbeidsaanbod, concurrentievervalsing en het faciliteren van de voortzetting van illegaal verblijf, niet zijn geschonden.

De klacht faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009

382-523.