Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
200706350/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2007, kenmerk 2007/0456875, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Twenterand (hierna: de raad) bij besluit van 21 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Almeloseweg-Oost".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706350/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging afdeling Vriezenveen, gevestigd te Vriezenveen, gemeente Twenterand

3. [appellant sub 3] en anderen, wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2007, kenmerk 2007/0456875, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Twenterand (hierna: de raad) bij besluit van 21 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Almeloseweg-Oost".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] (hierna: [appellant sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2007, de vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging afdeling Vriezenveen (hierna: de KNNV) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2007, en [appellant sub 3] en anderen (hierna: [appellanten sub 3]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2007, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Twenterand hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2008, waar [appellant sub 1], de KNNV, vertegenwoordigd door [voorzitter], [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door drs. G. Rooks, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door drs. H. Koetje, burgemeester, en J. Schepers en E. Nijhuis, ambtenaren in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep van [appellanten sub 3], overweegt de Afdeling als volgt.

Voor zover dit beroep is ingediend door [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], stelt de Afdeling vast dat de door [appellant sub 3 C] bij brief van 31 juli 2006 ingediende zienswijze mede namens een aantal andere bewoners van de Zuivelstraat is ingediend. Deze bewoners hebben allen de zienswijze mede ondertekend uitgezonderd [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B]. [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] hebben derhalve geen zienswijze bij de raad naar voren gebracht.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich hier voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de omstandigheid dat [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] ten tijde van het inbrengen van de zienswijze door afwezigheid niet in staat waren om de zienswijze mede te ondertekenen.

Het beroep van [appellanten sub 3], voor zover ingediend door [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], is dan ook niet-ontvankelijk.

2.2. Het plangebied omvat circa 22 hectare en is gelegen aan de zuidoostzijde van Vriezenveen tussen de bebouwing aan de Almeloseweg en de rijksweg N36. Met het plan wordt beoogd de aanleg van een bedrijventerrein mogelijk te maken. Een doorgaande ontsluitingsweg maakt deel uit van het plan.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. [appellant sub 1] heeft zijn beroepsgronden met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid van het plan en met betrekking tot het opstellen van een milieu-effectrapportage ter zitting ingetrokken.

De KNNV heeft haar beroepsgrond met betrekking tot waterberging en retentie ter zitting ingetrokken.

2.5. [appellant sub 1], de KNNV en [appellanten sub 3] betogen dat door het provinciebestuur is aangegeven dat voor het gebied tussen Vriezenveen en Almelo een visie moet worden ontwikkeld. Nu deze integrale visie op dit gebied, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt, nog niet gereed is achten zij het niet opportuun dat thans goedkeuring is verleend aan het voorliggende plan.

2.5.1. Het college heeft zich ten aanzien van het gestelde ontbreken van een integrale visie op het standpunt gesteld dat het plan past in de gemeentelijke structuurvisie en in de visie die in voorbereiding is voor het gebied tussen Almelo en Vriezenveen. Voorts biedt ook het streekplan Overijssel 2000+ (hierna: het streekplan) ruimte voor lokale bedrijventerreinen zoals het onderhavige, aldus het college.

2.5.2. In het kader van een bestemmingsplanprocedure dient het college het plan te toetsen aan het geldende streekplan, voor zover van toepassing. Vriezenveen wordt in het streekplan genoemd als een kern met een belangrijke werkgelegenheidsfunctie. De potentie hiervan wil de provincie benutten, aldus het streekplan. Gesteld noch gebleken is dat het plan in strijd is met het streekplan.

Anders dan wordt betoogd, verplicht de WRO er niet toe dat toetsing van een plan door het college dient plaats te vinden aan een integrale visie anders dan het streekplan. Het ontbreken van een afgeronde integrale visie voor het gebied tussen Vriezenveen en Almelo staat aan de vaststelling en goedkeuring van het voorliggende plan dan ook niet in de weg. Het college heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoefde te worden gewacht met het in procedure brengen van het plan totdat de integrale visie was vastgesteld. Dit betoog faalt.

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat het plan in strijd is met de Structuurvisie Vriezenveen-Zuidoost (hierna: de Structuurvisie), vastgesteld door de raad op 16 februari 2006. Hiertoe voert hij aan dat in de Structuurvisie niet is voorzien in een ontsluitingsweg op de Almeloseweg terwijl deze in het voorliggende plan wel is opgenomen.

2.6.1. De Afdeling stelt vast dat op kaart 12 op bladzijde 61 van de Structuurvisie wordt voorzien in een nieuwe ontsluitingsweg vanuit het plangebied ter hoogte van de [locatie 1 en 2]. De Afdeling kan [appellant sub 1] niet volgen in zijn betoog dat het plan op dit punt in strijd is met de Structuurvisie. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.7. [appellant sub 1], de KNNV en [appellanten sub 3] voeren aan dat de behoefte aan een nieuw bedrijventerrein onvoldoende is onderbouwd.

2.7.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de behoefte aan een bedrijventerrein in Vriezenveen voldoende is onderbouwd. Het college heeft in dit verband gewezen op het streekplan.

2.7.2. Blijkens paragraaf 4.1.3.2. van het streekplan wordt bij het berekenen van de behoefte aan bedrijventerreinen voor de komende tien jaar uitgegaan van de uitgifte van kavels gedurende de voorgaande tien jaar. In de Nota "Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen" is toegelicht dat de gemeente hiervan de helft in voorraad mag hebben en in bestemmingsplannen ruimte mag hebben voor uitbreiding van dezelfde omvang. In uitzonderlijke gevallen is afwijking toegestaan. Een bestemmingsplan dient inzicht te geven in de wijze van uitgifte van een bedrijventerrein, aldus deze Nota.

Blijkens de plantoelichting is in de laatste tien jaar op de bedrijventerreinen binnen de gemeente Twenterand in totaal 39 hectare aan bedrijfskavels uitgegeven en was begin 2004 ongeveer 14 hectare aan bedrijventerreinen beschikbaar. Per 1 januari 2006 bedroeg de totale voorraad uitgeefbaar terrein in de gemeente 10,7 hectare. Blijkens de plantoelichting is voor Vriezenveen in de periode tot 2016 een behoefte aan ongeveer 20 hectare netto uitgeefbaar bedrijventerrein berekend. In Vriezenveen was op 1 januari 2006 nog 1,1 hectare beschikbaar. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze gegevens onjuist zijn. In het plangebied is circa 18 hectare grond voor bedrijfsdoeleinden beschikbaar. Niet gebleken is dat de in de plantoelichting opgenomen berekening strijdig is met het desbetreffende provinciale beleid, zoals hiervoor verwoord.

Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de behoefte aan het bedrijventerrein in Vriezenveen voldoende is onderbouwd.

2.8. De KNNV voert aan dat het verrichte flora- en faunaonderzoek niet volledig is geweest. Zij brengt in dit verband naar voren dat het onderzoek naar het voorkomen van mogelijk bijzondere plantensoorten niet in het groeiseizoen is uitgevoerd.

2.8.1. Het college heeft op grond van het verrichte onderzoek de conclusie van de raad onderschreven dat geen negatieve effecten op de flora en fauna zijn te verwachten. In hetgeen de KNNV op dit punt heeft aangevoerd ziet het college geen aanleiding om goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.8.2. In de plantoelichting wordt verwezen naar het door BügelHajema Adviseurs opgestelde onderzoeksrapport 'Advies Flora- en faunawet bedrijventerrein Almeloseweg-Oost' van 7 september 2005. Dit rapport bevat een beschrijving van het gebied, een onderzoek naar het voorkomen van flora, vleermuizen en andere zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders en libellen en een beschrijving van de mogelijke effecten van realiseren van het plan op de voorkomende flora en fauna. Bij het soortenonderzoek is blijkens dit rapport gebruik gemaakt van gegevens van de provincie Overijssel, van soortenatlassen zoals de atlas De Zoogdieren van Overijssel, de landelijke broedvogelatlas en de landelijke libellenatlas, alsmede wat betreft reptielen, amfibieën en vissen, van de kaarten met verspreidingsgegevens van de Stichting RAVON. Daarnaast is op 19 juli 2005, 17 augustus 2005 en in november 2005 het plangebied bezocht.

Volgens het deskundigenbericht maakt het flora- en faunaonderzoek een voldoende gedegen indruk en staat de omstandigheid dat niet alle planten bloeien in juli er niet aan in de weg dat een deskundige in combinatie met bureauonderzoek in voldoende mate kan vaststellen welke flora in een gebied voorkomt.

Gelet op de inhoud van het onderzoeksrapport, het feit dat het plangebied met het oog op het soortenonderzoek driemaal is bezocht en gelet op hetgeen in het deskundigenbericht hierover is opgemerkt, ziet de Afdeling geen grond voor de juistheid van de stelling van de KNNV dat het flora- en faunaonderzoek onvolledig is geweest. De Afdeling ziet in hetgeen de KNNV op dit punt naar voren heeft gebracht dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college het onderzoeksrapport en de daarin opgenomen conclusies niet bij zijn besluit heeft mogen betrekken.

2.9. De KNNV betoogt voorts dat in het plan ten onrechte geen compensatie is opgenomen voor het verloren gaan van natuurwaarden als gevolg van het realiseren van het bedrijventerrein. De KNNV acht compensatie voor verlies aan natuurwaarden zeer gewenst. Zij bestrijdt het standpunt van het college dat geen compensatieplicht geldt nu het aanwezige groen dat verdwijnt, geen bestemming "Bos" heeft.

2.9.1. Het college heeft zich met betrekking tot compensatie op het standpunt gesteld dat het bestaande groen deels wordt gehandhaafd en aan de zuidkant van het plangebied verdwijnt, maar dat dit geen groen betreft met de bestemming "Bos". Het college ziet dan ook geen noodzaak voor compenserende maatregelen als gevolg van het plan.

2.9.2. Met betrekking tot het treffen van compenserende maatregelen stelt de Afdeling vast dat het compensatiebeginsel, zoals dat is neergelegd in het streekplan, met name geldt voor streekplanzone III (natuur, landschap, cultureel erfgoed en landbouw), streekplanzone IV (natuur), de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en voor bossen. Op grond van het streekplan (blz. 24) moeten gemeenten een eigen compensatiebeleid ontwikkelen voor zover erkende natuur- en landschapswaarden (met uitzondering van bossen) in streekplanzones I en II zijn gelegen. Met erkende waarden wordt volgens bladzijde 224 van het streekplan gedoeld op gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet 1998 dan wel de Vogelrichtlijn onderscheidenlijk de Habitatrichtlijn of op natuurgebieden en landschappelijke waarden als zodanig aangeduid in een bestemmingsplan. Niet in geschil is dat het plangebied is gelegen in streekplanzone I (landbouw) en dat in het plangebied geen sprake is van erkende natuur- of landschapswaarden. Evenmin is in geschil dat het bestaande groen in het plangebied in het voorgaande plan niet de bestemming "Bos" had.

Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het streekplan niet verplicht tot het treffen van compenserende maatregelen. De Afdeling volgt de KNNV niet in het door haar ter zitting naar voren gebrachte betoog dat voor de vraag of compenserende maatregelen gewenst zijn, verder moet worden gekeken dan de juridische kaders.

2.10. [appellant sub 1], de KNNV en [appellanten sub 3] betogen dat niet vaststaat dat de in het zuidwestelijke deel van het plangebied opgenomen groenstrook ook zal worden verwezenlijkt. De inrichting van de betreffende percelen langs de Almeloseweg als groenstrook is door de wijze van bestemmen niet afdwingbaar. [appellanten sub 3] voegen hieraan toe dat ten onrechte geen inrichtingsplan voor de groenstrook is opgesteld. Daarnaast is ten onrechte geen definitie van 'groen' en 'opgaand groen' in de planvoorschriften opgenomen, aldus de KNNV.

2.10.1. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de desbetreffende groenstrook op een gebruikelijke wijze is bestemd. Weliswaar kan de bestemming "Groenvoorzieningen" niet worden afgedwongen, maar nu de raad te kennen heeft gegeven dat wordt gezorgd voor een goede invulling van de groenstrook, ziet het college geen aanleiding om op dit punt goedkeuring te onthouden aan het plan.

2.10.2. De Afdeling wijst erop dat een bestemmingsplan vooral ziet op het toestaan dan wel onmogelijk maken van bepaalde planologische ontwikkelingen. Met de toekenning van een bestemming is de verwezenlijking daarvan niet gegeven en in zoverre is de feitelijke inrichting van percelen conform de bestemming dan ook niet juridisch afdwingbaar. Het feit dat in dit geval de verwezenlijking van de bestemming "Groenvoorzieningen" niet rechtens afdwingbaar is, is derhalve het gevolg van de aard van een bestemmingsplan en geen gevolg van een rechtsonzekere redactie van de hier aan de orde zijnde planvoorschriften, zoals appellanten betogen.

Het feit dat verwezenlijking van de bestemming "Groenvoorzieningen" niet rechtens afdwingbaar is, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat verwezenlijking van die bestemming niet zal geschieden binnen de planperiode. Blijkens de stukken, waaronder de plantoelichting, wordt met het bestemmen van de strook grond als "Groenvoorzieningen" beoogd door middel van het aanbrengen van opgaand groen een zekere scheiding aan te brengen tussen de bestaande woonbebouwing aan de Almeloseweg en het bedrijventerrein. Het ontbreken van een definitie van 'groen' en 'opgaand groen' leidt naar het oordeel van de Afdeling in dit verband niet tot rechtsonzekerheid. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder r, van de planvoorschriften wordt onder 'groenvoorzieningen' verstaan: onbebouwd gebied, bestaande uit grasvelden, (opgaande) beplantingen, waterpartijen, speelweiden en voetpaden. Verder zijn ingevolge artikel 6, lid I, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, de gronden met de bestemming "Groenvoorzieningen" bestemd voor groenvoorzieningen, water, fiets- en voetpaden en ontsluitingswegen, met dien verstande dat de gronden bestemd voor groenvoorzieningen voor minimaal 75% worden ingericht met opgaande groenvoorzieningen. Het college heeft op grond van deze planvoorschriften, de plantoelichting en nu ook overigens niet is gebleken van belemmeringen met betrekking tot verwezenlijking van de groenstrook in redelijkheid belang kunnen hechten aan de mededeling van de raad dat de gemeente in samenspraak met omwonenden zal zorgen voor een goede invulling van de bestemming "Groenvoorzieningen" op het overgangsgebied tussen bedrijventerrein en woongebied, om zodoende het zicht op het bedrijventerrein grotendeels weg te nemen. In hetgeen [appellant sub 1], de KNNV en [appellanten sub 3] op dit punt hebben aangevoerd heeft het college in redelijkheid geen aanleiding behoeven zien om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

Met betrekking tot het betoog dat een inrichtingsplan ontbreekt voor de gronden die zijn aangewezen voor "Groenvoorzieningen" overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure, waarin het bestemmingsplan centraal staat, niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond blijft in zoverre buiten beschouwing.

2.11. [appellant sub 1], wonend aan de [locatie 2], voert aan dat de in het plan voorziene ontsluitingsweg op de Almeloseweg direct tegenover zijn woning en op zeer korte afstand daarvan komt te liggen. Hij vreest dan ook ernstige geluidoverlast van het wegverkeer. [appellant sub 1] bestrijdt het standpunt van het college dat zijn woning buiten de geluidszone van de nieuwe weg valt. Volgens hem heerst bij zijn woning een te hoge geluidsbelasting en is de voorziene ontsluitingsweg in strijd met de planvoorschriften, omdat de as van deze weg binnen een afstand van 39 meter van de voorgevel van zijn woning komt te liggen. Daarnaast, zo betoogt hij, zorgt het zware vrachtverkeer over de Almeloseweg voor trillingen die leiden tot schade aan zijn woning. Naar dit aspect is ten onrechte geen onderzoek gedaan, aldus [appellant sub 1].

[appellanten sub 3], wonend aan de [locaties], alsmede aan de ten noorden van het plangebied gelegen Zuivelstraat en Engelsstraat, voeren aan dat de nieuwe ontsluitingsweg voor veel verkeersoverlast zal zorgen, dat de bewoners van de bestaande woonbebouwing aan de Almeloseweg veel geluidsbelasting zullen ondervinden en dat ten onrechte geen besluit is genomen over het verkeersluw maken van de Almeloseweg. Ten slotte leidt volgens [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] de ligging van de nieuwe ontsluitingsweg tot lichthinder in hun woningen veroorzaakt door de koplampen van de auto's die op hun woningen aanrijden.

2.11.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de genoemde afstand van 39 meter van de as van de nieuwe ontsluitingsweg tot de voorgevel uitsluitend geldt voor de woningen gelegen aan de [locatie 3 en 4], zodat uitsluitend deze woningen in dit verband in de planvoorschriften worden genoemd. Verder heeft het college zich wat betreft de gestelde geluidoverlast onder verwijzing naar het rapport van bureau BVA te Zwolle op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder, dat de situatie rond de ontsluitingsweg niet onacceptabel is en geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening, zodat het geen aanleiding heeft gezien in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden. Het college heeft er in dit verband nog op gewezen dat het gemeentebestuur zonodig passende verkeersmaatregelen kan treffen.

2.11.2. Blijkens de plantoelichting is de Almeloseweg in de bestaande situatie een doorgaande weg met een belangrijke functie binnen de verkeersstructuur van Vriezenveen. Aan de westzijde van de weg, gerekend van de Krijgerstraat tot de aansluiting met de rijksweg N36, ligt een lint van woningen, waaronder voor een groot deel de woningen van [appellanten sub 3] en de woning van [appellant sub 1]. Ongeveer halverwege dit gedeelte van de Almeloseweg aan de oostzijde daarvan is in het plan het bedrijventerrein voorzien. Het plan richt zich blijkens de plantoelichting tevens op het zoveel mogelijk verminderen van het doorgaande verkeer dat nu nog van de Almeloseweg gebruik maakt. Het plan maakt de aanleg mogelijk van een nieuwe ontsluitingsweg met één rijbaan over het bedrijventerrein naar de Almeloseweg. In het plan zijn hiertoe twee 'ontsluitingspunten autoverkeer' opgenomen, aan de zuid/zuid-oostzijde van het plangebied nabij de aansluiting met de rijksweg N36 en aan de westzijde van het plangebied, uitkomend op de Almeloseweg ter hoogte van de woningen [locatie 1 en 2]. Blijkens de plantoelichting zal de Almeloseweg ten zuiden van de nieuwe hoofdontsluiting nog uitsluitend een functie hebben voor bestemmingsverkeer en daarom een snelheidsregime van 30 km/uur krijgen. Voor het gedeelte van de Almeloseweg ten noorden van de nieuwe hoofdontsluiting blijft een snelheidsregime van 50 km/uur gelden.

2.11.2.1. Met betrekking tot het betoog van [appellanten sub 3] over het verkeersluw maken van de Almeloseweg en het ontbreken van een besluit daarover overweegt de Afdeling dat het plan hiertoe de mogelijkheid biedt en dat het gemeentebestuur blijkens de stukken de intentie heeft hiertoe over te gaan, maar dat het nemen van een besluit hiertoe in het kader van de wegenverkeerswetgeving dient te gebeuren, hetgeen het kader van dit geschil, waarin het plan en het goedkeuringsbesluit daaromtrent centraal staan, te buiten gaat.

2.11.2.2. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 4, lid I, eerste gedachtestreepje en artikel 6, lid I, aanhef en onder c, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, de afstand van de as van de weg tot de gevels van de woningen [locatie 3 en 4] minimaal 39 meter bedraagt. De gestelde eis van minimaal 39 meter geldt op grond van de planvoorschriften derhalve uitsluitend voor deze beide woningen. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 2]. Zijn betoog dat nu de as van de weg binnen een afstand van 39 meter van de voorgevel van zijn woning aan de [locatie 2] komt te liggen, de voorziene ontsluitingsweg in strijd is met de planvoorschriften, mist dan ook feitelijke grondslag.

2.11.2.3. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] dat zijn woning binnen de geluidszone van de nieuwe ontsluitingsweg valt omdat zijn woning op acht meter van de as van deze weg komt te liggen, overweegt de Afdeling als volgt.

Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder gewijzigd. Ingevolge artikel VII, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wijzigingswet Wet geluidhinder blijft de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op het vaststellen en goedkeuren van een bestemmingsplan dat wordt vastgesteld met toepassing van de Wet geluidhinder en waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. Nu het ontwerp-bestemmingsplan "Bedrijventerrein Almeloseweg-Oost" vanaf 26 juni 2006 ter inzage heeft gelegen is in dit geval de Wet geluidhinder van toepassing zoals deze gold vóór 1 januari 2007.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder, zoals deze gold ten tijde hier van belang, bevindt zich langs een weg een zone met een nader in dat artikellid aangeduide breedte aan weerszijden van de weg.

Ingevolge artikel 75, tweede lid, van de Wet geluidhinder in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de destijds geldende Regeling bepaling geluidszones langs wegen 1993, wordt de grenslijn aan weerszijden van de weg waar de zone, als bedoeld in artikel 74 begint, gevormd door de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook.

Het in het deskundigenbericht genoemde artikel 75, derde lid, van de Wet geluidhinder waarin is bepaald, samengevat weergegeven, dat de geluidszone doorloopt aan de uiteinden van een weg, gold nog niet ten tijde hier van belang.

Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de woning van [appellant sub 1], anders dan de in de planvoorschriften genoemde woningen [locatie 3 en 4], buiten de geluidszone van de nieuwe weg valt. Dit betoog van [appellant sub 1] slaagt niet.

2.11.2.4. De raad heeft vanwege de herinrichting van de Almeloseweg ter hoogte van de woningen [locatie 1 en 2] als gevolg van de aansluiting van de ontsluitingsweg op de Almeloseweg, bij de voorbereiding van het plan met juistheid nagegaan of sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Hiertoe heeft bureau BVA te Zwolle in opdracht van de raad een akoestisch onderzoek verricht.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet geluidhinder, zoals deze gold ten tijde hier van belang, wordt onder reconstructie verstaan: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg, ten gevolge waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg met 2 dB(A) of meer wordt verhoogd.

Door bureau BVA is akoestisch onderzoek verricht naar de gevelbelasting in de situatie voor en na de herinrichting als gevolg van de aansluiting op de Almeloseweg. Blijkens het rapport van bureau BVA zijn de woningen [11 locaties] als rekenpunt genomen. Bij geen van deze woningen is sprake van een toename van 2 dB(A) of meer. Het college heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat bij de aansluiting van de nieuwe ontsluitingsweg op de Almeloseweg geen sprake zal zijn van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder.

Dat in het akoestisch onderzoek bij de beoordeling van de situatie na de herinrichting is uitgegaan van de situatie dat voor het gedeelte van de Almeloseweg direct ten zuiden van het nieuwe ontsluitingspunt een snelheidsregime van 30 km/uur zal gelden, terwijl hiervoor nog geen besluit is genomen, maakt dit niet anders. Uit de stukken, waaronder de plantoelichting, de Nota zienswijzen en het goedkeuringsbesluit, alsmede uit het verhandelde ter zitting is in voldoende mate gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is op het in het plan opgenomen tracé van de Almeloseweg, dat is gelegen ter hoogte van de woning [locatie 1] (gedeeltelijk) tot ten zuiden van [locatie 5] een snelheidsregime van maximaal 30 km/uur in te stellen.

De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat bij de vraag of sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder ten onrechte de intentie van het gemeentebestuur tot het instellen van deze 30 km/uur-zone is betrokken.

2.11.2.5. Voor zover [appellant sub 1] ter zitting naar voren heeft gebracht dat bij het akoestisch onderzoek ten onrechte gebruik is gemaakt van een standaard rekenmethode, overweegt de Afdeling dat bureau BVA de berekeningen in dit geval heeft uitgevoerd conform Standaardrekenmethode II (SRM-II), welke rekenmethode op grond van artikel 3, eerste lid, van het destijds geldende Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 de juiste is. Overigens wordt ook ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het op 1 januari 2007 in werking getreden Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 het equivalente geluidsniveau bepaald volgens genoemde Standaardrekenmethode II.

2.11.2.6. De omstandigheden dat de woning van [appellant sub 1] buiten de geluidszone van de nieuwe weg valt en dat geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder, op grond waarvan het plan in zoverre niet strijdig is met het bepaalde in de Wet geluidhinder, nemen niet weg dat het bestreden plandeel uit een oogpunt van geluidsbelasting in overeenstemming dient te zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Naar aanleiding van de beroepsgronden van [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] dat zij als gevolg van de nieuwe ontsluitingsweg veel geluidsbelasting zullen ondervinden, overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat voor de op enige afstand van het plangebied en ten noorden van de Krijgerstraat gelegen woningen van [appellanten sub 3] aan de Zuivelstraat en de Engelsstraat niet aannemelijk is gemaakt dat de geluidsbelasting als gevolg van de in het plan voorziene ontsluitingsweg zal toenemen. De Afdeling overweegt voorts dat blijkens het akoestisch onderzoek door bureau BVA de woningen aan de [locatie 2] en zuidelijk daarvan in de nieuwe situatie een lagere geluidsbelasting zullen ondervinden dan thans het geval is. Voor de woningen aan onder meer de [4 locaties] zal blijkens dit akoestisch onderzoek de geluidsbelasting iets toenemen; voor de woning [locatie 1] is in het rapport sprake van een toename van 0,9 dB(A), voor de andere genoemde woningen van 1,4 dB(A). De Afdeling is van oordeel dat het college in dit geval in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van verwezenlijking van het plan dan aan de belangen van de bewoners/eigenaren van de woningen aan de [locatie 1] en ten noorden daarvan, op de grond dat voor een groot aantal woningen, ten zuiden van het nieuwe ontsluitingspunt, de geluidsbelasting aanzienlijk lager zal worden en voor een kleiner aantal woningen in geringe mate hoger. De Afdeling betrekt bij dit oordeel dat de geluidstoename bij de woningen aan de Almeloseweg tussen de Krijgerstraat en het nieuwe ontsluitingspunt, die als voorheen aan een doorgaande weg met een snelheidsregime van 50 km/uur zullen zijn gesitueerd, ten hoogste 1,4 dB(A) bedraagt. De Afdeling betrekt hierbij tevens dat ter zitting van de kant van de raad is verklaard dat naar verwachting het vrachtverkeer vooral gebruik zal maken van de zuidelijke ontsluiting van het plangebied nabij de aansluiting met de rijksweg N36, temeer daar een deel van de bedrijvigheid uit het dorp naar het voorziene bedrijventerrein zal worden verplaatst en dat zonodig, indien mocht blijken dat het vrachtverkeer van dit gedeelte van de Almeloseweg gebruik blijft maken, passende verkeersmaatregelen zullen worden getroffen.

Gelet op het voorgaande heeft het college in hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] op dit punt hebben aangevoerd geen aanleiding behoeven te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.11.3. Naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 1] over door het zware vrachtverkeer veroorzaakte trillingen die leiden tot schade aan zijn woning [locatie 2], heeft het college zich op het standpunt gesteld het niet aannemelijk te achten dat als gevolg van trillingen schade zal worden toegebracht aan de langs de Almeloseweg gelegen woningen.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen overweegt de Afdeling dat voor het in het plan opgenomen tracé van de Almeloseweg, dat is gelegen ter hoogte van de woning [locatie 1] tot ten zuiden van [locatie 5], een snelheidsregime van maximaal 30 km/uur zal gelden. Voorts acht de Afdeling voldoende aannemelijk gemaakt dat, zoals hiervoor is overwogen onder 2.11.2.6., in de in het plan voorziene situatie het grootste deel van het vrachtverkeer het bedrijventerrein via de zuidelijke ontsluitingsweg zal in- en uitrijden.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het ontstaan van schade aan de woning van [appellant sub 1] als gevolg van trillingen door vrachtverkeer niet aannemelijk is en in redelijkheid kunnen afzien van het laten doen van onderzoek naar dit aspect.

2.11.4. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] dat de ligging van de nieuwe ontsluitingsweg lichthinder in hun woningen veroorzaakt, heeft het college zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat het plan wat betreft de precieze ligging van de nieuwe ontsluitingsweg ruimte laat voor maatwerkoplossingen en dat het gemeentebestuur bereid is daaraan mee te werken, zodat het inschijnende licht niet van zodanige invloed zal zijn op het woon- en leefklimaat in de woningen dat om die reden goedkeuring aan het plan diende te worden onthouden.

De Afdeling stelt vast dat de aansluiting van de in het plan opgenomen ontsluitingsweg op de Almeloseweg ter hoogte van de woningen [locatie 1 en 2] op de plankaart is aangegeven door middel van een pijl met de aanduiding 'ontsluitingspunt autoverkeer'. Anders dan [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] aanvoeren is niet voorzien in een aansluiting door middel van een haakse bocht. Het plan laat ruimte voor een andere aansluiting dan door middel van een hoek van 90ø. Volgens het deskundigenbericht is tussen de desbetreffende woningen en de Almeloseweg nog enige ruimte om technische oplossingen aan te brengen, zij het dat de ruimte bij de woning van [appellant sub 1] daarvoor klein is. De Afdeling stelt vast dat de bij de stukken behorende foto's deze conclusie bevestigen. Ter zitting is van de kant van de raad aan de hand van inrichtingsschetsen toegelicht dat de aansluiting anders kan worden uitgevoerd dan haaks op de Almeloseweg en toegezegd dat het precieze tracé na overleg met omwonenden tot stand zal komen, waarbij ook de aanleg van een aarden wal en het aanbrengen van groenvoorzieningen kunnen worden besproken. Onder deze omstandigheden heeft het college in hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] op dit punt naar voren hebben gebracht geen aanleiding hoeven zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.12. [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] voeren aan dat het plan ten onrechte voorziet in een horecabestemming in het zuidoostelijke deel van het plangebied. De aanwezigheid van horeca zal huns inziens leiden tot overlast, ook buiten kantoortijden en tot een verslechtering van de veiligheid in de omgeving.

2.12.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanduiding 'horeca' is bedoeld voor kleinschalige horeca en dat de locatie is gelegen op een afstand van ongeveer 150 meter van de Almeloseweg, zodat geen sprake is van een planologisch onaanvaardbare situatie.

2.12.2. Ingevolge artikel 4, lid I, aanhef en onder j, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor bedrijventerrein aangewezen gronden bestemd voor kleinschalige horeca, waaronder niet begrepen een discotheek, voor zover op de plankaart aangeduid als 'horeca'.

Ingevolge artikel 4, lid II, aanhef en onder a, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen dat de gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak, met dien verstande dat de totale oppervlakte aan kleinschalige horeca niet meer mag bedragen dan 600 mý, voor zover op de plankaart aangeduid als 'horeca'.

Niet in geschil is dat de aanduiding 'horeca' zich op circa 150 meter afstand van de Almeloseweg bevindt en dat een discotheek op grond van de planvoorschriften is uitgesloten. Gelet op de aard van de horeca en de afstand van ruim 150 meter tot de dichtstbij gelegen woning en mede in aanmerking genomen de in dit verband in de 'VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering' opgenomen aanvaardbare afstand die aanzienlijk kleiner is, acht de Afdeling het standpunt van het college dat van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat bij de woningen aan de Almeloseweg geen sprake zal zijn, niet onredelijk. Gelet op de kleinschaligheid van de voorziene horeca acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de horecabestemming zal leiden tot een zodanige verkeerstoename over de Almeloseweg dat het college hieraan doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. De Afdeling merkt verder nog op dat het college erop heeft gewezen dat de gemeente zonodig extra aandacht kan besteden aan de sociale veiligheid. Gelet op het voorgaande heeft het college in hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] op dit punt hebben aangevoerd geen aanleiding behoeven te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.13. [appellant sub 1] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 4, lid VIII, onder a, van de planvoorschriften aangezien de hierin opgenomen regeling zijns inziens te ruim is geformuleerd. Voldoen aan de milieuhygiënische normen sluit volgens hem overlast voor omwonenden niet uit.

2.13.1. Het college heeft zich aangesloten bij het standpunt van de raad, zoals verwoord in de 'Nota zienswijzen' en aanvullend opgemerkt dat het al dan niet verlenen van vrijstelling in een concrete situatie steeds gebeurt na een zorgvuldige belangenafweging waarvan de invloed op de woonomgeving uitdrukkelijk deel uitmaakt. De vrijstellingsbepaling bevat volgens het college voldoende concrete eisen voor het verrichten van deze toets. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het onmogelijk is om alle denkbare varianten van bedrijfstypen op te nemen in de 'Staat van bedrijven' en dat daarom artikel 4, lid VIII, onder a, van de planvoorschriften de mogelijkheid biedt om te beslissen over de vestiging van een bedrijf dat niet expliciet op de lijst wordt genoemd.

2.13.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Ingevolge artikel 4, lid VIII, onder a, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid VII voor de vestiging van bedrijven, welke weliswaar niet zijn genoemd in de in lid I toegestane categorieën van bedrijven, mits de bedrijfsactiviteiten naar aard en invloed op de woonomgeving gelijk zijn te stellen met de in deze Staat van bedrijven genoemde categorieën en mits deze bedrijfsactiviteit geen nadelige invloed heeft op de woonomgeving. Bij het toestaan van de bedrijven is de normering krachtens de milieuhygiënische wetgeving uitgangspunt.

2.13.3. De Afdeling overweegt dat het opnemen in een bestemmingsplan van een zogenoemde Staat van bedrijven met daarbij een vrijstellingsregeling voor bedrijven die niet in deze lijst voorkomen maar daarmee wel vergelijkbaar zijn, gebruikelijk is. Nu verder in dit geval in de vrijstellingsbepaling expliciet is opgenomen dat de desbetreffende bedrijfsactiviteit geen nadelige invloed mag hebben op de woonomgeving en, zoals het college terecht heeft verwoord, het al dan niet verlenen van vrijstelling gebeurt per concreet geval na een zorgvuldige integrale belangenafweging, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het standpunt van het college dat de in artikel 4, lid VIII, onder a, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsregeling voldoende objectief is begrensd, onjuist is. De omstandigheid dat bij de beslissing op een verzoek om vrijstelling de normering krachtens de milieuhygiënische wetgeving uitgangspunt dient te zijn, heeft het college, anders dan [appellant sub 1] betoogt, als voldoende concreet kunnen aanmerken. Deze beroepsgrond faalt.

2.14. [appellant sub 1] voert aan dat met betrekking tot de in het plangebied aanwezige gastransportleiding ten onrechte niet is geanticipeerd op toekomstige regelgeving. Door uit te gaan van de huidige afstandsnormen wordt zijns inziens een onverantwoord risico genomen.

[appellanten sub 3] voeren aan dat het bestreden besluit wat betreft de aardgasleiding innerlijk tegenstrijdig is, omdat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de desbetreffende aardgasleiding conform de circulaire is genormeerd, maar anderzijds aanleiding heeft gezien om goedkeuring te onthouden aan de gronden aan weerszijden van de aardgasleiding binnen een afstand van 20 meter. Verder hebben [appellanten sub 3] aangevoerd dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dit bebouwing toelaat binnen een afstand van 20 meter langs een soortgelijke aardgasleiding die zich in het plangebied langs de noordelijke plangrens bevindt.

2.14.1. Blijkens het bestreden besluit heeft het college goedkeuring onthouden aan de bestemming "Bedrijventerrein" over een afstand van 20 meter aan weerszijden van de in het plangebied gelegen aardgastransportleiding, voor zover daarop bebouwing is toegestaan. Daarbij heeft het college verwezen naar de circulaire 'Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen' van 26 november 1984 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de circulaire).

2.14.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] dat de afstandsnormen uit toekomstige regelgeving maatgevend dienden te zijn, overweegt de Afdeling dat de beoordeling van een bestemmingsplan door het college zoals hiervoor omschreven onder 2.3., in beginsel op grond van op dat moment geldende wet- en regelgeving dient te geschieden. Niet in geschil is dat ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit de circulaire van kracht was. In de omstandigheid dat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft aangekondigd dat ter zake een nieuwe algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid en vooruitlopend op de inwerkingtreding daarvan een brief aan gemeenten en provincies zal worden gestuurd die de circulaire zal vervangen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval van dit beginsel diende af te wijken, temeer niet nu die brief ten tijde van het bestreden besluit nog niet was bekend gemaakt. Dit betoog slaagt niet.

2.14.3. Met betrekking tot het betoog van [appellanten sub 3] over de innerlijke tegenstrijdigheid van het bestreden besluit voor zover het betreft de aardgasleiding, overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 3] dit op zichzelf terecht naar voren hebben gebracht, nu het college bij de behandeling van de bedenkingen enerzijds het standpunt heeft ingenomen dat het plan niet in strijd is met de in de circulaire opgenomen normen, maar anderzijds op grond van de in de circulaire opgenomen normen aanleiding heeft gezien om goedkeuring te onthouden aan een deel van het bestemmingsplan. Dit leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit nu het dictum daarvan ondubbelzinnig is.

Tussen partijen is niet in geschil dat de in de circulaire opgenomen toetsingsafstand in dit geval 20 meter bedraagt als veiligheidsafstand tussen aardgastransportleiding en bebouwing.

Ingevolge paragraaf 5.2.2. van de circulaire kunnen planologische, technische en economische belangen tot een kleinere afstand dan de toetsingsafstand leiden, in welk geval minimaal de afstanden dienen te worden aangehouden zoals aangegeven in tabel 4. Op grond van tabel 4 geldt in dit geval als minimale afstand 4 meter.

Op grond van artikel 7, lid 1, van de planvoorschriften in samenhang bezien met de plankaart is voor de leidingen door het plangebied een bebouwingsvrije zone van 4 meter aangehouden. Aangezien niet is gebleken en de raad ook niet heeft gemotiveerd dat in dit geval uit veiligheidsoogpunt een kleinere afstand dan de toetsingsafstand uit de circulaire kan worden aangehouden, heeft het college goedkeuring onthouden aan de bestemming "Bedrijventerrein" binnen 20 meter van de aardgastransportleiding voor zover daarop bebouwing is toegestaan.

2.14.4. Met betrekking tot hetgeen is aangevoerd over de in het noorden van het plangebied gelegen aardgastransportleiding overweegt de Afdeling dat op de plankaart twee leidingen zijn opgenomen en dat de onthouding van goedkeuring door het college uitsluitend betrekking heeft op de in het westelijke deel van het plangebied gelegen aardgastransportleiding. Door het college is erkend dat de op de plankaart ingetekende leiding aan de noordzijde van het plangebied door het college over het hoofd is gezien en toegelicht dat om die reden niet ook in zoverre goedkeuring aan het plan is onthouden. Ter zitting heeft het college de Afdeling verzocht in zoverre alsnog goedkeuring te onthouden aan het bestemmingsplan.

Voor zover de onthouding van goedkeuring van het college niet tevens betrekking heeft op de in het noorden van het plangebied gelegen aardgastransportleiding is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" over een afstand van 20 meter aan weerszijden van de langs de noordzijde van het plangebied gelegen aardgastransportleiding, voor zover daarop bebouwing is toegestaan. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb en goedkeuring te onthouden aan deze bestemming zoals hieronder nader aangegeven en zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart.

2.15. [appellant sub 1], de KNNV en [appellanten sub 3] betogen ten slotte dat onvoldoende aandacht is besteed aan andere mogelijke locaties voor de aanleg van een bedrijventerrein.

2.15.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de locatiekeuze een vrije bevoegdheid is van de raad en dat alternatieven pas aan de orde behoeven te komen indien is gebleken van ernstige bezwaren tegen het toegestane gebruik van de gronden, waarvan in dit geval niet is gebleken.

2.15.2. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.16. Hetgeen [appellant sub 1] en de KNNV hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het door hen aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Deze beroepen zijn ongegrond.

Behoudens hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd met betrekking tot de aardgastransportleiding geeft hun beroep evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dan wel voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hun beroep is met uitzondering van hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.14.4., voor het overige ongegrond.

2.17. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 10 juli 2007, kenmerk 2007/0456875, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" over een afstand van 20 meter langs de

langs de noordzijde van het plangebied gelegen aardgastransportleiding, voor zover daarop bebouwing is toegestaan, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

IV. onthoudt goedkeuring aan dit plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 10 juli 2007;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen voor het overige ongegrond;

VII. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en de vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging afdeling Vriezenveen ongegrond;

VIII. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant sub 3] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Overijssel aan [appellant sub 3] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat de provincie Overijssel aan [appellant sub 3] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Broodman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009

204-571.

plankaart