Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0435

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
200801408/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 januari 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij op de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 16 januari 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 6
Wet arbeid vreemdelingen 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2322
JOM 2010/351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801408/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Best,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij op de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 16 januari 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: de Brabantse Milieufederatie) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2008.

Het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2008, waar de Brabantse Milieufederatie, vertegenwoordigd door B. van Dinther en het college, vertegenwoordigd door T.P.W. van de Ven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

De Brabantse Milieufederatie heeft geen zienswijzen over het niet opstellen van een milieu-effectrapportage naar voren gebracht. Anders dan het college stelt heeft deze beroepsgrond geen betrekking op een besluitonderdeel als in de zin van artikel 6:13 Awb. Dit artikel staat er dan ook niet aan in de weg dat deze grond eerst in beroep wordt aangevoerd. In zoverre is er geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van het beroep.

2.2. De Brabantse Milieufederatie voert aan dat het college haar niet de meest actuele aanvraag heeft toegestuurd.

2.2.1. Het college stelt ervan uit te gaan dat het wel de meest actuele aanvraag heeft toegezonden. In elk geval heeft wel de meest actuele versie van de aanvraag ter inzage gelegen. Ook had de Brabantse Milieufederatie uit de considerans van het ontwerpbesluit kunnen opmaken wat de nieuwste aanvraag was.

2.2.2. De Afdeling overweegt dat uit hetgeen de Brabantse Milieufederatie heeft aangevoerd, noch anderszins gebleken is dat het bestreden besluit in strijd met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. De Brabantse Milieufederatie betoogt dat de aangevraagde verandering van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat de landschappelijke inpassing in de omgeving niet bij de besluitvorming is meegenomen. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer zoals dat artikel ten tijde van het bestreden besluit luidde en kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.4. De Brabantse Milieufederatie stelt dat ten onrechte geen milieu-effectrapportage is opgesteld. De uitbreiding verplicht volgens haar tot het opstellen van een dergelijk rapport.

2.4.1. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) is als activiteit ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is onder meer aangewezen: de oprichting van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens.

Ingevolge onderdeel A onder 2 van de bijlage bij het Besluit wordt onder oprichting van een inrichting mede verstaan: een uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de drempelwaarde van 3.000 vleesvarkens niet wordt overschreden. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. De Brabantse Milieufederatie voert aan dat ten aanzien van het beschermde natuurmonument 'De Kavelen' een toets op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 had moeten worden uitgevoerd.

2.5.1. Het college voert aan dat dit natuurmonument geen Natura-2000 gebied is en dat daarom een beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet niet bij het bestreden besluit behoefde te worden meegenomen.

2.5.2. De bezwaren van de Brabantse Milieufederatie dienen aan de orde te komen bij de vraag of een vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist en zo ja, of die vergunning kan worden verleend en onder welke voorwaarden. Het college heeft daarom terecht dit aspect buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de aanvraag om de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. De Brabantse Milieufederatie betwijfelt of de ammoniakuitstoot van het bedrijf correct is vastgesteld. Zij stelt hierbij dat het college er ten onrechte van uit gaat dat een ammoniakuitstoot van 2333,4 kg een verworven recht is en wijst er op dat in tabel 4 van de considerans voor stal 3 wordt uitgegaan van een foutieve emissiefactor. De Brabantse Milieufederatie stelt dat er hierdoor sprake is van een ontoelaatbare toename van de ammoniakemissie.

2.6.1. Het college voert aan dat de ammoniakemissie is getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij. Hieruit is gebleken dat de ammoniakuitstoot binnen het zogenaamde emissieplafond van artikel 7, eerste lid, onder a van deze wet blijft. Hierbij is niet uitgegaan van de exacte ammoniakemissie van 2333,4 kg, maar van de gecorrigeerde ammoniakemissie van 1856,4 kg. Ten aanzien van tabel 4 stelt het college dat daar per abuis een verkeerd stalsysteem met een grotere ammoniakemissie is blijven staan. Uit de aanvraag en de rest van de considerans blijkt echter om welk stalsysteem het echt gaat. Van een toename van de ammoniakemissie is volgens het college dan ook geen sprake.

2.6.2. Niet in geschil is dat de inrichting is gelegen op minder dan 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij.

Op grond van artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorie├źn en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1┬║, van de Wet ammoniak en veehouderij wordt de vergunning in afwijking van artikel 6 niet geweigerd voor zover de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college bij de beoordeling van het bestreden besluit uit is gegaan van een ammoniakemissie van 1856,4 kg en niet van een emissie van 2333,4 kg. Tevens blijkt dat uit is gegaan van het in de aanvraag genoemde stalsysteem voor stal 3 en niet van het foutief in tabel 4 van de considerans genoemde systeem. Gelet hierop en gelet op het feit dat de ammoniakuitstoot van het bedrijf binnen het zogenaamde emissieplafond van artikel 7, eerste lid, onder a van deze wet blijft is de Afdeling van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de aangevraagde uitbreiding kon worden vergund. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. De Brabantse Milieufederatie voert aan dat de uitstoot van ammoniak schade zal veroorzaken aan de in de omgeving gelegen natuurgebieden. Zij stelt dat de achtergronddepositie op deze loofbosgebieden de kritische depositiewaarde ruimschoots overschrijdt. In dit verband wijst zij er op dat op grond van de IPPC-richtlijn en de Wet ammoniak en veehouderij rekening moet worden gehouden met de bestaande achtergrond depositie. Volgens de Brabantse Milieufederatie heeft het college dit onvoldoende gedaan.

2.7.1. Het college stelt het bestreden besluit wat betreft de afstand tot kwetsbare gebieden te hebben getoetst aan artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij. De uitbreiding heeft volgens het college geen significante effecten op de omliggende natuurgebieden. Omdat de ammoniakemissie ten opzichte van de reeds eerder vergunde situatie afneemt en omdat gebruik wordt gemaakt van ammoniakreducerende technieken die verder gaan dan de best beschikbare technieken zijn verdergaande maatregelen volgens het college dan ook niet nodig.

2.7.2. Uit hetgeen het college heeft gesteld blijkt dat de ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden geen aanleiding geven om de ammoniakemissie van de inrichting met nadere vergunningvoorschriften verder te beperken. Gelet hierop heeft het college in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij terecht geen grond gezien om de gevraagde vergunning te weigeren. Deze beroepsgrond faalt.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009

315.