Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH0431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
200802040/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) [appellant] medegedeeld dat hij het [bijgebouw] op het perceel [locatie] te [plaats] binnen zes maanden na verzending van deze brief dient te verwijderen en verwijderd dient te houden of voormeld bijgebouw terug te brengen naar de situatie zoals vergund volgens de bouwvergunning van 29 maart 1987 met bijbehorende bouwtekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802040/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/3254 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 maart 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) [appellant] medegedeeld dat hij het [bijgebouw] op het perceel [locatie] te [plaats] binnen zes maanden na verzending van deze brief dient te verwijderen en verwijderd dient te houden of voormeld bijgebouw terug te brengen naar de situatie zoals vergund volgens de bouwvergunning van 29 maart 1987 met bijbehorende bouwtekening.

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 april 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.G. Schlösser, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Bij besluit van 30 september 2004 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om het [bijgebouw] op het perceel [locatie] te [plaats] terug te brengen naar de situatie zoals vergund volgens de bouwvergunning van 29 september 1987 met bijbehorende tekening. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden sinds de Afdeling bij uitspraak van 18 oktober 2006 in zaak nr. 200601371/1. Deze uitspraak heeft gezag van gewijsde, zodat zij bindend is in latere procedures.

Bij het besluit van 27 maart 2007 heeft het college louter de termijn verlengd, gedurende welke [appellant] de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat de termijn die hem bij het besluit van 27 maart 2007 is gesteld zich niet verdraagt met de omstandigheid dat de Afdeling bij uitspraak van 18 oktober 2006 in zaak nr. 200601374/1 heeft overwogen dat de rechtbank tot het onjuiste oordeel is gekomen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [belanghebbende], die met haar gezin het [bijgebouw] bewoonde, niet met succes een beroep op het gebruiksovergangsrecht kan doen.

2.3.1. De rechtbank heeft hetgeen [appellant] in bezwaar heeft aangevoerd ten onrechte betrokken bij de vraag of hij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij het besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn moet worden aangemerkt. [appellant] dient als belanghebbende te worden aangemerkt, aangezien zijn belang rechtstreeks is betrokken bij het besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn. De uitspraak van de voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 29 januari 1990 in zaak nr. R03.89.5497/S1455 (AB 1990, 287), waarnaar het college heeft verwezen, is inmiddels achterhaald (zie met name de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 22 juni 1990 in zaak nr. R03.87.7393, BR 1990, p. 839). De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 september 2007 van het college alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.5. Het besluit van 27 maart 2007 bevat geen heroverweging van het besluit van 30 september 2004 en kan in rechte nog slechts worden aangevochten wat betreft de daarin opgenomen nadere termijnstelling. De omstandigheid dat de Afdeling bij uitspraak van 18 oktober 2006 in zaak nr. 200601374/1 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen dat de rechtbank tot het onjuiste oordeel is gekomen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [belanghebbende] niet met succes een beroep op het gebruiksovergangsrecht kan doen, heeft geen gevolgen voor deze termijnstelling. De Afdeling verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 18 oktober 2006 in zaak nr. 200601371/1, waarin is overwogen dat [appellant] niet met succes een beroep op het gebruiksovergangsrecht kan doen, omdat aan het gebruiksovergangsrecht geen aanspraak kan worden ontleend op het achterwege blijven van handhavend optreden tegen illegale bouw. Al hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, miskent het daarbij gegeven bindende oordeel, dat overigens overeenkomt met vaste rechtspraak, waaruit voortvloeit dat juridisch onderscheid bestaat tussen bouwen en gebruiken.

Aangezien in het door [appellant] aangevoerde in het licht daarvan geen grond is gelegen voor het oordeel dat het college de begunstigingstermijn niet in redelijkheid heeft kunnen stellen op zes maanden na verzending van het besluit van 27 maart 2007 ziet de Afdeling aanleiding om zelf voorziend het bezwaar van [appellant] alsnog ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 maart 2008 in zaak nr. 07/3254;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Grave van 25 september 2007, kenmerk R&W/HH-AS-07086;

V. verklaart het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 27 maart 2007 ongegrond;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 september 2007;

VII. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.188,56 (zegge: elfhonderdachtentachtig euro en 56 cent) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Grave aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de gemeente Grave aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Sloots

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2009

499.