Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200800497/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan KPN Broadcast Services (hierna: KPN) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een zendstation voor het uitzenden van radio- en televisiekanalen aan de Zichtenburglaan 218-220 te Den Haag. Dit besluit is op 28 december 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2814
Milieurecht Totaal 2009/205
Module Ruimtelijke ordening 2009/5297 met annotatie van mr. F. Arents
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/3484
JOM 2009/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800497/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A], wonend te [woonplaats],

2. de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk, [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Den Haag,

3. de stichting Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Den Haag,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan KPN Broadcast Services (hierna: KPN) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een zendstation voor het uitzenden van radio- en televisiekanalen aan de Zichtenburglaan 218-220 te Den Haag. Dit besluit is op 28 december 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij het college ingekomen op 9 januari 2008, de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk, [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] (hierna: het Wijkberaad e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2008, en de stichting Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna: de Stichting e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2008, beroep ingesteld. Het college heeft het beroepschrift van [appellant sub 1] doorgezonden aan de Afdeling, alwaar het op 18 januari 2008 is ingekomen. [appellant sub 1] heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2008. Het Wijkberaad e.a. hebben de gronden van het beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. KPN en het Wijkberaad e.a. hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1], het Wijkberaad e.a. en de Stichting e.a. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2008, waar [appellant sub 1], in persoon, het Wijkberaad e.a., vertegenwoordigd door J.P.E Baakman en [secretaris] van de vereniging, en [appellant sub 2A] in persoon en bijgestaan door J.P.E. Baakman, en de Stichting e.a., vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in persoon en bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Kunst, ing. R.P. van der Geugten en A.S. Schreur, werkzaam bij de gemeente Den Haag, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting KPN Broadcast Services, vertegenwoordigd door mr. Q.J. Tjeenk Willink, advocaat te Amsterdam, mr. R.W.T. van Erp, en H.G. Lenten, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.1. Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten, heeft de Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag ten doel:

a. het bevorderen en beschermen van de leefomgeving in de gemeente 's-Gravenhage;

b. onder de doelstelling valt mede het behouden en het verbeteren van de natuur- landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de flora en fauna, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, de bodem en het water en de gezondheid van mensen en een goede ruimtelijke ordening;

c. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

2.1.2. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

De statutaire doelen van de Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag zijn zo veelomvattend dat ze onvoldoende onderscheidend zijn om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van deze stichting rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit.

Verder is gebleken dat de Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag geen feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, waaruit blijkt dat zij een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 oktober 2008 in zaak nr. 200801150/1; www.raadvanstate.nl) kan het in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Verder is in voornoemde uitspraak overwogen dat evenmin als feitelijke werkzaamheden gelden het indienen van verzoeken om handhavend op te treden en het naar voren brengen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, nu beide dienen ter voorbereiding van het in rechte opkomen tegen besluiten. Het kenbaar maken van plannen van de gemeente bij wijkverenigingen of buurtorganisaties, opdat zij tijdig bij de gemeente aan kunnen kloppen met vragen en of bezwaren, kan niet los worden gezien van deze procedures of de voorbereiding daarvan. Ook de ter zitting gegeven informatie over andere feitelijke activiteiten van de Stichting - wat daar ook van zij - leidt niet tot de conclusie dat de Stichting blijkens haar feitelijke werkzaamheden door het bestreden besluit rechtstreeks in haar belang is geschaad.

Voorts wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag door het optreden in rechte in dit geval een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand brengt waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijke optreden van een groot aantal individuele natuurlijke personen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. De Afdeling sluit met dit criterium aan bij het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 1986, nr. 12700 (AB 1987, 173).

2.1.3. Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat de Stichting bescherming Leefomgeving Den Haag krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. De Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag kan dan ook niet als belanghebbende worden aangemerkt. Het beroep van de Stichting e.a. is niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door de Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag.

2.2. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

[appellant sub 2C] heeft geen zienswijzen naar voren gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep van het Wijkberaad e.a. is gelet hierop niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 2C].

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. Voor zover het Wijkberaad e.a. zich in het beroepschrift hebben beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen, overweegt de Afdeling dat het college in het bestreden besluit zijn reactie daarop heeft gegeven. Het Wijkberaad e.a. hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. Voor zover het Wijkberaad e.a. aanvoeren dat het college onvoldoende heeft gereageerd op de door hen ingebrachte zienswijzen, overweegt de Afdeling dat het Wijkberaad e.a. niet hebben aangegeven op welke punten de reactie van het college onvoldoende is. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6. De Stichting e.a. voeren aan dat het college niet heeft gereageerd op de door hen ingediende zienswijzen.

2.6.1. Naar aanleiding van het ontwerp van het besluit van 3 september 2007 zijn door 197 mensen zienswijzen ingediend. In het bestreden besluit is een lijst opgenomen van de personen die zienswijzen hebben ingediend, waarbij zij allen van een nummer zijn voorzien. De zienswijzen zijn, kort samengevat en gecategoriseerd, in het bestreden besluit vermeld en ook deze zijn voorzien van een nummer. Bij elke genummerde zienswijze is door middel van een nummer aangegeven wie deze zienswijze heeft ingediend. De Stichting e.a. zijn vermeld op de lijst van indieners van zienswijzen onder nummer 41. Dit nummer wordt bij de bespreking van de zienswijzen slechts vermeld bij nummer 39. De door de Stichting e.a. ingediende zienswijzen komen echter overeen met de zienswijzen met nummers 1, 5, 6, 11, 14, 16, 19, 20, 21, 23, 24 en 25 die zijn vermeld in het bestreden besluit. In de omstandigheid dat het college deze zienswijzen wel beoordeeld heeft, ziet de Afdeling grond vernietiging achterwege te laten. De Stichting e.a zijn niet in hun belangen geschaad.

2.7. De Stichting e.a., het Wijkberaad e.a. en [appellant sub 1] voeren aan dat het college ten onrechte een vergunning heeft verleend, omdat te weinig bekend is over de effecten van de zendmast op de gezondheid van omwonenden. Volgens hen wordt alleen gekeken naar de thermische effecten. Ook is volgens hen onbekend wat de effecten op de lange termijn zijn. De Stichting e.a. stellen dat de door het college genoemde onderzoeken niet rechtstreeks van toepassing zijn op de onderhavige zendmast nu die onderzoeken zagen op GSM- en UMTS-masten, terwijl het in dit geval gaat om digitale radio- televisie en FM-radiosignalen. Zij wijzen op het Freiburger Appell waarin meer dan duizend Duitse artsen een sterke relatie zien tussen diverse ziekten en aandoeningen en de blootstelling aan straling. Het Wijkberaad e.a. voeren aan dat er volgens het BioInitiative Report geen limiet bestaat die als veilig beschouwd kan worden. Volgens hen had daarom uit voorzorg geen vergunning verleend moeten worden. Zij achten nader onderzoek vereist. [appellant sub 1] wijst er verder op dat hij binnenshuis gezondheidsklachten ondervindt die hij toeschrijft aan het in werking zijn van de zendmast.

2.8. Voorschrift 4.1. van de vergunning bepaalt dat de door de in de inrichting aanwezige zend- en antenne-installaties gezamenlijk opgewekte elektrische veldsterkte buiten de inrichting op plaatsen die toegankelijk zijn voor derden niet hoger mag zijn dan 28 V/m.

2.8.1. Blijkens het bestreden besluit heeft het college zich bij het stellen van vergunningvoorschrift 4.1 onder meer gebaseerd op het advies "Radiofrequente elektromagnetische velden (300 Hz- 300 GHz)", publicatie nr. 1997/01 van de Gezondheidsraad, en Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van de Europese Unie van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz- 300 GHz. In deze stukken wordt voor het DVB-T-frequentiegebied een veldsterkte van 28 Volt per meter als blootstellingslimiet aangehouden. Van de kant van KPN wordt er nog op gewezen dat de zendmast niet in werking was gedurende de periode waarin [appellant sub 1] zijn gezondheidsklachten ondervond.

2.8.2. Het deskundigenbericht vermeldt dat uit wereldwijde onderzoeken naar de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden die vanwege de frequentie van digitale TV en radio van toepassing zijn op deze situatie, blijkt dat radiofrequente elektromagnetische velden een nadelig gezondheidseffect kunnen hebben. Bij deze onderzoeken wordt onderscheid gemaakt tussen thermische effecten, te weten opwarming, en effecten door geïnduceerde stroom, te weten stimulering van spieren en zenuwen door elektrische stroompjes. Voor deze effecten zijn blootstellingslimieten opgesteld. Wat betreft de effecten op de korte termijn wordt in deze onderzoeken geconcludeerd dat deze niveaus in de woon- en leefomgeving zo goed als nooit voorkomen. Wat betreft de lange termijn wordt in de onderzoeken geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat radiofrequente elektromagnetische velden kanker of andere langetermijneffecten kunnen veroorzaken.

Wel zijn er volgens dit bericht wetenschappelijke onzekerheden over de eventuele invloed van het gewijzigde blootstellingspatroon door het sterk toegenomen gebruik van met name mobiele telefonie en de daarmee gepaard gaande GSM- en UMTS-basisstations en over de betekenis van de rapportage van, soms ernstige, gezondheidsklachten. In het deskundigenbericht wordt vermeld dat deze onzekerheden voor de rijksoverheid aanleiding zijn geweest om een onderzoeksprogramma te starten en dat de Gezondheidsraad hierover een advies heeft uitgebracht met aanbevelingen voor nader onderzoek en het opzetten van een kennis- en onderzoekscentrum. De overheid heeft echter volgens dit bericht nog geen aanleiding gezien om op grond van het voorzorgbeginsel een lagere grenswaarde vast te stellen voor radiofrequente elektromagnetische velden.

Voorts staat in het deskundigenbericht dat de Wereldgezondheidsorganisatie en de Internationale Commissie voor Bescherming tegen Niet-Ioniserende Straling en de Gezondheidsraad nauwgezet alle publicaties volgen en beoordelen, en mede op basis daarvan tot genoemde standpunten zijn gekomen. Het deskundigenbericht geeft aan dat het door het Wijkberaad e.a. genoemde BioInitiative Report geen wetenschappelijke publicatie is en geen nieuwe onderzoeksresultaten bevat.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat de onderzoeken voor een frequentierange gelden, waar zowel GSM en UMTS als (digitale) TV- en radiozenders onder vallen.

De Afdeling ziet, gelet op het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting, in hetgeen de Stichting e.a en het Wijkberaad e.a. hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid op het advies van de Gezondheidsraad en de Aanbeveling van de Europese Unie heeft kunnen baseren. Deze beroepsgrond faalt.

2.8.3. De Stichting e.a en het Wijkberaad e.a. voeren aan dat in dit deel van Den Haag vele zendmasten staan, maar dat door het college niet is beoordeeld of de cumulatie van straling van deze mast met de straling van andere masten tot gezondheidsschade kan leiden. De Stichting e.a. voeren verder aan dat in het onderzoek naar de veldsterkte onvoldoende is betrokken dat in de omgeving van de zendmast flats van behoorlijke hoogte staan, terwijl uit het onderzoek naar voren komt dat de straling vooral op grotere hoogte voorkomt.

2.8.4. Uit het deskundigenbericht blijkt dat ter plaatse van woningen van derden, zowel ter plaatse van laagbouw als ter plaatse van hoogbouw, de veldsterkte blijkens de berekening voor de digitenne-zender bij de aanvraag minder zal bedragen dan 3 V/m. Ook blijkt uit dit bericht dat gezien de lage waarden die optreden bij woningen van derden niet hoeft te worden gevreesd voor cumulatie met veldsterktes van andersoortige signalen. Deze beroepsgrond faalt.

2.8.5. De Stichting e.a. voeren aan dat het college vermeldt dat in de omgeving van de zendmast de elektrische veldsterkte ruim onder de waarde van 3 V/m ligt. In voorschrift 4.1 van de vergunning is echter een norm van 28 V/m opgenomen. Volgens hen is meer vergund dan aangevraagd en is daarmee de grondslag van de aanvraag verlaten. De Stichting e.a en het Wijkberaad e.a. vrezen dat KPN daarmee meer zenders aan de mast kan aanbrengen. De Stichting e.a achten het voorschrift onduidelijk en niet handhaafbaar, niet duidelijk is wat begrepen moet worden onder 'plaatsen buiten de inrichting die toegankelijk zijn voor derden'.

2.8.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de omgeving van de zendmast, waaronder niet slechts de gebouwen moeten worden begrepen, aan de waarde van 3 V/m kan worden voldaan. Door in voorschrift 4.1 van de vergunning een veldsterkte van 28 V/m op te nemen, heeft het college derhalve in strijd gehandeld met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Dit voorschrift komt in zoverre in aanmerking voor vernietiging. De Afdeling ziet aanleiding op hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat KPN heeft beoogd enkel vergunning aan te vragen voor een zendersysteem voor digitale televisie. Bij vergissing zijn echter ook vijf zendersystemen voor FM-radio en een zendersysteem voor DAB-radio in de aanvraag vermeld. De vergunning heeft dan ook mede betrekking op zendersystemen voor FM-radio en voor DAB-radio. Door het college is echter in strijd met artikel 3:2 van de Awb geen onderzoek verricht naar de veldsterkte voor deze zendersystemen voor FM-radio en DAB-radio. Ook in zoverre slaagt deze beroepsgrond.

Het voorschrift is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien het voldoende duidelijk is wat moet worden verstaan onder 'plaatsen buiten de inrichting die toegankelijk zijn voor derden'. In zoverre faalt deze beroepsgrond.

2.9. De Stichting e.a. voeren aan dat sprake is van visuele hinder. De mast is 154 meter hoog en in de nabijheid zijn de duinen en het recreatiegebied Madestein gelegen. Zij bestrijden dat sprake is van een minimalistische en transparante mast.

2.9.1. Het college voert aan dat het een mast op een industrieterrein in een stedelijke omgeving betreft.

2.9.2. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de mast vanuit de tuinen en woningen aan de op 100 meter afstand gelegen Meppelrade goed waarneembaar zal zijn. Het gaat om een open vakwerkconstructie die wit is geschilderd, zodat op deze afstand geen licht bij de woningen zal worden weggenomen en evenmin sprake zal zijn van een belemmering van het uitzicht.

De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.10. De Stichting e.a. voeren aan dat het energieverbruik van de mast zo hoog is dat een onderzoek verlangd had moeten worden naar de mogelijkheden dit verbruik terug te dringen.

2.10.1. Het college voert aan dat het energieverbruik is toe te schrijven aan het omzetten van elektrische energie in stralingsenergie en het koelen van de unit. De airco is energiezuinig en voldoet aan de stand van de techniek. Er is dus volgens het college geen besparingspotentieel, zodat het niet zinvol is een onderzoek voor te schrijven. Het deskundigenbericht onderschrijft dit standpunt. De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid ervan kunnen afzien te eisen dat een energiebesparingsonderzoek wordt uitgevoerd. Deze beroepsgrond faalt.

2.11. De Stichting e.a. voeren aan dat gelet op de hoogte en de constructie van de mast te verwachten valt dat de wind een fluittoon veroorzaakt wanneer ze door de spijlen van de toren waait. Zij stellen dat er tot dusver nog geen overlast is, maar vrezen dat dat anders is wanneer de zenders aan de mast aangebracht worden. Daarnaar had volgens hen onderzoek verricht moeten worden.

2.11.1. Volgens het college behoort dit beoordeeld te worden in de bouwvergunningprocedure.

2.11.2. De Afdeling overweegt dat de functie en de vormgeving van de inrichting onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Daarom moeten gronden met betrekking tot geluidhinder zonder meer geacht worden mede te zijn gericht tegen het verlenen van de milieuvergunning. Uit het deskundigenbericht blijkt dat het ontstaan van een fluittoon afhankelijk is van de constructie van de mast. Dit soort geluiden kan volgens dit bericht echter pas optreden bij hoge windsnelheden van windkracht 7 of meer, onder welke omstandigheden ook het omgevingsgeluid aanmerkelijk hoger zal liggen. Mede gelet op de afstand tot de dichtstbijgelegen woningen van derden, 100 meter, zal eventuele geluidhinder volgens dit bericht zeer tijdelijk van aard zijn. De Stichting e.a. hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Gelet op het verhandelde ter zitting en het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid ervan heeft kunnen afzien te eisen dat nader onderzoek wordt verricht. Deze beroepsgrond faalt.

2.12. De Stichting e.a. voeren aan dat de locatie van de mast onduidelijk is, nu het nummer van het perceel en het adres niet overeenkomen.

2.12.1. Het college voert aan dat uit de aanvraag en de daarbij behorende kadastrale tekening blijkt dat het om hetzelfde perceel gaat. Het betreft een ongenummerd perceel dat bereikbaar is via de ingang naast Zichtenburglaan 218—220. Daarmee is volgens het college voldoende duidelijk waar de inrichting volgens de vergunning mag worden opgericht en in werking mag worden gebracht. De Stichting e.a hebben niet aannemelijk gemaakt dat de locatie hiermee onvoldoende duidelijk is. Deze beroepsgrond faalt.

2.13. Het Wijkberaad e.a. voeren aan dat de zendmast commercieel geen succes zal worden, zodat het niet nodig was een vrijstelling te verlenen van de maximaal toegestane hoogte van 25 meter op het bedrijventerrein.

2.13.1. Wat de noodzaak van de zendmast betreft overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden geen doel treft.

2.14. Het Wijkberaad e.a. voeren aan dat de bouwvergunning ten onrechte niet is ingetrokken, alhoewel niet tijdig met de bouw is begonnen en de op 26 april 2004 verleende milieuvergunning was vervallen. De bouwvergunning is, wat hiervan ook zij, in rechte onaantastbaar, zodat deze beroepsgrond reeds hierom faalt.

2.15. Het beroep van het Wijkberaad e.a. is niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 2C]. Het beroep van de Stichting e.a. is niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door de Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag. De beroepen zijn voor het overige gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

2.16. Het college dient ten aanzien van het Wijkberaad e.a. en de Stichting e.a. op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk en anderen, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 3C], en het beroep van de stichting Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag en anderen, voor zover het is ingesteld door de stichting Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk en anderen, voor zover het is ingediend door de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en de stichting Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag en anderen, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 21 december 2007, kenmerk MPM-345/1008722, voor zover daarbij vergunning is verleend voor vijf zendersystemen voor FM-radio en een zendersysteem voor DAB-radio, en voor zover daarbij in voorschrift 4.1 van de vergunning is bepaald dat de door de in de inrichting aanwezige zend- en antenne-installaties gezamenlijk opgewekte elektrische veldsterkte buiten de inrichting op plaatsen die toegankelijk zijn voor derden niet hoger mag zijn dan 28 V/m;

IV. bepaalt dat voorschrift 4.1 van de vergunning inhoudt dat de door de in de inrichting aanwezige zend- en antenne-installaties gezamenlijk opgewekte elektrische veldsterkte buiten de inrichting op plaatsen die toegankelijk zijn voor derden niet hoger mag zijn dan 3 V/m;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk en anderen, voor zover het is ingediend door de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en de stichting Stichting Bescherming Leefomgeving Den Haag en anderen, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Den Haag aan de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Den Haag aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de gemeente Den Haag aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt;

gelast dat de gemeente Den Haag aan de vereniging Vereniging Wijkberaad Houtwijk, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

gelast dat de gemeente Den Haag aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009

433.