Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9795

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200802650/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2005 heeft de burgemeester van Westland (hierna: de burgemeester) [appellante] bevolen alle bouwwerkzaamheden op de percelen, plaatselijk bekend als [locaties] te [plaats] (hierna: de percelen), te staken en gestaakt te houden.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 175
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/35
JOM 2009/211 met annotatie van M.A.D.W. de Jong
JB 2009/56 met annotatie van M.A.D.W. de Jong
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802650/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 februari 2008 in zaak nr. 06/10090 in het geding tussen:

appellante

en

de burgemeester van Westland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2005 heeft de burgemeester van Westland (hierna: de burgemeester) [appellante] bevolen alle bouwwerkzaamheden op de percelen, plaatselijk bekend als [locaties] te [plaats] (hierna: de percelen), te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2008, verzonden op 29 februari 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 april 2008.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De burgemeester heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2008, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.P. van Delden, advocaat te Leiden, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. B. Magnin en mr. C.E.D. van Schayk, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 175 van de Gemeentewet is, in geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen of zware ongevallen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de burgemeester bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.

Ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

Ingevolge het tweede lid mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat bij hem de ernstige vrees bestond dat door het uitvoeren van de [appellante] vergunde bouwwerkzaamheden op de percelen een zwaar ongeval kon ontstaan. Dat standpunt heeft hij gebaseerd op de omstandigheid dat de bouwplannen geprojecteerd waren boven een tankgracht uit de Tweede Wereldoorlog waar een mijnenveld omheen was gesitueerd en het gegeven dat er een reële kans bestond dat niet alle mijnen ter plaatse waren geruimd. Ter zitting in hoger beroep heeft de burgemeester toegelicht dat al bekend was dat ter plaatse een oude tankgracht aanwezig was, maar dat hem eerst daags voor het uitvaardigen van het noodbevel bekend werd dat een reële kans bestond dat de explosieven ter plaatse niet waren geruimd.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat ten tijde van het primaire besluit een reële kans bestond dat door de bouwwerkzaamheden een oude mijn tot ontploffing zou kunnen worden gebracht en dat de burgemeester daarom kon overgaan tot het uitvaardigen van het bevel om de bouwwerkzaamheden met onmiddellijke ingang te staken. Hierbij heeft zij mede in aanmerking genomen dat de burgemeester geen andere bevoegdheden ter beschikking stonden om het staken en gestaakt houden van de bouwwerkzaamheden af te dwingen. Voorts heeft zij overwogen dat de burgemeester niet gehouden was bij het uitvaardigen van het noodbevel aan te geven voor welke periode het bevel zou gelden, omdat de kans op een ontploffing zou blijven bestaan totdat het terrein van explosieven zou zijn ontdaan en het [appellante] duidelijk moet zijn geweest dat zij de werkzaamheden pas zou kunnen hervatten nadat het terrein veilig zou zijn verklaard. De lange duur van het bevel kan voorts noodzakelijk worden geacht gezien de tijd die nodig is geweest voor het zoeken naar en ruimen van de explosieven. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in een geval als het onderhavige, gezien de ernstige vrees voor een zwaar ongeval, geen ruimte bestaat voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb.

2.4. [appellante] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat het uitvaardigen van het noodbevel disproportioneel was omdat hij de bouwwerkzaamheden reeds de dag tevoren op verzoek van de gemeente had stilgelegd. Door die stillegging was voorts het acute risico dat zich een ramp of zwaar ongeval zou voordoen verdwenen, zodat het besluit ook is genomen in strijd met de ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Awb vereiste belangenafweging. Voorts is het noodbevel ten onrechte voor onbepaalde tijd opgelegd en is het te lang gehandhaafd.

2.5. Bij het besluit van 7 april 2005 heeft de burgemeester [appellante] bevolen de bouwwerkzaamheden te staken en gestaakt te houden. Voorts is in het besluit vermeld dat [appellante] nader bericht zal ontvangen indien meer duidelijkheid ontstaat over de feitelijke aanwezigheid van mijnen op de percelen en dat de burgemeester hiertoe nader onderzoek zal verrichten. Dit brengt mee dat, zoals ter zitting door [appellante] is bevestigd, de duur van het noodbevel geen onderdeel uitmaakt van het geding. De vraag is slechts of de burgemeester het bevel op grond van de hem ten tijde van het besluit bekende omstandigheden mocht opleggen.

Het besluit van 7 april 2005 is gebaseerd op een risico-evaluatie door Saricon B.V., waarin staat dat in de strook van de voormalige tankgracht waarop de bouwplannen van [appellante] zijn geprojecteerd vermoedelijk mijnen en munitie zijn gedumpt en dat er zich mogelijk een concentratie van munitie bevindt. De conclusie van de analyse is dat de bouwwerkzaamheden in deze strook zonder verder onderzoek geen voortgang kunnen hebben. Op grond van deze analyse heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat ernstige vrees bestond voor een zwaar ongeval en heeft hij het ter beperking van gevaar nodig kunnen achten het staken en gestaakt houden van de bouwwerkzaamheden af te dwingen. Niet in geschil is dat de burgemeester geen andere middelen ter beschikking stonden om het staken van de bouwwerkzaamheden rechtens af te dwingen. Daarom is er geen grond voor het oordeel dat het uitvaardigen van het noodbevel disproportioneel was of op andere gronden had behoren te zijn nagelaten. Dit laat onverlet dat [appellante] om vergoeding van de door hem door het uitstel van deze werkzaamheden geleden schade kan verzoeken, hetgeen hij ook heeft gedaan.

De omstandigheid dat [appellante] de bouwwerkzaamheden desgevraagd zelf al had gestaakt leidt niet tot een ander oordeel, nu de burgemeester het, op grond van vorengenoemde omstandigheden, nodig heeft kunnen achten het staken en gestaakt houden van de bouwwerkzaamheden zo nodig te kunnen afdwingen wanneer en zolang hij dat nodig zou achten.

Omdat uit de risico-evaluatie blijkt dat nader onderzoek nodig was kan voorts niet worden staande gehouden dat de burgemeester het noodbevel voor een tevoren bepaalde termijn had moeten opleggen. Toen het noodbevel werd uitgevaardigd was nog niet duidelijk en kon ook nog niet duidelijk zijn hoeveel tijd nodig zou zijn voor het ruimen van de explosieven. Derhalve was ten tijde van het opleggen van het noodbevel niet bekend wanneer de ernstige vrees voor een ramp of een zwaar ongeval zou zijn geweken. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het [appellante] duidelijk moet zijn geweest dat zij de bouwwerkzaamheden eerst zou kunnen hervatten nadat de percelen veilig zouden zijn verklaard. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009

413.