Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200803351/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft de minister van Economische Zaken (hierna: de minister van EZ) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (hierna: NAM) een vergunning krachtens artikel 40 van de Mijnbouwwet verleend voor het oprichten en in stand houden van een mijnbouwwerk en voor het met behulp van een mobiele boorinstallatie verrichten van een exploratieboring aan de Tibsterwei te Ee in de gemeente Dongeradeel, op de percelen kadastraal bekend gemeente Ee, sectie K, nummers 373 en 374. Dit besluit is op 27 maart 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803351/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Economische Zaken,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft de minister van Economische Zaken (hierna: de minister van EZ) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (hierna: NAM) een vergunning krachtens artikel 40 van de Mijnbouwwet verleend voor het oprichten en in stand houden van een mijnbouwwerk en voor het met behulp van een mobiele boorinstallatie verrichten van een exploratieboring aan de Tibsterwei te Ee in de gemeente Dongeradeel, op de percelen kadastraal bekend gemeente Ee, sectie K, nummers 373 en 374. Dit besluit is op 27 maart 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant]bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2008, beroep ingesteld.

De minister van EZ heeft een verweerschrift ingediend.

Er zijn nog stukken ingekomen van de NAM en van [appellant]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2008, waar de minister van EZ, vertegenwoordigd door mr.drs. I.P. Hasper en ing. M. Mezger, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de NAM, vertegenwoordigd door mr. M.D.G. Visser en M. Lambers, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2008 zijn het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (Stb. 2008, 125) en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet in werking getreden.

Door deze wetswijziging, voor zover hier van belang, vervalt ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, juncto artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (hierna: het Besluit) de vergunningplicht voor een mobiele installatie op land met bijbehorend terrein met uitzondering van een mobiele installatie die geplaatst is bij een voor winning bestemd mijnbouwwerk. Niet in geschil is dat de uitzondering in artikel 5, tweede lid, van het Besluit hier niet van toepassing is.

Ingevolge artikel 66, eerste lid, van het Besluit blijven voor een installatie als bedoeld in artikel 4 en artikel 5, eerste lid, waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer of artikel 40, tweede lid, eerste volzin, van de Mijnbouwwet is verleend, de voorschriften met betrekking tot geluid van die vergunning gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op die installatie van toepassing als maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 20, eerste of tweede lid.

2.2. De bij het bestreden besluit verleende milieuvergunning heeft uitsluitend betrekking op het aanleggen van de mijnbouwlocatie en op het uitvoeren van een proefboring naar aardgas, met behulp van een tijdelijk te plaatsen boorinstallatie.

2.3. Uit voornoemde wetswijziging volgt dat voor de bij het bestreden besluit vergunde activiteiten geen vergunning meer is vereist en dat de bij dat besluit verleende vergunning is vervallen.

Niet is gebleken dat [appellant] in zoverre niettemin belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.4. Uit artikel 66, eerste lid, van het Besluit volgt dat de aan de verleende vergunning verbonden geluidvoorschriften gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit als maatwerkvoorschriften op de inrichting van toepassing blijven.

Voor zover het beroep zich richt tegen de van de inrichting te duchten geluidhinder, overweegt de Afdeling dat die beroepsgrond niet kan slagen omdat de grenswaarden in tabel I bij voorschrift IV.2 van de vergunning, die thans gelden als maatwerkvoorschrift, strenger zijn dan de gelijkluidende grenswaarden uit tabel I bij artikel 19 van het Besluit, omdat de grenswaarden uit de vergunning op kortere afstand van de mobiele installatie gelden, te weten 240 meter tegenover 300 meter bij tabel I bij artikel 19 van het Besluit. [appellant] heeft in zijn beroep noch ter zitting betoogd dat de grenswaarden bij de vergunning, die thans als maatwerkvoorschrift gelden, ontoereikend zijn.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009

159-209.