Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200802983/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te Venray (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802983/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Venray,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 maart 2008 in zaak nr. 07/1729 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te Venray (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 oktober 2007 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. Seelen, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

[wederpartij] heeft bij brief van 17 oktober 2008 laten weten dat zij niet aanwezig zal zijn ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding op de begane grond met een verblijfsruimte van 30 m². Ten tijde van het primaire besluit was het in strijd met het toen op het perceel van toepassing zijnde bestemmingsplan "Burggraaf". Het college heeft voor het bouwplan vrijstelling verleend krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

Het college heeft zich in het besluit op bezwaar van 30 oktober 2007 op het standpunt gesteld dat het bouwplan ingevolge het inmiddels op het perceel van toepassing zijnde bestemmingsplan "Venray" (hierna: het bestemmingsplan) een bijgebouw is. Voorts heeft het gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat derhalve krachtens artikel 44 van de Woningwet bouwvergunning dient te worden verleend. Het college heeft het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 22 juli 2005 dan ook opnieuw ongegrond verklaard.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het bouwplan geen bijgebouw is, buiten de grenzen van het geschil is getreden, nu [wederpartij] de beroepsgrond die zag op bepalingen ten aanzien van bij- en hoofdgebouwen bij brief van 16 januari 2008 uitdrukkelijk heeft ingetrokken.

2.2.1. In de brief van 16 januari 2008 aan de rechtbank heeft [wederpartij] het volgende medegedeeld: "Hierbij wens ik de motivering van beroepsgrond 1 dat de aanbouw in strijd met het bestemmingsplan is te wijzigen. De strijdigheid volgt niet uit artikel 3.4.2, aanhef en sub a, maar uit de artikelen 3.1, 20.1 en met name 20.2 van de voorschriften."

Ingevolge artikel 3.4.2, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen, voor zover thans van belang, bijgebouwen in de subbestemmingen W(v), W(hv) en W (a) uitsluitend in de bebouwbare zone worden gebouwd.

Ingevolge artikel 3.1, voor zover thans van belang, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Woondoeleinden -W-", met inachtneming van het bepaalde in artikel 20 beschermingszone d (veiligheidszone LPG-installatie), bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 20.1 zijn de op de plankaart als "Beschermingszone d (veiligheidszone lpg-installatie)" aangegeven gronden, behalve voor de doeleinden van de andere krachtens dit plan aan deze gronden gegeven bestemmingen, primair bestemd voor bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de nabijheid van een vulpunt van de LPG-installatie.

Ingevolge artikel 20.2 zijn op de in artikel 20.1 bedoelde gronden geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan.

2.2.2. Het betoog slaagt. Uit de brief van 16 januari 2008 valt af te leiden dat [wederpartij] haar beroepsgrond dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan heeft willen beperken tot strijd met artikel 20.1, gelezen in samenhang met de artikelen 3.1 en 20.2, van de voorschriften van het bestemmingsplan. In beroep hebben [wederpartij] en het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan ziet op een bijgebouw. Door desalniettemin te oordelen dat het bouwplan dat niet is en dat het college in het besluit op bezwaar daarom een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) buiten de grens van het geschil getreden.

Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de laatste bij de rechtbank aangevoerde beroepsgrond beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.3. [wederpartij] heeft tevergeefs betoogd dat, nu ten tijde van het besluit op bezwaar het bestemmingsplan "Venray" het geldende bestemmingsplan was en het bouwplan daarmee in overeenstemming is, het college ten onrechte heeft nagelaten bij besluit op bezwaar de bij het primaire besluit verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Burggraaf" te herroepen. Geen rechtsregel vereist dat in een situatie als thans aan de orde bij besluit op bezwaar de overbodig geworden vrijstelling wordt herroepen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 juli 2005 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 maart 2008 in zaak nr. 07/1729;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009

488.