Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200800356/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (L) (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend als gemeente Bergen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 29 november 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 10
Natuurbeschermingswet 1998 16
Natuurbeschermingswet 1998 60
Natuurbeschermingswet 1998 65
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/4324
JOM 2009/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800356/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen (L),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (L) (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend als gemeente Bergen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 29 november 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellante A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2008, waar [appellante A], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [appellant B] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. G.J.M. Geveling en F.L.J.G. Verhappen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

Buiten bezwaar van partijen zijn door het college en vergunninghouder ter zitting nog stukken in het geding gebracht

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

[appellante A] en [appellant B] hebben geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot geur. Nu niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden verweten dat over deze categorie milieugevolgen geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is de hierop betrekking hebbende beroepsgrond niet-ontvankelijk.

2.2. [appellante A] en [appellant B] voeren aan dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit een milieu-effectrapport had moeten maken. Zij stellen in dit verband dat de milieubelasting vanwege de inrichting, waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend, hoger is dan de milieubelasting van een inrichting waarvoor, vanwege overschrijding van de drempelwaarden in het Besluit milieu-effectrapportage 1994, de verplichting bestaat om een milieu-effectrapport te maken.

2.2.1. Ten tijde van de voorbereiding van het bestreden besluit was in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: de Bijlage) als activiteit ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is onder meer aangewezen: de oprichting van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens of meer dan 900 plaatsen voor zeugen.

2.2.2. Voor de beantwoording van de vraag of bij de voorbereiding van het bestreden besluit een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, is slechts relevant of de drempelwaarden als genoemd in onderdeel C van de Bijlage worden overschreden en niet - zoals [appellante A] en [appellant B] betogen - de milieubelasting vanwege de inrichting uitgedrukt in ammoniakemissie en mestvarkeneenheden.

Vast staat dat bij het bestreden besluit, voor zover hier van belang, vergunning is verleend voor het houden van 1.992 vleesvarkens en 320 opfokzeugen. Nu met het vergunde veebestand de drempelwaarden als genoemd in onderdeel C van de Bijlage niet worden overschreden, heeft het college terecht geoordeeld dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit geen milieu-effectrapport hoeft te worden gemaakt. De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellante A] en [appellant B] betogen dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met de Richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn). Volgens hen heeft de toename van de ammoniakdepositie als gevolg van de bij het bestreden besluit vergunde oprichting van de inrichting gevolgen voor het door de Habitatrichtlijn beschermde natuurgebied "Zeldersche Driessen".

2.3.1. Bij beschikking van de Commissie van 7 december 2004 (PbEG 2004, L 387/1) is het gebied "Zeldersche Driessen", met een oppervlakte van 53 hectare, geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn (hierna: het habitatrichtlijngebied). Zodra een gebied op deze lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn.

Het gebied "Zeldersche Driessen" is bij besluit van 26 juni 1973 krachtens artikel 21 van de Natuurbeschermingswet aangewezen als staatsnatuurmonument. Dit staatsnatuurmonument heeft blijkens de toelichting bij dat besluit een oppervlakte van 53 hectare. Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 geldt dit besluit thans als een besluit tot aanwijzing van een beschermd natuurmonument krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998.

Het college heeft ter zitting gesteld dat het habitatrichtlijngebied en het als staatsnatuurmonument aangewezen gebied grotendeels overlappen. Er is geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

2.3.2. Ingevolge artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998, samen met artikel 65 van deze wet, is het - kort weergegeven - verboden zonder vergunning handelingen binnen of buiten het beschermde natuurmonument in kwestie te verrichten die voor het gebied schadelijk kunnen zijn. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 28 februari 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200604026/1&verdict_id=16334&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200604026/1&utm_term=200604026/1">200604026/1</a> overwogen dat dit rechtsregime Habitatrichtlijnconform geïnterpreteerd dient te worden. Dit betekent dat de werking van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn kan worden verzekerd via toepassing van het richtlijnconform geïnterpreteerde artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998. Bij de toepassing van artikel 16 dienen, gelet op de beperkte omvang van het gedeelte van het habitatrichtijngebied dat niet tevens als beschermd natuurmonument is aangewezen, de effecten op het gehele habitatrichtlijngebied te worden beoordeeld.

Nu een beoordeling van de effecten op het gebied "Zeldersche Driessen" kan plaatsvinden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998, is een rechtstreeks beroep op artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn in de huidige procedure omtrent de verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer niet aan de orde.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Voor zover [appellante A] en [appellant B] aanvoeren dat het college vergunninghouder ten onrechte niet heeft gewezen op de verplichting om een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 aan te vragen, overweegt de Afdeling dat er geen rechtsregel is die het college hiertoe verplicht. Reeds hierom faalt de beroepsgrond.

2.5. [appellante A] en [appellant B] betogen voorts dat het bestreden besluit in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005. Zij voeren aan dat niet aannemelijk is dat de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) niet worden overschreden. [appellante A] en [appellant B] merken in dit verband op dat in het op 5 september 2007 uitgebrachte rapport van het luchtkwaliteitonderzoek dat in opdracht van vergunninghouder is verricht door M&A Milieuadviesbureau B.V. niet geheel juist is.

2.5.1. Het college heeft in het verweerschrift te kennen gegeven dat [appellante A] en [appellant B] terecht enkele kanttekeningen plaatsen bij het op 5 september 2007 uitgebrachte luchtkwaliteitrapport. Naar aanleiding daarvan is een nieuwe versie van het luchtkwaliteitrapport opgesteld, gedateerd 24 oktober 2008. In het rapport wordt geconcludeerd dat een zeer geringe toename van de concentratie zwevende deeltjes plaatsvindt, en dat wordt voldaan aan de voor zwevende deeltjes geldende grenswaarden.

[appellante A] en [appellant B] hebben argumenten naar voren gebracht op grond waarvan aannemelijk zou kunnen worden geacht dat het luchtkwaliteitrapport van 24 oktober 2008 op onjuiste wijze tot stand is gekomen of onjuiste gegevens bevat. Nu uit dit rapport blijkt dat aan de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 gestelde grenswaarde voor zwevende deeltjes wordt voldaan, faalt de beroepsgrond.

2.6. [appellante A] en [appellant B] voeren aan dat, kort weergegeven, de vergunning had moeten worden geweigerd vanwege de toekomstige vestiging van veehouderijen in het landbouwontwikkelingsgebied Siebengewald.

2.6.1. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag, voor zover hier van belang, bij de beslissing op de aanvraag de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu met betrekking tot het gebied waarin de inrichting zal zijn gelegen betrekken.

2.6.2. Ter zitting heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat het bij de beslissing op de aanvraag die inrichtingen in het landbouwontwikkelingsgebied Siebengewald heeft betrokken waarvoor, ten tijde van het bestreden besluit, een milieuvergunning was verleend.

Voor het overige heeft het college zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vestiging van andere veehouderijen niet dermate zeker was, dat die vestiging als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling in de zin van artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer is die het college bij de beslissing op de aanvraag diende te betrekken. [appellante A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet op goede gronden op dit standpunt heeft kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellante A] en [appellant B] voeren aan dat vestiging van de inrichting in het landbouwontwikkelingsgebied Siebengewald zich niet verdraagt met het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg (hierna: het Reconstructieplan). Zij merken in dit verband op dat uit het Reconstructieplan volgt dat in dit landbouwontwikkelingsgebied slechts incidentele nieuwvestiging mag plaatsvinden in verband met verplaatsing van (intensieve) veehouderijbedrijven van het natuurgebied Maasduinen. Volgens [appellante A] en [appellant B] blijkt uit het bestreden besluit niet dat de inrichting aan de criteria voor nieuwvestiging voldoet.

2.8. Ingevolge artikel 8.10 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, kan de vergunning slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. De genoemde beroepsgrond heeft daarop geen betrekking en geeft in zoverre geen grond voor weigering van de vergunning.

De beroepsgrond faalt.

2.9. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de beroepsgrond inzake geurhinder betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009

262-570.