Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9756

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200801682/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2006 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) [appellant] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2010, 40
Module Rijbewijzen 2014/498
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801682/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1977 van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2006 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) [appellant] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid.

Bij besluit van 9 mei 2007 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke besluiten van 25 januari 2008 heeft het CBR het besluit van 9 mei 2007 ingetrokken en het bewaar van [appellant] alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2008, verzonden op 20 februari 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] tegen het besluit van 9 mei 2007 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van 25 januari 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van dit vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 april 2008.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 oktober 2008 heeft [appellant] nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, medewerker in dienst van het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ambtshalve oordeelt de Afdeling als volgt.

Het CBR heeft bij afzonderlijke besluiten van 25 januari 2008 het besluit van 9 mei 2007 ingetrokken en het bewaar van [appellant] alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze besluiten dienen naar hun aard als één vervangend besluit op bezwaar te worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) moet het bij de rechtbank door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 9 mei 2007 geacht worden mede te zijn gericht tegen de aldus onverbrekelijk samenhangende besluiten van 25 januari 2008. De rechtbank heeft die onverbrekelijke samenhang miskend, door na te laten het gehele vervangende besluit op bezwaar van 25 januari 2008 te vernietigen en bijgevolg ten onrechte beslist tot niet-ontvankelijkverklaring van het tegen het besluit van 9 mei 2007 gerichte beroep.

Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 mei 2007 niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 25 januari 2008 tot niet-ontvankelijkverklaring van het door [appellant] gemaakte bezwaar, en heeft nagelaten het besluit op bezwaar van 25 januari 2008 voor zover strekkende tot intrekking van het besluit van 9 mei 2007 te vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling dat besluit op bezwaar in zijn geheel vernietigen.

2.2. De Afdeling zal het beroep van [appellant] tegen het besluit van 9 mei 2007 zelf behandelen.

2.3. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) is het een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. De aan de maatregelen verbonden kosten, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, komen ten laste van betrokkene.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de regeling) besluit het CBR tot oplegging van een EMA indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3 ‰.

2.4. Het CBR heeft aan de oplegging van de EMA het volgende ten grondslag gelegd. Uit een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, gedateerd 7 oktober 2006 van de politie Rotterdam-Rijnmond is gebleken dat [appellant] op 6 oktober 2006 in een café aan de Schiedamseweg te Schiedam vier glazen bier heeft gedronken. [appellant] heeft erkend dat hij vervolgens als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden. Volgens getuigen heeft [appellant] hierbij op de Schiedamseweg een geparkeerde auto aangereden en is hij hierna doorgereden. De politie is vervolgens naar de woning van [appellant] gegaan en heeft hem op 7 oktober 2006 onderworpen aan een ademonderzoek. Bij dit onderzoek is een ademalcoholgehalte van 670 µg/l (1,541 ‰) geconstateerd.

2.5. [appellant] betwist dat het CBR bevoegd was de EMA op te leggen. Daarbij voert hij aan dat het CBR ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij na thuiskomst in zijn woning nog drie glazen wijn heeft gedronken, hetgeen van invloed is geweest op het geconstateerde ademalcoholgehalte. [appellant] verwijst naar het in het kader van de tegen hem ingestelde strafrechtelijke procedure op 7 december 2006 opgestelde rapport van de toxicoloog dr. Bosman. Volgens dit rapport zou het ademalcoholgehalte van [appellant] voor het drinken van de drie glazen wijn 409 µg/l hebben bedragen. Op grond hiervan heeft de politierechter niet wettig en overtuigend bewezen geacht dat zijn ademalcoholgehalte 670 µg/l bedroeg. Hij acht het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat hem desondanks een EMA is opgelegd. Voorts betwist hij dat hij op 6 oktober 2006 een aanrijding heeft veroorzaakt. Hij wijst erop dat hij hiervoor nooit is vervolgd en dat de gestelde schade aan de aangereden auto nooit op hem is verhaald.

2.6. Dit betoog faalt. Uit de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften vloeit niet voort dat het in artikel 8 van de regeling genoemde ademalcoholgehalte moet zijn geconstateerd tijdens het besturen van een motorvoertuig. De bevoegdheid tot het opleggen van een EMA komt het CBR reeds toe indien aannemelijk is dat betrokkene onder invloed van een hoger ademalcoholgehalte dan genoemd in artikel 8 van de regeling een motorvoertuig heeft bestuurd. Daartoe is voldoende dat het aan de aanhouding en verbalisering ten grondslag liggende vermoeden dat daarvan sprake is geweest, wordt bevestigd door het daarop ingestelde onderzoek naar dat gehalte.

Niet in geschil is dat [appellant] meer dan de volgens artikel 8, tweede lid, van de WVW toegestane hoeveelheid alcohol heeft genuttigd alvorens een motorvoertuig te gaan besturen. Evenmin is in geschil dat bij het ademonderzoek door de politie bij hem een ademalcoholgehalte van 670 µg/l (1,541 ‰) is geconstateerd. Onder deze omstandigheden kan de stelling van [appellant], dat hij na thuiskomst nog drie glazen wijn heeft gedronken, niet afdoen aan de bevoegdheid van het CBR om een EMA op te leggen op basis van het geconstateerde gehalte en het daaraan ontleende vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW. De door [appellant] in de nacht van 6 op 7 oktober 2006 gevolgde handelwijze brengt met zich dat een eventuele discrepantie tussen het gehalte tijdens het besturen en het gehalte ten tijde van de constatering voor zijn rekening en risico komen.

De omstandigheid dat de politierechter niet wettig en overtuigend bewezen heeft geacht dat het ademalcoholgehalte van [appellant] tijdens het besturen van zijn auto 670 µg/l bedroeg, doet evenmin af aan de bevoegdheid van het CBR om een EMA op te leggen. Het gaat in deze zaak niet om een strafrechtelijke procedure, maar om een daarvan los staande, bestuursrechtelijke maatregel die erop is gericht de ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk geachte deelname aan een EMA af te dwingen. Het opleggen van een EMA vloeit niet voort uit het vermoeden van overtreding van artikel 8 van de WVW, maar uit het vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Het door de politie op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 7 oktober 2006 biedt voldoende grondslag voor een dergelijk vermoeden.

Uit het voorgaande volgt dat het CBR bevoegd was de EMA op te leggen.

2.6.1. Voor het oordeel dat de EMA is opgelegd in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond.

2.7. Het beroep tegen het besluit van 9 mei 2007 is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2008 in zaak nr. 07/1977, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het gehele besluit op bezwaar van 25 januari 2008 van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te vernietigen, het beroep tegen het besluit van 9 mei 2007 van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 25 januari 2008 van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot niet-ontvankelijkverklaring van het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2006;

III. vernietigt het besluit op bezwaar van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 25 januari 2008;

IV. verklaart het bij de rechtbank tegen het besluit van 9 mei 2007 van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen ingestelde beroep ongegrond;

V. gelast dat de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.

176-512.