Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200802257/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Groot Salland (hierna: het waterschap) met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) besloten een aanvraag van [appellant] voor een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) niet in behandeling te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802257/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats],

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Groot Salland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Groot Salland (hierna: het waterschap) met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) besloten een aanvraag van [appellant] voor een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 21 december 2007 heeft het waterschap het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2008, beroep ingesteld.

Het waterschap heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het waterschap, vertegenwoordigd door mr. M. Beekman en L. Vasse, beiden werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat voor de lozing van verontreinigd hemelwater op het gemeentelijk riool geen vergunning krachtens de Wvo nodig is.

2.1.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wvo is het verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.

Ingevolge het tweede lid geldt dit verbod niet voor een lozing met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten. Deze uitzondering geldt, voor zover hier van belang, niet voor lozingen vanuit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soorten van inrichtingen.

In artikel I, aanhef en onder c, van het Besluit van 4 november 1983, Stb. 1983, 577 (hierna: het Besluit), zijn als soorten van inrichtingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wvo onder meer aangewezen inrichtingen die afvalstoffen opslaan, behandelen of verwerken.

Ingevolge artikel IA van het Besluit is artikel I niet van toepassing op inrichtingen waaruit alleen afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd.

2.1.2. Binnen de onderhavige inrichting worden afvalstoffen opgeslagen en bewerkt. Derhalve is, - gelet op artikel I van het Besluit - de in artikel 1, tweede lid, van de Wvo genoemde uitzondering op de vergunningplicht voor lozingen met behulp van een werk, dat op een ander werk is aangesloten, niet van toepassing. Aangezien vanuit de inrichting verontreinigd hemelwater wordt geloosd, doet de uitzondering van artikel IA van het Besluit zich niet voor. Gelet hierop is voor de lozing van verontreinigd hemelwater een vergunning krachtens de Wvo nodig. De beroepsgrond faalt.

2.2. [appellant] betoogt dat de aanvraag om vergunning krachtens de Wvo (hierna: de Wvo-aanvraag) voldoende informatie bevat en dat het waterschap niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten deze niet te behandelen.

2.2.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking.

2.2.2. [appellant] heeft op 4 april 2007 een Wvo-aanvraag ingediend voor de lozing van afvalwater vanuit zijn inrichting. Tevens heeft hij een aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (hierna: de Wm-aanvraag) bij het college van gedeputeerde staten van Overijssel ingediend. Bij brief van 6 juni 2007 heeft het waterschap [appellant] verzocht om binnen acht weken aanvullende gegevens te verstrekken. [appellant] heeft binnen deze termijn zijn Wvo-aanvraag aangevuld. Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het waterschap geoordeeld dat de door [appellant] verstrekte gegevens en bescheiden, ook na de aanvulling, onvoldoende waren voor de beoordeling van de Wvo-aanvraag. Volgens het waterschap was niet alle verzochte aanvullende informatie overgelegd. Tevens waren er tegenstrijdigheden tussen de beide gecoördineerd te behandelen Wvo- en Wm-aanvraag waardoor onduidelijkheid bleef bestaan over de aangevraagde lozingssituatie, aldus het waterschap. Om deze reden heeft het waterschap besloten de Wvo-aanvraag niet te behandelen.

2.2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat een deel van de door het waterschap verzochte aanvullende gegevens, waaronder gegevens met betrekking tot de binnen de inrichting aanwezige zuiveringstechnische voorzieningen, niet door [appellant] zijn verstrekt. Tevens is gebleken dat de Wvo- en Wm-aanvraag van elkaar afwijken, met name ten aanzien van de afvoer van het hemelwater dat afkomstig is van het achterterrein. Als gevolg hiervan is niet duidelijk of dit hemelwater in de bodem infiltreert of wordt geloosd op het riool. Gelet hierop heeft het waterschap in redelijkheid kunnen besluiten de aanvraag niet te behandelen. De beroepsgrond faalt.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. De Hek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009

542.