Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9744

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200803236/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft de raad van de gemeente Heerhugowaard (hierna: de raad) een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/467
OGR-Updates.nl 09-62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803236/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heerhugowaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 maart 2008 in zaak nr. 07/881 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Heerhugowaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft de raad van de gemeente Heerhugowaard (hierna: de raad) een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2008, verzonden op 18 maart 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 3 juni 2008.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2008, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. E.S. Grimminck, advocaat te Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door A. Kögeler, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dat luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de planologische maatregelen, waarvan gesteld wordt dat deze schade hebben veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is, wat betreft het oude planologische regime, niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan grond bestaan om van voormeld uitgangspunt af te wijken.

2.1.2. [appellant], eigenaar van de woning op het perceel [locatie] te Heerhugowaard (hierna: het perceel), heeft de raad verzocht om vergoeding van de door hem gestelde vermindering van de waarde van die woning ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan "Plandeel 3, Stad van de Zon, De Glazen Stad" door de raad op 23 september 2003, goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Holland op 31 augustus 2004. Dit plan kent aan de gronden in de directe omgeving van het perceel onder meer de bestemming "uit te werken woondoeleinden - UW" toe en voorziet in de mogelijkheid om 550 woningen op te richten.

2.1.3. Voorheen gold op deze gronden het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1972", gewijzigd bij bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1972 Partiële Herziening 1978". Dit plan kent aan de gronden in de directe omgeving van het perceel van [appellant] de bestemming "Agrarische doeleinden II" en "Straalpad" toe.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de het bestemmingplan "Landelijk Gebied 1972, Partiele Herziening 1978" behorende voorschriften zijn de op de kaart als "agrarische doeleinden II" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik en voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf ter plaatse nodige agrarische bedrijfsgebouwen.

Ingevolge het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders, na voorafgaande verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten, vrijstelling verlenen voor de bouw van kassen met een goothoogte van maximaal 4,5 meter ten behoeve van het ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpplan aanwezige duurzaam op intensieve tuinbouw gerichte bedrijven. De afstand van deze kassen tot de zijdelingse kavelgrens mag niet minder dan 2 meter bedragen.

2.1.4. De door de raad om advies verzochte schadebeoordelingscommissie heeft hem in een rapport van 21 april 2006 geadviseerd het verzoek af te wijzen, omdat [appellant] ten gevolge van de planologische wijzingen niet in een planologisch nadeliger positie is geraakt. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de raad overeenkomstig dit advies besloten.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad er bij de planvergelijking ten onrechte vanuit is gegaan dat onder het oude planologische regime de mogelijkheid bestond om na vrijstelling kassen in de directe omgeving van zijn perceel te realiseren, omdat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat gedeputeerde staten de daartoe benodigde verklaring van geen bezwaar zouden verlenen, nu in de Leidraad Provinciaal Omgevingsbeleid 1996 en de Leidraad Provinciaal Ruimtelijk Beleid 2002 van de provincie Noord-Holland staat dat de provincie buiten de concentratiegebieden uitsluitend aan bestaande glastuinbouwbedrijven de mogelijkheid geeft het areaal aan glas uit te breiden.

2.2.1. Dat betoog faalt. Het gaat eraan voorbij dat burgemeester en wethouders ingevolge artikel 11, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingplan "Landelijk Gebied 1972, Partiele Herziening 1978" ook vrijstelling konden verlenen voor het oprichten van kassen ten behoeve van reeds aanwezige duurzaam op intensieve tuinbouw gerichte ondernemingen. Nu ten tijde van de ter inzage legging van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1972" een dergelijke onderneming in de directe omgeving van het perceel werd gedreven, heeft het aangevoerde de rechtbank terecht geen grond gegeven voor het oordeel dat de raad heeft miskend dat verlening van een verklaring van geen bezwaar door gedeputeerde staten ten behoeve van vrijstelling voor het oprichten van kassen in de directe omgeving van het perceel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de raad er bij de planvergelijking ten onrechte vanuit is gegaan dat onder het oude planologische regime op vijftien meter van de achtergevel van zijn woning kassen mochten worden gerealiseerd, omdat ingevolge het Besluit Glastuinbouw een afstand van 25 meter gold.

2.3.1. Indien onder het oude planologische regime al de mogelijkheid bestond om kassen op 25 meter van de achtergevel van de woning te realiseren, is ook die afstand korter dan die van de mogelijk onder het nieuwe planologische regime te realiseren woningen tot die achtergevel, te weten 42 meter, zodat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] ook in dit opzicht ten gevolge van de planologische wijziging niet in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. Het betoog faalt reeds daarom.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de raad de mogelijkheid om onder het oude planologische regime nabij zijn perceel een bouwwerk met een maximale bouwhoogte van vijftien meter te realiseren met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ten onrechte niet uitgesloten heeft geacht, omdat de maximaal toegestane goothoogte volgens het oude bestemmingsplan drie meter bedroeg en de toegestane dakhelling ingevolge artikel 2.5.23 van de bouwverordening 37 graden bedroeg.

2.4.1. Ook dat betoog faalt, reeds omdat burgemeester en wethouders ingevolge artikel 2.5.28 van de bouwverordening ontheffing konden verlenen van het bepaalde in dat artikel ten behoeve van agrarische bedrijfsgebouwen.

2.5. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat uit de lagere taxatie van zijn perceel in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) blijkt dat de planologische mutatie tot vermindering van die waarde heeft geleid.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. De vaststelling van de WOZ-waarde gebeurt aan de hand van andere maatstaven dan hiervoor omschreven onder 2.1.1. Een verlaging van de WOZ-waarde hoeft daarom op zichzelf geen reden te zijn om een planologische verslechtering aan te nemen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2004 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200403890/1&verdict_id=8606&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200403890/1&utm_term=200403890/1">200403890/1</a>, BR 2005/240), kan de WOZ-waarde van een woning van belang zijn voor de bepaling van de omvang van te vergoeden schade, indien een bestemmingsplan of een andere in artikel 49 van de WRO vermelde planologische maatregel tot een planologische verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor vigerende regime. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009

344.