Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200803081/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2004 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de vergunningaanvraag voor de visserij op overige schelpdieren van [appellante] ten behoeve van het vissersvaartuig met de lettertekens en het nummer BRU 33 afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/124 met annotatie van R.J.N. Schlössels
JIN 2009/474
JOM 2009/384 met annotatie van R.J.N. Schlössels
JIN 2009/494
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803081/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 25 maart 2008 in zaak nr. 06/1184 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2004 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de vergunningaanvraag voor de visserij op overige schelpdieren van [appellante] ten behoeve van het vissersvaartuig met de lettertekens en het nummer BRU 33 afgewezen.

Bij besluit van 11 september 2006 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 mei 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.W.H.M. Haans, advocaat te Bergen op Zoom, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Visserijwet 1963 (hierna: de Wet) wordt voor het bij of krachtens deze wet bepaalde verstaan onder zeevisserij: het vissen in zee, met inbegrip van het vissen in de visserijzone en in daaraangrenzende, bij algemene maatregel van bestuur als zeegebied aangewezen wateren.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, kunnen in het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit. Bij het stellen van zodanige regelen kan mede rekening worden gehouden met de belangen van de natuurbescherming.

Ter uitvoering van onder meer dit artikel 4 is het Reglement zee- en kustvisserij 1977 (hierna: het Reglement) vastgesteld, waarvan artikel 3 als volgt luidt:

1. In het belang van de visserij is Onze minister bevoegd regelen te stellen:

a. ter uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde verplichtingen of verleende bevoegdheden;

b. ter verzekering van de instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden.

2. Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

a. kan, voor zover de regelen betrekking hebben op de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel b, van de Wet, mede rekening worden gehouden met de belangen van de natuurbescherming;

b. wordt, voor zover de regelen betrekking hebben op de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de Wet, mede rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming.

3. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op de visserij op alle dan wel bepaalde door Onze minister aan te wijzen vissoorten.

4. Onze minister kan voorschriften geven ter naleving van de in het eerste lid bedoelde regelen.

Ter uitvoering van onder meer artikel 3 van het Reglement is de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren (hierna: de Beschikking) vastgesteld.

Ingevolge artikel 4 van de Beschikking is het verboden te vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van schelpdieren in de gebieden genoemd in bijlage 3, de exclusieve 12-mijlszone, het zeegebied en de kustwateren.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, voor zover thans van belang en zoals dat gold ten tijde van het besluit van 11 september 2006, geldt het in artikel 4 gestelde verbod niet voor degene die voorzien is van een vergunning van de minister.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voor zover thans van belang, kunnen aan ontheffingen, vrijstellingen en vergunningen als bedoeld in de vorige artikelen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen ook onder beperkingen worden verleend.

De minister heeft in zijn brief van 12 september 2003 aan de Tweede Kamer geschreven dat een vergunning voor schelpdiervisserij in de Noordzeekustzone kan worden verleend indien enerzijds voor de referentieperiode 1993 tot 1999 is aangetoond dat bedrijfsmatig en met inachtneming van de door de Inspectie Verkeer en Waterstaat vereiste documenten op spisula of ensis in de Noordzeekustzone is gevist, terwijl anderzijds voor de referentieperiode 1999 tot heden de betreffende visserij moet zijn voortgezet. In de bijlage behorende bij deze brief zijn deze criteria nader geconcretiseerd en is, voor zover thans van belang, voor het zogeheten vaartuigcriterium in de eerste referentieperiode bepaald dat het vaartuig voor ten minste twee jaren beschikt over documenten van de Inspectie Verkeer en Waterstaat op basis waarvan mag worden gevaren in de Noordzeekustzone.

2.2. [appellante] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de vergunning voor de visserij op overige schelpdieren heeft kunnen weigeren omdat de voorloper van de BRU 33, de BRU 34, gedurende de referentieperiode 1993-1998 niet aan het vaartuigcriterium voldeed. Allereerst betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte de bij het beroepschrift overgelegde stukken, ter onderbouwing van haar standpunt dat de BRU 34 wel aan het vaartuigcriterium voldeed, buiten beschouwing heeft gelaten. Voorts is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan haar betoog dat het vaartuigcriterium niet door de minister had mogen worden toegepast omdat het is gebaseerd op Waterstaatswetgeving en losstaat van de Visserijwet. Ten slotte stelt zij zich op het standpunt dat de minister rekening had moeten houden met het feit dat de BRU 34 voldeed aan de door de Inspectie Verkeer en Waterstaat gestelde vereisten.

2.2.1. Ten aanzien van de door de rechtbank buiten beschouwing gelaten stukken overweegt de Afdeling als volgt.

[appellante] heeft de stukken tegelijkertijd met de motivering van haar beroep bij brief van 7 februari 2007 overgelegd, ter ondersteuning van haar in bezwaar aangevoerde standpunt dat het vaartuig BRU 34 met een visvergunning in de referentieperiode op spisula heeft gevist en dat zij voor verlening van de gevraagde vergunning in aanmerking dient te komen. Met de stukken beoogt zij aan te tonen dat zij niet kon voldoen aan het vaartuigcriterium omdat de Inspectie destijds (in de periode 1993-1998) geen certificaat van deugdelijkheid (hierna: certificaat) of een verklaring ongecertificeerde vaartuigen (hierna: verklaring) wilde afgeven omdat zij niet beschikte over een geldige kokkelvergunning en de minister haar nu geen vergunning wil geven omdat de BRU 34 geen certificaat of een verklaring had, terwijl de BRU 34 destijds wel voldeed aan de overige criteria voor een verklaring. Het betreft daarom nieuw bewijs van al in bezwaar aangevoerde gronden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kunnen de ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar geldende feiten ook nog in beroep worden onderbouwd. Nu de stukken tien maanden voor de zitting zijn ingediend, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de stukken uit een oogpunt van behoorlijke procesorde op een onaanvaardbaar laat moment zijn overgelegd. Voorts acht de Afdeling in dit geval geen grond aanwezig voor het oordeel dat [appellante] de stukken in de bestuurlijke besluitvormingsfase had moeten inbrengen. Zij betrekt daarbij dat de aanvrager volgens de bijlage bij de brief van de minister van 12 september 2003 in het kader van de aanvraag alleen de gegevens ten aanzien van het vangstcriterium hoeft over te leggen, omdat de minister de overige benodigde gegevens zelf vergaart. Voorts staat in het besluit van 15 april 2004 alleen dat de BRU 34 niet voldoet aan de inkomenstoets en wordt pas in het verweerschrift van de minister in de bezwaarfase gepreciseerd dat in het bijzonder niet wordt voldaan aan het vaartuigcriterium. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank derhalve ten onrechte de stukken buiten beschouwing gelaten.

2.2.2. Op grond van het Reglement is de minister bevoegd nadere regels te stellen ter verzekering van de instandhouding van de visvoorraden en kan hij daarbij mede rekening houden met de belangen van de natuurbescherming. In het belang van de instandhouding van de visvoorraad acht de minister het noodzakelijk het aantal vergunningen te beperken tot de vissers die al bedrijfsmatig in de jaren negentig hebben gevist. De minister heeft daartoe een inkomenstoets ontwikkeld, waarin naast het vangstcriterium ook het vaartuigcriterium is opgenomen, omdat hij daarmee meer zekerheid verkrijgt dat degene aan wie een visvergunning is verleend daadwerkelijk bedrijfsmatig en met een in de Noordzeekustzone toegestaan schip, de schelpdiervisserij heeft uitgeoefend in de bewuste periode. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk. Dat de minister ervoor heeft gekozen mede aan te sluiten bij een criterium dat, zoals [appellante] heeft aangevoerd, niet is gebaseerd op de Visserijwet maar op de Waterstaatswetgeving, maakt dat niet anders.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de BRU 34 niet voldoet aan het vaartuigcriterium omdat niet is gebleken dat de BRU in de periode 1993-1998 beschikte over de vereiste documenten van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. De door [appellante] overgelegde verklaring van een ambtenaar, werkzaam bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, dat de BRU 34 voldoet aan de technische eisen, kan niet als zodanig worden aangemerkt. De Afdeling is echter van oordeel dat de minister zijn standpunt dat in dit geval geen aanleiding bestaat af te wijken van het beleid, onvoldoende heeft gemotiveerd, nu in de periode 1993-1998 met een geldige visvergunning kon worden gevist op spisula en voorts gelet op de desbetreffende overgelegde stukken niet uitgesloten is dat het vaartuig in de vereiste periode voldeed aan de technische eisen. Het besluit van 11 september 2006 komt daarom wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister de vergunning voor de visserij op overige schelpdieren heeft kunnen weigeren.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 11 september 2006 van de minister alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.4. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 25 maart 2008 in zaak nr. 06/1184;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 september 2006, kenmerk DRR&R/2006/3886;

V. draagt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 714,00 (zegge: zevenhonderdveertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009

290.