Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200802909/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) een verzoek van

[appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802909/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Westland,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 31 maart 2008 in zaak nr. 06/9299 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) een verzoek van

[appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2008, verzonden op 7 april 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 mei 2008.

Het college heeft nadere stukken ingediend, welke aan [appellant] zijn toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2008, waar het college, vertegenwoordigd door A.D. Kishoen-Misier, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank, door te overwegen dat niet is gebleken dat hij nog belang heeft bij zijn beroep tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar en om die reden het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is, er aan voorbij is gegaan dat hij belang heeft bij een proceskostenveroordeling in verband met het tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar ingestelde beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 april 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200604671/1&verdict_id=16663&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200604671/1&utm_term=200604671/1">200604671/1</a>) geeft de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Uit deze uitspraak volgt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, indien, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de zaak. De rechtbank heeft het beroep voor zover gericht tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft echter verzuimd het college te veroordelen in de proceskosten die [appellant] heeft gemaakt voor het instellen van beroep tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar. De Afdeling zal deze kennelijke omissie van de rechtbank herstellen door het college alsnog tot betaling van die kosten te veroordelen.

2.2. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college krachtens delegatie bevoegd is een besluit op zijn verzoek om planschadevergoeding te nemen.

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 24 september 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200800013/1&verdict_id=30957&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200800013/1&utm_term=200800013/1">200800013/1</a> heeft overwogen biedt artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet de ingevolge artikel 10:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vereiste wettelijke grondslag voor de overdracht van de bevoegdheid van de raad om te beslissen op planschadeverzoeken die vóór 1 september 2005 zijn ingediend.

De raad van de gemeente Westland heeft bij besluit van 27 september 2005 besloten deze bevoegdheid te delegeren aan het college. Dit delegatiebesluit is op 12 januari 2006 in werking getreden. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college krachtens delegatie bevoegd was tot het nemen van een besluit op het op 8 oktober 2004 bij de gemeente Westland ontvangen verzoek van [appellant].

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie.

2.3.1. Dit betoog faalt. Het college heeft de bedoelde afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie gemotiveerd met verwijzing naar een advies van Sargas Planschadeadvies van 26 februari 2007. In dat advies is beargumenteerd dat het advies van de bezwaarschriftencommissie niet moet worden gevolgd omdat dit op een onjuiste juridische grondslag berust en aangegeven waarom een beslissing op de juiste grondslag niet tot een ander besluit op het verzoek om vergoeding van planschade leidt.

Het college kon ingevolge artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht volstaan met een verwijzing naar het advies van Sargas Planschadeadvies.

2.4. [appellant] betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de besluitvorming op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden omdat het college zijn opmerkingen naar aanleiding van bij het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) zelfstandig heeft beoordeeld en niet aan de SAOZ heeft voorgelegd. Nu slechts kritische kanttekeningen bij het rapport zijn geplaatst en door [appellant] van zijn kant geen rapport van een deskundige is overgelegd, behoefde het college geen aanleiding te zien de SAOZ opnieuw te raadplegen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar en in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 402,50 (zegge: vierhonderdtwee euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Westland aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente Westland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Rop

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009

417.