Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BG9030

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
200801417/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2006 heeft de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: de gemeenteraad) het door [appellant] tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van planschade gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 60 met annotatie van T.E.P.A. Lam
O&A 2009, 32
JOM 2009/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801417/1.

Datum uitspraak: 7 januari 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 januari 2008 in zaak nr. 07/1159 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2006 heeft de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: de gemeenteraad) het door [appellant] tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van planschade gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2008, verzonden op 18 januari 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 mei 2008.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

De gemeenteraad en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2008, waar [appellant], bijgestaan door F.T.H. Wildenburg, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door C.M.P. van Noort, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een vrijstellingsbesluit, als bedoeld in artikel 19 van deze wet, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] heeft de gemeenteraad verzocht om vergoeding van planschade in de vorm van waardevermindering van zijn pand aan het [locatie] te [plaats] (hierna: het pand), welke schade hij stelt te lijden als gevolg van de bij besluit van 16 februari 1999 krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Westeinde 1977" ten behoeve van de realisering van drie appartementencomplexen.

2.3. Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft de gemeenteraad het verzoek van [appellant] afgewezen, omdat de voor hem nadelige planologische wijziging ten tijde van de aankoop van het pand voorzienbaar was.

Bij uitspraak van 11 januari 2006 in zaak nr. 05/2638 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 15 maart 2005, waarbij het door hem gemaakte bezwaar ongegrond was verklaard, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de gemeenteraad opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Hierbij heeft de rechtbank - verkort en samengevat weergegeven - overwogen dat de gemeenteraad niet zonder toereikende motivering voorbij had kunnen gaan aan de in de bezwaarschriftenfase door [appellant] naar voren gebrachte argumenten die erop wijzen dat de financiële situatie van [appellant] en de stichting Stichting voor Individuele, Groeps- en Maatschappij Autonomie (hierna: SIGMA) zodanig nauw met elkaar waren verweven, dat hij en SIGMA als één entiteit dienen te worden aangemerkt en dat hij derhalve in feite ook al vanaf de aankoop van het pand door SIGMA in 1978 als enige het financiële risico van het pand droeg. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 december 2006 heeft de gemeenteraad het door [appellant] gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, opnieuw ongegrond verklaard. In dit besluit heeft de gemeenteraad zich, in navolging van adviezen van de Stichting Advisering Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), op het standpunt gesteld dat SIGMA tot aan de verkoop van het pand aan [appellant] in juridische zin volledig bevoegd was over het pand te beschikken en alleen een overeenkomst is gesloten waarbij aan [appellant] het recht op vrije bewoning was toegekend zolang de bedrijfsactiviteiten plaatsvonden. Volgens de gemeenteraad dienen [appellant] als natuurlijk persoon en SIGMA als rechtspersoon te worden beschouwd als twee entiteiten met elk hun eigen bevoegdheden. SIGMA was volledig eigenaar van het pand, had het risico daarvan en heeft slechts contractueel het gebruiksrecht afgestaan. Dat SIGMA wordt beheerd door [appellant], doet hieraan volgens de gemeenteraad niet af. Nu [appellant] en SIGMA in het rechtsverkeer een eigen juridische positie hebben, dient hiervan ook ten aanzien van de voorzienbaarheid te worden uitgegaan, aldus de gemeenteraad.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] ten gevolge van de verleende vrijstelling in een planologisch nadeliger situatie is geraakt en hierdoor schade lijdt. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of de door [appellant] geleden schade voor zijn rekening dient te blijven omdat deze voorzienbaar was.

2.5. [appellant] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de nadelige planologische wijziging voor hem voorzienbaar was toen hij het pand van Sigma kocht, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tezamen met SIGMA één entiteit vormde. Volgens [appellant] kan, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet worden gezegd dat op 16 september 1998 koop en eigendomsovergang van het pand hebben plaatsgevonden. Hiertoe betoogt hij dat hij en SIGMA, gelet op de historische achtergrond alsmede op de omstandigheid dat hij de volledige zeggenschap over SIGMA heeft en als enige bevoegd is het bestuur te benoemen en te ontslaan, als één entiteit moeten worden beschouwd. In dit verband voert hij voorts aan dat de rechtbank ten onrechte een verschuiving van het vermogen van SIGMA naar zijn vermogen als privépersoon heeft aangenomen, nu het vermogen van SIGMA feitelijk uitsluitend aan hem als privépersoon toebehoorde. De rechtbank heeft volgens [appellant] dan ook ten onrechte geoordeeld dat de gemeenteraad in het besluit van 19 december 2006 een toereikende motivering heeft gegeven, waarbij haar uitspraak van 11 januari 2006 in acht is genomen.

2.5.1. Naar vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 10 augustus 2000 in zaak nr. 200000570/01; BR 2001, 692) dient de voorzienbaarheid te worden vastgesteld op het moment van de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak. Niet in geschil is dat [appellant] op 16 september 1998 het pand heeft gekocht van SIGMA en de juridische eigendom daarvan heeft verkregen. Evenmin is in geschil dat op dat moment de planologische verslechtering voorzienbaar was. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 april 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200706636/1&verdict_id=23640&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200706636/1&utm_term=200706636/1">200706636/1</a>), kan alleen degene die op de peildatum de formeel juridische eigenaar is, door een planologische wijziging rechtstreeks in zijn vermogen worden getroffen. Bij het aannemen van voorzienbaarheid is eveneens de formeel juridische eigendomssituatie van belang of hetgeen daarover bij de koopovereenkomst is bepaald. Hieruit vloeit voort dat de geleden schade in beginsel voor rekening van [appellant] dient te blijven.

Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat hij en SIGMA als één entiteit moeten worden beschouwd, wordt als volgt overwogen. Vóór de juridische eigendomsoverdracht op 16 september 1998 was alleen SIGMA als formeel juridisch eigenaar van het pand bevoegd om over het pand te beschikken en dit in eigendom over te dragen. Blijkens de desbetreffende notariële akte van levering bestond het bestuur van SIGMA ten tijde van die eigendomsoverdracht, naast [appellant] en zijn echtgenote, uit nog twee andere bestuursleden, hetgeen ook in overeenstemming is met artikel 6, eerste lid, van de statuten van SIGMA dat bepaalt dat het bestuur dient te bestaan uit ten minste drie leden. Voorts volgt uit artikel 8, derde lid, dat het bestuur met volstrekte meerderheid van stemmen beslist, tenzij de statuten anders bepalen. Van een dergelijke afwijkende bepaling in de statuten is niet gebleken. [appellant] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als enige functionaris juridisch de volledige zeggenschap over SIGMA had. Dat [appellant] als enige functionaris bestuursleden zowel mocht benoemen als ontslaan, wat hiervan ook zij, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu dat onverlet laat dat ingevolge de statuten van SIGMA met volstrekte meerderheid van stemmen dient te worden beslist. Voorts had SIGMA een in juridische zin van het privévermogen van [appellant] afgescheiden eigen vermogen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het vermogen van SIGMA aan hem als privépersoon toebehoorde. Veeleer is, naar ter zitting ook is bevestigd, in het verleden gekozen voor een juridische constructie, waarbij de juridische eigendom gescheiden was en aan SIGMA toebehoorde, ten einde bepaalde financiële zekerheden ten behoeve van [appellant] in het leven te roepen. [appellant] en SIGMA kunnen dan ook niet als één entiteit worden aangemerkt. Het betoog van [appellant] faalt.

2.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank terecht tot de slotsom is gekomen dat haar uitspraak van 11 januari 2006 bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar in acht is genomen en dat in dat besluit op juiste gronden is geoordeeld dat de nadelige planologische wijziging voor [appellant] voorzienbaar was. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2009

18-505.