Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG9471

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-12-2008
Datum publicatie
12-01-2009
Zaaknummer
200803919/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2902, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / hardheidsclausule / uitlatingen minister over vrouwen die borstvoeding geven

Wat er zij van de uitlating van de minister "[…] Stel je voor dat je een moeder die een kind zoogt, terug zou sturen. Ik zeg toe dat op die gevallen de hardheidsclausule wordt toegepast." (overleg p. 19), later in het overleg (p. 25 en 26), nadat twee leden hebben opgemerkt dat de minister aldus een belangrijke toezegging heeft gedaan, komt de minister op die uitlating terug en zwakt deze af, door aan te geven dat hij geen criteria kan geven voor toepassing van de hardheidsclausule en dat het gebruik van die clausule per geval zal worden bekeken.

Door te oordelen dat de minister klip en klaar heeft toegezegd ten aanzien van vrouwen die borstvoeding geven de hardheidsclausule te zullen toepassen, heeft de rechtbank niet onderkend dat, in het licht van hetgeen in het overleg terzake van het gebruik van die clausule is besproken, aan de hiervoor aangehaalde uitlating van de minister, ondanks de bewoordingen daarvan, niet de daaraan door de rechtbank toegekende betekenis toekomt. Zoals de Afdeling eerder, in de uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200705338/1 (www.raadvanstate.nl), heeft geoordeeld, kan uit de door de minister tijdens het overleg gedane uitlatingen, in samenhang gelezen, niet worden afgeleid dat de minister bij die gelegenheid heeft toegezegd vrouwen die borstvoeding geven, uitsluitend om die reden vrij te stellen van het mvv-vereiste.

De grieven slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803919/1.

Datum uitspraak: 29 december 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 24 april 2008 in zaak nr. 07/43371 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 april 2008, verzonden op 7 mei 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 mei 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de wet worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge het vierde lid kan de staatssecretaris het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).

2.2. De minister heeft de aanvraag van de vreemdeling afgewezen omdat zij niet beschikt over een geldige mvv en zij niet wordt vrijgesteld van het vereiste om daarover te beschikken (hierna: het mvv-vereiste).

2.3. In de twee grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister tijdens het op 17 september 2003 gevoerde overleg met de vaste Kamercommissie voor Justitie

(Kamerstukken II 2003-2004, 19 637, nr. 777; hierna: het overleg) klip en klaar heeft toegezegd dat ten aanzien van een moeder die een kind zoogt de hardheidsclausule wordt toegepast en hij zich aan die toezegging heeft te houden. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank door aldus te overwegen ten onrechte een eigen en onjuiste uitleg heeft gegeven aan de door haar aangehaalde uitlating van de minister en daarbij voorbij is gegaan aan hetgeen in het overleg verder nog over dit onderwerp is gezegd. Uit het verloop van het overleg blijkt volgens de staatssecretaris dat bedoelde uitlating niet valt aan te merken als een algemene toezegging. In het geval van een vreemdeling die een kind zoogt, wordt dit feit bezien in samenhang met de overige zich in dat geval voordoende feiten, aldus de staatssecretaris.

2.3.1. Volgens het verslag van het overleg heeft de minister de volgende uitlatingen gedaan:

"Je moet goed nagaan of regels in individuele gevallen niet te hard uitpakken. Ik heb het nu over individuele gevallen en niet over beleidsregels. Ik kan mij voorstellen dat een asielzoekster, moeder van een gezin, niet zes maanden terug moet naar het land van herkomst om daar de MVV af te wachten. In dat geval kan er gebruikgemaakt worden van de hardheidsclausule. Stel je voor dat je een moeder die een kind zoogt, terug zou sturen. Ik zeg toe dat op die gevallen de hardheidsclausule wordt toegepast." (p. 19)

De heer De Vries heeft hierop geantwoord:

"Dank voor deze belangrijke toezegging. […]" (p. 19)

En later heeft mevrouw Vos het volgende gezegd:

"De minister deed een belangrijke toezegging, namelijk dat zij in het geval van ouders en kinderen met haar hand over het hart wil strijken, bijvoorbeeld als het gaat om het MVV-vereiste. Kan de minister aangeven in welke gevallen zij met haar hand over het hart strijkt?" (p. 25)

In reactie hierop heeft de minister het volgende geantwoord:

"Ik kan daar geen criteria voor noemen. Het betreft een hardheidsclausule. Die gebruik je als zich een situatie voordoet die heel onterecht is. Dan kun je gebruik maken van een hardheidsclausule. Dat betekent bijvoorbeeld dat een moeder niet naar het land van herkomst hoeft om een MVV af te wachten. Ik zal dat per geval bekijken. Ik zeg toe dat ik ook dat zorgvuldig zal doen, want je moet de regels in een aantal gevallen praktisch toepassen." (p. 25 en 26)

2.3.2. Wat er zij van de uitlating van de minister "[…] Stel je voor dat je een moeder die een kind zoogt, terug zou sturen. Ik zeg toe dat op die gevallen de hardheidsclausule wordt toegepast." (overleg p. 19), later in het overleg (p. 25 en 26), nadat twee leden hebben opgemerkt dat de minister aldus een belangrijke toezegging heeft gedaan, komt de minister op die uitlating terug en zwakt deze af, door aan te geven dat hij geen criteria kan geven voor toepassing van de hardheidsclausule en dat het gebruik van die clausule per geval zal worden bekeken.

Door te oordelen dat de minister klip en klaar heeft toegezegd ten aanzien van vrouwen die borstvoeding geven de hardheidsclausule te zullen toepassen, heeft de rechtbank niet onderkend dat, in het licht van hetgeen in het overleg terzake van het gebruik van die clausule is besproken, aan de hiervoor aangehaalde uitlating van de minister, ondanks de bewoordingen daarvan, niet de daaraan door de rechtbank toegekende betekenis toekomt. Zoals de Afdeling eerder, in de uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200705338/1 (www.raadvanstate.nl), heeft geoordeeld, kan uit de door de minister tijdens het overleg gedane uitlatingen, in samenhang gelezen, niet worden afgeleid dat de minister bij die gelegenheid heeft toegezegd vrouwen die borstvoeding geven, uitsluitend om die reden vrij te stellen van het mvv-vereiste.

De grieven slagen.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 24 april 2008 in zaak nr. 07/43371;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2008

480.

Verzonden: 29 december 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak