Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG8648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
200706492/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2007, nummer 1246430, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel - De Mierden (hierna: de raad) bij besluit van 13 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Kleine Hoeven".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706492/1.

Datum uitspraak: 31 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellanten sub 4], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2007, nummer 1246430, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel - De Mierden (hierna: de raad) bij besluit van 13 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Kleine Hoeven".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2007, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2007, en tevens bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2007, [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2007, en [appellanten sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2008, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, rechtsbijstandverlener, [appellanten sub 2], bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, werkzaam bij Milieu-adviesbureau Het Groene Schild, [appellanten sub 3], bijgestaan door [gemachtigde], [appellanten sub 4], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door P.J.M. Aertsen, ambtenaar in dienst van de provincie zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door S. Dikmans, C. Stolwijk en J. Toncman, ambtenaren in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. [appellanten sub 3] brengen naar voren dat het college ten onrechte hun bedenkingen buiten beschouwing heeft gelaten met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Bedrijven (B)" en de aanduiding 'bedrijvenclusterkavels (I)' dat ziet op de gronden achter hun perceel.

Het college heeft aan dit planonderdeel goedkeuring onthouden. Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen deze beroepsgronden van [appellanten sub 3] zijn gericht, is in zoverre aan deze beroepsgronden tegemoet gekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) om met in achtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Vaststaat dat het gemeentebestuur voor 1 juli 2008 geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd waarin het besluit tot onthouding van goedkeuring in acht is genomen, zodat voor de planonderdelen waaraan goedkeuring is onthouden, een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO tot stand gekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep, voor zover dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008 komen te vervallen. Dit impliceert dat de desbetreffende beroepsgronden van [appellanten sub 3] aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro.

Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Procedurele bezwaren

2.2. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] brengen als procedureel punt naar voren dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld hun bedenkingen mondeling toe te lichten. Tevens is in het bestreden besluit ten onrechte vermeld dat zij wel in de gelegenheid zijn gesteld hun bedenkingen mondeling toe te lichten.

2.2.1. Per 1 juli 2005 is de hoorplicht ingevolge artikel 27, derde lid, van de WRO komen te vervallen. Gelet op het feit dat het ontwerpplan niet vóór 1 juli 2005 ter inzage is gelegd, was het college niet wettelijk verplicht om [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] te horen naar aanleiding van de door hen ingediende bedenkingen. Voorts is gesteld noch gebleken van bijzondere omstandigheden die uit het oogpunt van zorgvuldigheid tot een dergelijke hoorplicht zouden nopen.

Ten aanzien van de foutieve mededeling in het bestreden besluit overweegt de Afdeling dat het hier om een kennelijke verschrijving gaat. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] zijn hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad. Het voorgaande leidt dan ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betoog faalt.

2.3. Voor zover [appellant sub 1] en anderen nog naar voren hebben gebracht dat het vaststellingsbesluit in het huis-aan-huisblad De Kempenaer is gepubliceerd, terwijl publicaties normaal gesproken in het huis-aan-huisblad D'n Uitkijk worden geplaatst, overweegt de Afdeling dat uit de stukken blijkt dat op 1 december 2006 de bekendmaking van de terinzagelegging van het vaststellingsbesluit in D'n Uitkijk is verschenen. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen mist derhalve feitelijke grondslag.

Toetsingskader

2.4. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.5. Het plan voorziet in een bedrijventerrein. Daarnaast voorziet het plan in bestemmingsregelingen voor enkele bestaande bedrijven en woningen en in groenzones aan beide zijden van het bedrijventerrein. Het college heeft onder meer goedkeuring onthouden aan de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid II' en de aanduidingen 'cumulatieve stankcirkel'. Tevens heeft het college goedkeuring onthouden aan artikel 8 van de planvoorschriften dat betrekking heeft op de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)" en aan artikel 21 van de planvoorschriften dat betrekking heeft op wijzigingsbevoegdheid II.

Inhoudelijke bezwaren

2.6. [appellanten sub 2] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de mogelijkheid om op hun gronden, perceel nummer C 4259, woningen te bouwen. Zij stellen dat het perceel een inbreidingslocatie is en dat het perceel is omsloten door bebouwing. Tevens stellen zij dat het perceel niet in het landschappelijk raamwerk ligt en dat het onbegrijpelijk is dat de drie plandelen met een bedrijfsbestemming ten oosten van de Rouwenbogtloop en ten westen van de Hamelendijk wel zijn goedgekeurd.

2.6.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel van [appellanten sub 2] geen inbreidingslocatie betreft en dat het perceel daarom niet in aanmerking komt voor woningbouw. Volgens het 'Provinciaal Uitwerkingsplan Zuidoost Brabant' (hierna: het Uitwerkingsplan) ligt het perceel in het landschappelijk raamwerk. Met het raamwerk wordt aangegeven dat in dit gebied geen stedelijke functies worden gesitueerd. Voorts zal de Rouwenbogtloop worden ontwikkeld als een ecologische verbindingszone. Daarom moet een verdere intensivering van het stedelijk ruimtegebruik ter plaatse worden voorkomen, aldus het college.

2.6.2. Het plandeel dat betrekking heeft op het perceel van [appellanten sub 2] heeft de bestemming "Agrarisch gebied (A)" met de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid II'. Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 21 van de planvoorschriften dat betrekking heeft op wijzigingsbevoegdheid II en aan de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid II' op de plankaart.

2.6.3. In het Uitwerkingsplan is op pagina 145 vermeld dat de daarbij behorende plankaart een globaal karakter heeft. Op pagina 148 is vermeld dat de aanduidingen op de plankaart indicatief en globaal van karakter zijn. Een nadere begrenzing van de gebieden dient op perceelsniveau plaats te vinden in het kader van het bestemmingsplan. Voorts is op pagina 149 vermeld dat in het landschappelijk raamwerk stedelijke ontwikkelingen alleen toelaatbaar zijn als daar grote maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen, en nadat onderzoek heeft aangetoond dat geen reële alternatieve locaties voorhanden zijn.

Op de plankaart van het Uitwerkingsplan ligt het perceel van [appellanten sub 2] op de grens van de aanduidingen 'Stedelijk gebied - beheer en intensivering' en 'Landelijk gebied - landschappelijk raamwerk' met de nadere aanduiding 'landschapsbeheer'.

2.6.4. De Afdeling overweegt dat uit het Uitwerkingsplan blijkt dat de raad de begrenzing van het landschappelijk raamwerk in het bestemmingsplan nader dient vast te stellen. In zijn nadere uiteenzetting heeft de raad toegelicht dat in het bestemmingsplan de begrenzing van het landschappelijk raamwerk aan de westzijde van het perceel met nummer C 4259 is voorzien. Hierbij heeft de raad zich gebaseerd op de te ontwikkelen landschappelijke en ecologische zone ter weerszijden van de Rouwenbogtloop, die tevens dienst doet als buffer tussen de kern Reusel en het bedrijventerrein. Over de drie plandelen met de bestemming "Bedrijven (B)" en de aanduiding 'beekkavels (II)' die zich aan de andere zijde van de Rouwenbogtloop bevinden, overweegt de Afdeling dat, gelet op de afstand tussen deze plandelen en de Rouwenbogtloop, de ontwikkeling van de ecologische zone hierdoor niet wordt beperkt. Met deze percelen kan worden bijdragen aan de voorziene natuurontwikkeling.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet wenselijk is om woningbouw op het perceel C 4259 mogelijk te maken.

2.6.5. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mogelijkheid om op perceel nummer C 4259 woningen te bouwen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellanten sub 2] zijn in zoverre ongegrond.

2.7. [appellanten sub 2] richten zich in beroep voorts tegen de gedeeltelijke goedkeuring van het voorziene bedrijventerrein. Zij betogen onder meer dat onvoldoende is aangetoond dat behoefte aan het bedrijventerrein bestaat. Hiertoe wijzen zij op de ontwikkeling van het Kempisch Bedrijvenpark, de neergaande trend, leegstand elders en het principe van zuinig ruimtegebruik zoals verwoord in het streekplan.

2.7.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de behoefte aan het gedeelte van het voorziene bedrijventerrein met een directe bedrijfsbestemming voldoende is aangetoond (fase 1). Hierbij wijst het college op het behoefteonderzoek waaruit blijkt dat op korte termijn behoefte is aan 10,5 hectare bedrijventerrein. In het verweerschrift heeft het college daaraan nog toegevoegd dat uit een telling van januari 2007 blijkt dat slechts op 0,75 hectare bedrijventerrein in de gemeente sprake is van leegstand. Tevens heeft het college daarin verklaard dat de landelijke neergaande trend niet tot bijstelling van de regionale planning heeft geleid.

2.7.2. In het behoefteonderzoek (bijlage 2 bij de plantoelichting) is vermeld dat de gemeente een wachtlijst heeft opgebouwd met geïnteresseerden voor het bedrijventerrein. Deze lijst geeft de behoefte op korte termijn weer. Hieruit blijkt dat op korte termijn behoefte is aan 10,5 hectare bedrijventerrein. Dit is de behoefte aan ruimte van lokale bedrijven, waarbij de bedrijven met een ruimtevraag groter dat 5000 m² niet zijn meegerekend omdat die bedrijven op het te ontwikkelen Kempisch Bedrijvenpark zullen worden gehuisvest. Voor zover [appellanten sub 2] in hun nader ingediende stuk en ter zitting hebben aangevoerd dat verscheidene bedrijven op de wachtlijst geen behoefte hebben aan uitbreidingsruimte en dat sommige bedrijven geen lokale bedrijven zijn overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat op 5 november 2008 reeds 37 bedrijven een verzoek tot optie hadden ingediend, waarvan 4 opties al zijn verleend en dat één bedrijf al 5000 m² grond heeft aangekocht. Voorts heeft het college daar toegelicht dat het al veel verzoeken om uitbreiding van bedrijven in het buitengebied heeft moeten afwijzen en dat op de lijst ook bedrijven staan die juist willen terugkeren naar Reusel nadat zij in verband met ruimtegebrek zijn uitgeweken naar andere kernen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat [appellanten sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de behoefte op de korte termijn, dus wat betreft de eerste fase, onvoldoende is aangetoond.

2.8. Tevens betogen [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] dat het plan niet voldoet aan de eisen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) omdat door het plan de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide (NO2) in 2010 wordt overschreden. Verder staat nog onvoldoende vast dat de dag- en jaarnormen voor fijn stof (PM10) wel worden gehaald. Voorts betogen zij dat de geluidsbelasting te veel zal toenemen. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de extra toename van vrachtverkeer op de weg De Hoeven vanwege de ontwikkeling van het Kempisch Bedrijventerrein en het feit dat de kern Arendonk is afgesloten voor vrachtverkeer.

2.8.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de nadere memo van 23 mei 2006 (hierna: de memo) blijkt dat aan de normen van het Blk 2005 wordt voldaan. Er bestaat geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze memo te twijfelen. Voorts blijkt uit het akoestisch rapport van 23 augustus 2005 dat geen sprake is van een significante verhoging van de geluidsbelasting en dat het plan niet in strijd is met de Wet geluidhinder. De effecten van de ontwikkeling van het Kempisch Bedrijvenpark en de afsluiting van de kern Arendonk vertonen geen onderlinge samenhang met het onderhavige plan en dienen dus afzonderlijk te worden beschouwd, aldus het college.

2.8.2. Het college heeft aan het bestreden besluit een luchtkwaliteitonderzoek en een geluidonderzoek ten grondslag gelegd. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd door SRE Milieudienst Eindhoven.

Het onderzoek naar de luchtkwaliteit heeft betrekking op de omgeving van het te ontwikkelen bedrijventerrein De Kleine Hoeven in Reusel. Het verslag van dit onderzoek is neergelegd in de memo. In de memo is op pagina 1 vermeld dat voor de nieuwe berekeningen is gebruik gemaakt van de invoergegevens van het luchtkwaliteitonderzoek van 23 augustus 2005 (het luchtkwaliteitonderzoek).

In het luchtkwaliteitrapport is in paragraaf 2.1.3. vermeld dat voor het berekenen van de verkeersintensiteiten is uitgegaan van verkeersgegevens van de gemeente Reusel-De Mierden en de regionale verkeersmilieukaart.

2.8.3. Het verslag van het geluidonderzoek is neergelegd in het rapport 'Geluidonderzoek De Kleine Hoeven te Reusel' van 23 augustus 2005.

In het geluidrapport is in paragraaf 2.1.2. vermeld dat voor het berekenen van de verkeersintensiteiten is uitgegaan van verkeersgegevens van de gemeente Reusel-De Mierden en de regionale verkeersmilieukaart.

2.8.4. Gelet op de bestaande infrastructuur die een wezenlijke functie heeft voor het voorziene bedrijventerrein, waaronder de weg De Hoeven, is de Afdeling van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de effecten van de ontwikkeling van het Kempisch Bedrijvenpark en de afsluiting van de kern Arendonk niet in samenhang met de effecten van het onderhavige plan hoeven te worden beschouwd. Voorts stelt de Afdeling vast dat in de plantoelichting noch in de opgestelde rapporten is toegelicht op welke gegevens de verkeersintensiteiten zijn gebaseerd. Hierdoor is niet inzichtelijk met welke omstandigheden en ontwikkelingen in de berekeningen rekening is gehouden.

De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat met de extra verkeersdruk vanwege de afsluiting van de kern Arendonk voor het vrachtverkeer bij de gebruikte verkeersintensiteiten rekening is gehouden, omdat dit de bestaande situatie betreft. Deze stelling is echter niet nader onderbouwd. Het college heeft aldus niet deugdelijk gemotiveerd of bij de gebruikte verkeersintensiteiten met alle relevante ontwikkelingen rekening is gehouden.

2.8.5. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd in zoverre aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de aspecten luchtkwaliteit en geluid niet berust op een deugdelijke motivering.

De beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Bedrijven (B)" en de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)", dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.9. [appellanten sub 2] betogen voorts dat het perceel aan De Hoeven 16 binnen de cumulatieve stankcirkel van omliggende agrarische bedrijven ligt. Hier is ten onrechte geen rekening mee gehouden. Tevens heeft de raad het gebied verkeerd getypeerd. Daarnaast betogen [appellanten sub 2] dat het college het plan aan de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) had moeten toetsen in verband met de nabijgelegen agrarische bedrijven. Het college heeft het plan op dit punt ten onrechte goedgekeurd, aldus [appellanten sub 2].

2.9.1. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de aanduiding 'cumulatieve stankcirkel (intensieve veehouderij)' omdat de Wet stankemissie veehouderijen is vervallen en de Wgv in werking is getreden.

2.9.2. De Afdeling stelt vast dat door de onthouding van goedkeuring door het college geen stankcirkels meer op de plankaart staan. Hierdoor kan in voorkomende gevallen niet worden beoordeeld of een geurgevoelig bedrijf zich op een bepaalde plaats binnen het plangebied kan vestigen. Voorts staat vast dat op 1 januari 2007 de Wgv in werking is getreden. Het bestreden besluit dateert van 3 juli 2007. Het college heeft bij het bestreden besluit weliswaar geconstateerd dat de Wgv in werking is getreden, maar in het geheel niet beoordeeld of in het licht van de Wgv voor de te vestigen bedrijven in het plangebied een goed leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.9.3. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Bedrijven (B)", waaronder het plandeel dat ziet op het perceel De Hoeven 16, tevens is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen van [appellanten sub 2] zijn ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.10. [appellanten sub 2] betogen verder dat het open landschap door de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt aangetast. Zij stellen tevens dat de landschappelijke noord-zuid structuur niet wordt gewaarborgd en dat de natuurwaarden van de Rouwenbogtloop zullen worden aangetast.

2.10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat ten oosten van het bedrijventerrein een groene buffer blijft behouden waardoor het open landschap zal blijven bestaan. Ter plaatse van het voorziene bedrijventerrein bevonden zich toch al verschillende woningen en bedrijven. Ten aanzien van de noord-zuid structuur stelt het college dat deze wordt gewaarborgd door het behoud van groene bufferzones aan weerszijden van de Rouwenbogtloop. Hierdoor zullen tevens de natuurwaarden worden beschermd.

2.10.2. De Afdeling stelt vast dat het gebied in het Uitwerkingsplan is aangeduid als te ontwikkelen bedrijventerrein. Tevens blijkt uit de plantoelichting (pagina 12) dat ook de intergemeentelijke structuurvisie voorziet in het bedrijventerrein. Ten oosten van het bedrijventerrein voorziet de structuurvisie in een duurzame open zone en voor de Rouwenbogtloop ten westen van het bedrijventerrein zal nieuw beekbegeleidend groen worden ontwikkeld. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan in overeenstemming met deze beleidsdoelen. In hetgeen [appellanten sub 2] naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het open landschap tussen Reusel en Bladel niet onevenredig wordt aangetast en dat de bestaande natuurwaarden voldoende worden beschermd.

2.11. Voorts voeren [appellanten sub 2] nog aan dat met het plan ten onrechte de bestaande, illegaal begonnen, rommelige situatie langs De Hoeven wordt gelegaliseerd. Zij wijzen hierbij op de bedrijfsactiviteiten op het perceel De Hoeven 16, waar onder meer de remise van de regionale busdienst BBA en een detailhandel zijn gevestigd en waar een woning is gerealiseerd. Tevens wordt de woning aan De Hoeven 24 ten onrechte als bedrijfswoning bestemd, terwijl het een burgerwoning is en is de ten westen van de Hamelendijk gevestigde boomkwekerij ten onrechte niet als zodanig bestemd. Voorts kan door het plan het bosgebied ten noordwesten van het Weijereind/Hamelendijk niet blijven bestaan, aldus [appellanten sub 2].

2.11.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de planologische ongeordendheid voortkomt uit het feit dat de vorige bestemming van genoemde percelen niet goed aansloot bij het feitelijk gebruik. Het feitelijk gebruik sluit wel goed aan bij het voorziene gebruik als bedrijventerrein en vindt al jaren plaats. Daarom heeft het gemeentebestuur deze situaties als zodanig bestemd. Dan kan het gebruik ook worden gereguleerd, aldus het college.

2.11.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het perceel De Hoeven 16 een algemene bedrijfsbestemming heeft gekregen en dat op dit moment gesprekken worden gevoerd met de op dat perceel aanwezige bedrijven over de gewenste ontwikkelingen, zodat het perceel opnieuw kan worden verkaveld en ingericht. Duidelijk is al dat de aanwezige bandenhandel zal worden verplaatst en dat de aanwezige bedrijfswoning zal worden gesloopt. De raad heeft als doel om alle gronden langs De Hoeven met een bedrijfsbestemming in eigendom te krijgen zodat ze kunnen worden herontwikkeld. De gronden waarop de kwekerij was gevestigd, zijn al aangekocht. Daarnaast is voor de gronden met een andere bestemming voorzien in de mogelijkheid deze bestemmingen te wijzigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de woning aan De Hoeven 24. Deze woning heeft in het plan een woonbestemming met tevens een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een bedrijfsbestemming, aldus de raad.

2.11.3. Het plan voorziet voor de gronden aan De Hoeven 16 in de bestemming "Bedrijven (B)" en de aanduiding 'herontwikkelingskavels (III)'. Het perceel De Hoeven 24 heeft de bestemming "Wonen (W)" met de aanduiding 'één woning (1)'. Voor de gronden waarop zich de boomkwekerij bevond, voorziet het plan in de bestemming "Agrarisch gebied (A)".

2.11.4. De Afdeling stelt vast dat het bosgebied waar [appellanten sub 2] naar verwijzen buiten het plangebied ligt. Gelet hierop heeft het plan niet tot gevolg dat het bosgebied niet als zodanig kan worden behouden.

Voorts heeft de burgerwoning aan De Hoeven 24 een woonbestemming. Het betoog van [appellanten sub 2] dat deze woning ten onrechte als bedrijfswoning is bestemd, faalt derhalve.

De raad heeft het voornemen om alle gronden binnen het plangebied op termijn in eigendom te krijgen, waardoor het gehele plangebied geherstructureerd kan worden. Ter zitting is gebleken dat slechts enkele percelen, waarvan de raad nog niet voorziet op welke termijn deze in eigendom zullen worden verkregen, een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming hebben gekregen. Voor deze percelen is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een bedrijfsbestemming. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college in hetgeen [appellanten sub 2] op dit punt hebben betoogd geen aanleiding heeft hoeven zien om aan de desbetreffende plandelen goedkeuring te onthouden.

2.12. [appellanten sub 3] stellen voorts dat het college ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)" heeft goedgekeurd. Hiertoe voeren zij aan dat het college heeft onderkend dat de behoefte aan meer bedrijfskavels niet is aangetoond en dat het daarom niet zinvol is het plandeel goed te keuren wanneer aan het desbetreffende voorschrift goedkeuring wordt onthouden.

2.12.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is aangetoond dat op de lange termijn behoefte is aan de extra ruimte en dat de uitwerkingsverplichting zoals die in het plan was opgenomen slechts betrekking heeft op inrichtingsvraagstukken. Het college heeft geen bezwaar tegen de uit te werken bedrijfsbestemming indien deze wordt voorzien van een adequate bestemmingsregeling. Daarom heeft het college goedkeuring onthouden aan het desbetreffende planvoorschrift.

2.12.2. De Afdeling stelt vast dat het college goedkeuring heeft onthouden aan artikel 8 van de planvoorschriften dat betrekking heeft op de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)". Het gevolg hiervan is dat, anders dan het college veronderstelt, het plandeel dat voorziet in deze bestemming betekenisloos is. Ingevolge artikel 10:29, eerste lid, van de Awb kan een besluit alleen dan gedeeltelijk worden goedgekeurd, indien gedeeltelijke inwerkingtreding strookt met de aard en de inhoud van het besluit. Door het plandeel met de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)" goed te keuren, heeft het college dan ook gehandeld in strijd met artikel 10:29, eerste lid, van de Awb.

Het beroep van [appellanten sub 3] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)".

2.13. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de woning aan de Hamelendijk 1 ten onrechte niet overeenkomstig het vorige bestemmingsplan een woonbestemming heeft behouden. Zij stellen dat de onderzoeksplicht naar de benodigde maatregelen om een aanvaardbaar geluidsniveau in de woning aan de Hamelendijk 1 te garanderen ten onrechte op hen wordt afgeschoven. Indien de bedrijfsbestemming die in het plan is opgenomen, blijft gehandhaafd, vrezen zij voor een gedwongen vertrek uit de woning.

2.13.1. Het college stelt zich op het standpunt dat door de aanleg van het in het plan voorziene bedrijventerrein en de voorziene ontsluitingsweg, bij de woning niet meer kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarden. Het gemeentebestuur heeft aangegeven dat het uitvoeren van de benodigde maatregelen om een aanvaardbaar geluidsniveau te behalen geen reële optie is vanwege de hoge kosten. Daarom is het handhaven van een woonbestemming op die locatie planologisch niet wenselijk. Voorts ligt het in de bedoeling het gebruik als burgerwoning binnen de planperiode te beëindigen.

2.13.2. De Afdeling stelt vast dat de woning zich bevindt op een perceel waaraan in het plan de bestemming "Bedrijven (B)" en de aanduiding "herontwikkelingskavels (III)" is toegekend. Uit het 'Akoestisch Onderzoek, Geluidwering Gevels Hamelendijk 1 te Reusel' blijkt dat voor alle verblijfsruimten van de woning het maximaal toegestane geluidsniveau van 35 dB(A) wordt overschreden. Derhalve dienen maatregelen te worden berekend om aan deze norm te kunnen voldoen. In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft de raad vermeld dat aan deze maatregelen zeer hoge kosten zijn verbonden, die de raad niet in verhouding acht tot de waarde van de woning. De raad zal deze maatregelen dan ook niet laten uitvoeren. Nu is gebleken dat [appellant sub 1] en anderen niet voornemens zijn deze maatregelen zelf te laten uitvoeren, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor deze woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat het behoud van een burgerwoning op deze locatie derhalve niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Over de voortzetting van het gebruik als burgerwoning, overweegt de Afdeling dat de raad naar voren heeft gebracht dat hij het gebruik als zodanig wil beëindigen. Hiertoe zal de raad proberen tot een minnelijke schikking te komen met [appellant sub 1] en anderen. Bij het onverhoopt mislukken van de onderhandelingen, die blijkens de stukken al zijn gestart, zal de woning van [appellant sub 1] en anderen worden onteigend. In dat geval zal schadeloosstelling plaatsvinden volgens het onteigeningsrecht. Gelet hierop is de vrees van [appellant sub 1] en anderen dat de woning zal moeten worden verlaten niet zonder grond. De Afdeling is echter van oordeel dat het college in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de maatschappelijke belangen die zijn gediend met de realisering van het bedrijventerrein die het plan mogelijk maakt dan aan de belangen van [appellant sub 1] en anderen. Niet is gebleken dat het college de belangen van [appellant sub 1] en anderen hierbij onvoldoende heeft meegewogen. Overigens heeft de raad ter zitting toegezegd dat [appellant sub 1], de huidige bewoonster, gezien haar hoge leeftijd niet zal worden gedwongen de woning te verlaten. Hierbij heeft de raad benadrukt dat deze toezegging ook geldt voor de situatie waarin de gemeente de eigendom van de woning zal hebben verkregen.

2.13.3. De conclusie is dat het college in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel Hamelendijk 1 goedkeuring te onthouden.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond.

2.14. [appellanten sub 4] stellen zich op het standpunt dat het college het plan voor zover dat voorziet in een andere bestemming ter plaatse van hun bedrijf aan de Kleine Hoeven 1, niet had mogen goedkeuren omdat op dat moment nog geen duidelijkheid bestond over de hervestiging van het bedrijf.

2.14.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het gemeentebestuur zich zal inzetten om de desbetreffende gronden te verwerven, eventueel middels onteigening. Voorts bestaat geen aanleiding om op dit punt goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.14.2. Het plan voorziet met betrekking tot het bedrijf van [appellanten sub 3] aan de [locatie] in de bestemming "Bedrijven (B)" en de aanduiding 'bedrijvenclusterkavels I'. Niet in geschil is dat het bedrijf van [appellanten sub 4] niet binnen deze bestemming past. Zoals eerder is overwogen onder 2.7.2. is de Afdeling van oordeel dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien voor het oordeel dat behoefte op de korte termijn, dus wat betreft de eerste fase, onvoldoende is aangetoond. Gelet hierop heeft het college bij zijn belangenafweging in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de maatschappelijke belangen die zijn gediend met de realisering van het bedrijventerrein dat het plan mogelijk maakt dan aan de belangen van [appellanten sub 4]. Niet is gebleken dat het college de belangen van [appellanten sub 4] hierbij onvoldoende heeft meegewogen. Daarbij merkt de Afdeling op dat de WRO noch enige andere rechtsregel het gemeentebestuur de verplichting oplegt reeds in een vroeg stadium van de bestemmingsplanprocedure volledige duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheden tot verplaatsing van bedrijven en woningen die vanwege een bestemmingswijziging niet kunnen worden gehandhaafd en de termijn waarbinnen de verplaatsing zal plaatsvinden. Overigens is de raad direct na de vaststelling van het plan begonnen met de eerste onderhandelingen. Van de raad kon niet worden verwacht dat reeds bij de vaststelling van het plan volledige duidelijkheid bestond over de mogelijkheden tot verplaatsing. Deze mogelijkheden zullen aan de orde kunnen komen in het minnelijk overleg dat vooraf dient te gaan aan een eventuele onteigeningsprocedure. Wanneer de onderhandelingen niet tot verkoop en overdracht zullen leiden, zullen de gronden van [appellanten sub 4] worden onteigend. In dat geval zal schadeloosstelling ingevolge de Onteigeningswet plaatsvinden.

2.14.3. De conclusie is dat het college in hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel [locatie] goedkeuring te onthouden.

Het beroep van [appellanten sub 4] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.15. Ten aanzien van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 3] niet-ontvankelijk voor zover het beroep is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven (B)" en de aanduiding 'bedrijvenclusterkavels (I)' dat ziet op de gronden achter hun perceel;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en van [appellanten sub 3] voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 juli 2007, nummer 1246430, voor zover dat betrekking heeft op de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Bedrijven(B)", de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" en de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)";

IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven uit te werken (BU)";

V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder IV. genoemde plandeel in de plaats treedt van het besluit van 3 juli 2007;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 4] geheel en de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] voor het overige, ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 861,02 (zegge: achthonderdeenenzestig euro en twee cent), waarvan € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 87,88 (zegge: zevenentachtig euro en achtentachtig cent); het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellanten sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 286,00 (zegge: tweehonderdzesentachtig euro) voor [appellanten sub 2] en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2008

12-545.