Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG8634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
200802436/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark (hierna: het dagelijks bestuur) de aan [appellant verleende subsidie voor woningverbetering gewijzigd vastgesteld en het bedrag aan te veel betaalde subsidie teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802436/1.

Datum uitspraak: 31 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/ 37 van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark (hierna: het dagelijks bestuur) de aan [appellant verleende subsidie voor woningverbetering gewijzigd vastgesteld en het bedrag aan te veel betaalde subsidie teruggevorderd.

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2008, verzonden op 25 februari 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 mei 2008.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. R.M. de Graaf, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.6, eerste lid, van de Subsidieverordening Woningverbetering stadsdeel Westerpark 1997 (hierna: de Verordening) is het dagelijks bestuur bevoegd in het belang van de woningverbetering en met inachtneming van het bepaalde in deze Verordening subsidies toe te kennen aan natuurlijke of rechtspersonen.

Ingevolge artikel 1.10, eerste lid, van de Verordening bepaalt het dagelijks bestuur bij zijn besluit tot het toekennen van een subsidie de voorlopige hoogte van die subsidie.

Ingevolge artikel 1.11, eerste lid, van de Verordening bepaalt het dagelijks bestuur bij het besluit tot het vaststellen van de geldelijke bijdrage de hoogte van de subsidie.

In artikel 1.13 van de Verordening is bepaald dat, indien toepassing van deze Verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, het dagelijks bestuur kan afwijken van de bepalingen van deze Verordening, mits de aard en de strekking van de Verordening niet aangetast wordt. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening kan aan de eigenaar-bewoner een subsidie worden toegekend in de kosten van de volgende voorzieningen, uitgezonderd voorzieningen die leiden tot een geriefverbetering:

a. het treffen van voorzieningen tot opheffing van bouwtechnische gebreken;

b. het treffen van voorzieningen, gericht op groot onderhoud.

Ingevolge artikel 2.15, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is de eigenaar van een woning, waarvoor subsidie is verleend, indien hij binnen vier jaar na vaststelling van een subsidie ineens de woning vervreemdt of er een andere dan een woonbestemming aan geeft, verplicht dit aan het stadsdeel te melden.

Ingevolge artikel 2.15, vierde lid, aanhef en onder c, van de Verordening zal bij het niet naleven van de in het derde lid genoemde meldingsplicht het dagelijks bestuur in het geval van subsidie ineens, ongeacht het aantal verstreken jaren, 80% van de subsidie terugvorderen.

2.2. Bij besluit van 8 augustus 2000 heeft het dagelijks bestuur aan [appellant] een subsidie van ƒ 22.500,00 (€ 10.210,05) verleend voor de verbetering van zijn woning aan de [locatie] te Amsterdam. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 6 juli 2002 de subsidie gewijzigd vastgesteld op € 9.648,73.

Onbetwist is dat [appellant] de woning op 1 augustus 2003, derhalve binnen vier jaar binnen het vaststellingsbesluit, heeft verkocht, doch deze verkoop niet aan het dagelijks bestuur heeft gemeld. Aangezien [appellant] niet heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 2.15, derde lid, van de Verordening rustende plicht tot melding van de verkoop van de woning, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 11 april 2006 de subsidie wederom gewijzigd vastgesteld op € 1.929,75 en tevens een bedrag van € 7.718,98, zijnde 80% van de subsidie, van [appellant] teruggevorderd.

2.3. [appellant] betoogt in hoger beroep dat hij nimmer door het dagelijks bestuur is gewezen op de plicht om de verkoop van zijn woning te melden. Volgens [appellant] is de enkele verwijzing in het besluit waarbij de subsidie was verleend naar de Verordening onvoldoende.

2.3.1. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Verordening een wettelijke regeling is, die op de voorgeschreven wijze is gepubliceerd en ter inzage gelegd en waarvan de inhoud bij [appellant] bekend mocht worden verondersteld. Op subsidieverlening op grond van de Verordening zijn derhalve niet alleen de expliciet in de beschikking waarbij subsidie wordt verleend opgenomen verplichtingen voor de subsidieontvanger van toepassing, doch alle in de Verordening opgenomen verplichtingen. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van een subsidieontvanger zich te vergewissen van alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, zoals deze zijn neergelegd in de Verordening op grond waarvan de subsidie wordt aangevraagd. Dit geldt des te meer, nu in het besluit van 8 augustus 2000, waarbij de subsidie was verleend, uitdrukkelijk naar de in de Verordening opgenomen verplichtingen is verwezen en [appellant] op het aanvraagformulier zelf heeft verklaard dat hij op de hoogte is van de Verordening en hier ook naar zal handelen. De door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat het dagelijks bestuur hem geen afschrift van de Verordening ter hand heeft gesteld, noch heeft aangegeven hoe de Verordening te raadplegen is, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger in dit verband.

Het doorgeven van een adreswijziging kan niet worden beschouwd als een melding als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening. Uit de door [appellant] na de verkoop van de woning doorgegeven adreswijziging had het dagelijks bestuur in redelijkheid dan ook niet hoeven af te leiden dat de woning inmiddels verkocht was. Evenmin had [appellant] ervan uit mogen gaan dat de verkoop van de woning automatisch door het Kadaster aan het dagelijks bestuur zou worden doorgegeven.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat [appellant] de in artikel 2.15, vierde lid, van de Verordening neergelegde meldingsplicht niet heeft nageleefd, zodat het dagelijks bestuur gehouden was 80% van de subsidie van [appellant] terug te vorderen.

2.4. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat het dagelijks bestuur ten behoeve van hem gebruik had dienen te maken van de in artikel 1.13 van de Verordening neergelegde hardheidsclausule, faalt het betoog. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat de toepassing van de Verordening in dit geval heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die noopten tot toepassing van de hardheidsclausule.

Dat [appellant], naar hij stelt, door het dagelijks bestuur op het verkeerde been is gezet, doordat in het besluit van 8 augustus 2000 enkele verplichtingen zijn vermeld maar niet de hiervoor bedoelde meldingsplicht, is, reeds gelet op het onder 2.3.1 overwogene, niet een omstandigheid die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen kan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2008

164-230.