Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG8618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
200808262/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) het verzoek om handhaving van [belanghebbenden A] en [belanghebbenden B] inzake het vleesvarkensbedrijf met paarden aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808262/2.

Datum uitspraak: 24 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) het verzoek om handhaving van [belanghebbenden A] en [belanghebbenden B] inzake het vleesvarkensbedrijf met paarden aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het college het door [belanghebbenden A] en [belanghebbenden B] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de drijver van de inrichting, [verzoeker], een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer houden van meer varkens dan waarvoor vergunning is verleend.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 december 2008.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 december 2008, waar [verzoeker], vertegenwoordig door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. L.G. Hartman, ing. M. Busscher en ir. W. Stempher, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbenden A], vertegenwoordigd door mr. D. Pool, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het college krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend aan [verzoeker] voor het houden van onder meer 2.160 vleesvarkens. Dit besluit is bij uitspraak van 23 januari 2008 door de Afdeling vernietigd. Op grond van de vigerende milieuvergunning van 25 mei 2004 mogen 1.317 vleesvarkens worden gehouden binnen de inrichting. Vaststaat dat [verzoeker] ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een hoger aantal, namelijk 2.160 vleesvarkens, hield binnen de inrichting. Het college was daarom bevoegd om tot handhaving over te gaan.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [verzoeker] voert aan dat het college ten onrechte over is gegaan tot handhaving. Hij voert hiertoe aan dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit concreet uitzicht op legalisatie bestond omdat een ontvankelijke aanvraag voor een vergunning was ingediend. Voorts is volgens hem evident dat een milieuvergunning kan worden verleend. Daarnaast voert hij aan dat handhaving onevenredig bezwarend is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen omdat hij wordt gelast zijn veestapel fors te verminderen terwijl hij aan de bij besluit van 6 februari 2007 verleende vergunning het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat het houden van 2.160 vleesvarkens niet op milieuhygiƫnische problemen zou stuiten.

2.4.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat concreet uitzicht op legalisatie ontbreekt. Daarbij heeft het overwogen dat nu de resultaten van de zogenoemde habitattoets, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of vergunningverlening niet in strijd is met Richtlijn 92/43/EEG (Pb. 1992, L 206; hierna: de Habitatrichtlijn) vanwege negatieve effecten op de in de nabijheid gelegen speciale beschermingszones, nog niet bekend zijn, onvoldoende zeker is of vergunningverlening niet in strijd is met de Habitatrichtlijn. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat de resultaten van de habitattoets inmiddels wel bekend zijn. Hieruit blijkt volgens het college dat door een toename van de stikstofdepositie niet kan worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden in de in de nabijheid gelegen speciale beschermingszones door uitbreiding van de inrichting. Verlening van de vergunning is daarom in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, aldus het college. In het naar aanleiding van de aanvraag van [verzoeker] opgestelde ontwerpbesluit wordt de gevraagde vergunning daarom geweigerd.

2.5. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit waren de resultaten van de habitattoets nog niet bekend, zodat onzeker was of de uitbreiding van de inrichting de natuurlijke kenmerken van de in de nabijheid gelegen speciale beschermingszones niet zou aantasten. De voorzitter is daarom met het college van oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onzeker was of de Habitatrichtlijn verlening van de voor de inrichting aangevraagde vergunning toe zou laten zodat op dat moment geen concreet uitzicht op legalisatie kon worden aangenomen.

De voorzitter leidt uit de omstandigheid dat de gevraagde vergunning in het ontwerpbesluit is geweigerd wegens strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn af dat het thans, anders dan [verzoeker] stelt, voor het college nog steeds onzeker is of vergunning kan worden verleend voor het houden van 2.160 vleesvarkens. In hoeverre dit ontwerpbesluit zal worden gevolgd door een gelijkluidend besluit en of een dergelijk besluit in een mogelijke beroepsprocedure in stand zal blijven, staat nu niet ter discussie.

De stelling dat handhaving onevenredig bezwarend is omdat [verzoeker] aan de bij besluit van 6 februari 2007 verleende milieuvergunning vertrouwen mocht ontlenen dat het houden van 2.160 vleesvarkens niet op milieuhygiƫnische problemen zou stuiten deelt de voorzitter niet, omdat dit besluit door de Afdeling is vernietigd.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008

407-578.