Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG8478

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
200805917/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6344, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dublin-verordening / Griekenland / interstatelijk vertrouwensbeginsel / schending verdragsverplichtingen tot non-refoulement niet aannemelijk

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling haar stelling, dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen tot non-refoulement jegens haar zal schenden, met zodanig concrete en voldoende informatie heeft onderbouwd dat de staatssecretaris zich niet met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt heeft kunnen stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Griekenland de refoulementverboden niet zal schenden. De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805917/1.

Datum uitspraak: 29 december 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 3 juli 2008 in zaak nr. 07/35971 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 31 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2008, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, in persoon en bijgestaan door

mr. F.K.H. Blom, advocaat te Utrecht, zijn verschenen. De zaak is ter zitting tegelijkertijd behandeld met de zaken nrs. 200805984/1 en 200805990/1.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang en zoals deze luidde ten tijde van belang, gaat de staatssecretaris ervan uit dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Daarbij wordt verwezen naar de nrs. 2 en 15 van de preambule van de Verordening. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Daarbij ligt het op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd.

2.2. De staatssecretaris klaagt in grief II dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdeling haar stelling, dat Griekenland zijn non-refoulementverplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens haar niet zal nakomen, met zodanig voldoende en concrete informatie heeft onderbouwd, dat de staatssecretaris zich niet zonder nader onderzoek en nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van kan worden uitgegaan dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Daartoe betoogt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de door de vreemdeling bij de rechtbank overgelegde informatie weliswaar betrekking heeft op problemen die asielzoekers die op grond van de Verordening aan Griekenland worden overgedragen daar in de asielprocedure ondervinden, maar dat uit die informatie niet blijkt dat Griekenland dergelijke asielzoekers heeft dan wel zal doen terugkeren naar hun land van herkomst zonder dat beoordeeld is of dit in strijd is met een van de refoulementverboden.

2.3. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de in rechtsoverweging 2.4 van de aangevallen uitspraak genoemde algemene stukken. Daarbij heeft de rechtbank met name, onder aanhaling van de desbetreffende passages, van belang geacht hetgeen in het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van 15 april 2008, getiteld 'UNHCR position on the return of asylum-seekers to Greece under the Dublin regulation' is opgemerkt over de toegang van Dublinclaimanten tot de Griekse asielprocedure, de inhoudelijke beoordeling van asielaanvragen en de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen afwijzende asielbesluiten, alsmede de opvangmogelijkheden van asielzoekers en het gebrek aan voorzieningen. De rechtbank heeft daarbij mede betrokken dat de bevindingen van de UNHCR worden bevestigd door hetgeen is vermeld in het verslag van de Vereniging asieladvocaten en -juristen Nederland van 20 maart 2008.

2.4. De vreemdeling heeft bij zijn verweerschrift, ter bestrijding van grief II, nog de volgende stukken overgelegd:

1. een rapport van de UNHCR onder de titel 'Asylum in the European Union; A study of the implementation of the qualification directive' van november 2007;

2. een brief van Amnesty International van 10 november 2008;

3. een brief van R. Bruin van de UNHCR van 1 oktober 2008;

4. een door de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 20 juni 2008 getroffen interim measure (nr. 29565/08);

5. een gezamenlijk rapport van Norwegian Organisation for Asylum Seekers, Norwegian Helsinki Committee en Greek Helsinki Monitor van 9 april 2008, met de titel 'A gamble with the right to Asylum in Europe; Greek asylum policy and the Dublin II regulation';

6. een rapport van Pro Asyl met de titel 'The situation in Greece is out of control; Recherche zur Situation von Asylsuchenden in Griechenland', van oktober 2008 over een onderzoek dat van 20 tot 28 oktober 2008 heeft plaatsgevonden;

7. het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 juli 2008, nr. 25904/07 (JV 2008/329).

2.4.1. De vreemdeling betoogt, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak T.I. tegen het Verenigd Koninkrijk van 7 maart 2000, nr. 43844/98 (JV 2000/103) en de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2007 in zaak nr. 200703323/1 (JV 2007/497), dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat, nu de vreemdeling haar stellingen dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt voldoende heeft onderbouwd, het aan de staatssecretaris is die stellingen, met tegenbewijs, in twijfel te trekken. De staatssecretaris heeft in deze situatie een eigen onderzoeksplicht en verantwoordelijkheid om zich ervan te verzekeren dat uitzetting van de vreemdeling naar Griekenland niet in strijd komt met artikel 3 van het EVRM, aldus de vreemdeling.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 januari 2008 in zaak nr. 200705558/1, www.raadvanstate.nl) ligt het in beginsel op de weg van de desbetreffende vreemdeling om met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat de staatssecretaris in zijn geval niet heeft kunnen vasthouden aan de presumptie dat Griekenland zich na zijn overdracht aan de hiervoor bedoelde verdragsverplichtingen zal houden en niet op de weg van de staatssecretaris om het tegendeel aannemelijk te maken.

Dit betekent dat het aan de vreemdeling is om aan de hand van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat de tekortkomingen in de Griekse asielprocedure waarop zij heeft gewezen van dien aard zijn dat moet worden geconcludeerd dat ten aanzien van haar niet kan worden vastgesteld of zij de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico's loopt indien zij naar haar land van herkomst moet terugkeren en zij daardoor het risico loopt dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen inzake non-refoulement jegens haar niet zal nakomen. Eerst indien zij daarin is geslaagd, kan de staatssecretaris niet langer volstaan met een algemeen beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is het aan hem om concreet te weerleggen dat de vreemdeling bedoelde risico's loopt.

2.5.1. De algemene stukken waarop de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd en de nadere algemene stukken die de vreemdeling bij haar verweerschrift heeft overgelegd, hebben in hoofdzaak betrekking op de positie van vreemdelingen die in Griekenland internationale bescherming zoeken, de omstandigheden waaronder zij in Griekenland worden ondergebracht en opgevangen, de wijze waarop zij worden behandeld en de wijze waarop de Griekse asielprocedure is ingericht en wordt toegepast. Die stukken behelzen echter geen concrete aanknopingspunten die er op wijzen dat de gesignaleerde tekortkomingen ertoe leiden dat Griekenland ten aanzien van vreemdelingen die, zoals de vreemdeling, op grond van de Verordening aan Griekenland worden overgedragen, zijn non-refoulementverplichtingen schendt. Daarbij is in aanmerking genomen dat, zoals de staatssecretaris heeft opgemerkt, uit het hiervoor in overweging 2.4, onder punt 5 genoemde rapport van 9 april 2008 naar voren komt dat Griekenland ondanks zijn uiterst strikte asielpraktijk geen bijzonder actief uitzettingsbeleid voert, ervan uitgaat dat afgewezen asielzoekers het land eigener beweging verlaten en niet overgaat tot gedwongen verwijdering. Dat Griekenland afgewezen asielzoekers die, zoals de vreemdeling, afkomstig zijn uit Somalië wel gedwongen verwijdert, valt uit vorenbedoelde stukken niet af te leiden. Hetgeen de vreemdeling naar voren heeft gebracht omtrent haar eigen ervaringen in Griekenland biedt daarvoor evenmin grond. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de staatssecretaris, zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld, betwist dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdens haar eerdere verblijf in Griekenland door de Griekse autoriteiten is uitgezet naar Somalië. Nu de vreemdeling de stelling over haar eerdere uitzetting niet heeft onderbouwd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris bedoelde uitzetting ten onrechte niet aannemelijk gemaakt heeft geacht. Ter zitting heeft de vreemdeling nog gesteld dat wel uitzettingen door Griekenland plaatsvinden, maar ook die stelling heeft zij niet concreet onderbouwd.

Het door de vreemdeling gedane beroep op Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, betreft niet de uitzetting van vreemdelingen, maar de inhoudelijke beoordeling van asielverzoeken. De gestelde gebrekkige wijze waarop deze richtlijn door Griekenland wordt toegepast, betekent nog niet dat Griekenland zich niet aan de refoulementverboden zal houden.

Dat, zoals de vreemdeling heeft aangevoerd, de President van het EHRM sinds 14 mei 2008 in meer dan zestig zaken met betrekking tot een op grond van de Verordening aan Griekenland over te dragen asielzoeker een zogeheten interim measure heeft getroffen, biedt evenmin grond voor dat oordeel. Niet is gebleken dat deze interim measures zijn getroffen met het oog op het risico dat Griekenland de desbetreffende vreemdeling zal uitzetten naar zijn land van herkomst.

Voorts heeft de vreemdeling nog betoogd dat haar uitzetting naar Griekenland in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat uit haar relaas en de door haar overgelegde stukken kan worden afgeleid dat Griekse ambtenaren zich schuldig maken aan handelingen in strijd met die bepaling. Dit betoog kan evenwel niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken, omdat het bij de rechtbank niet als beroepsgrond naar voren is gebracht en niet tot de door haar te verrichten ambtshalve toetsing behoort.

2.5.2. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling haar stelling, dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen tot non-refoulement jegens haar zal schenden, met zodanig concrete en voldoende informatie heeft onderbouwd dat de staatssecretaris zich niet met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt heeft kunnen stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Griekenland de refoulementverboden niet zal schenden. De grief slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen de staatssecretaris in grief I heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 17 september 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.7. Bij de rechtbank heeft de vreemdeling zich, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat de staatssecretaris, gelet op haar precaire gezondheidstoestand en hetgeen zij in Griekenland heeft meegemaakt, ten onrechte niet vanwege humanitaire redenen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 3, tweede lid, van de Verordening neergelegde bevoegdheid.

Voorts heeft zij naar voren gebracht dat zij, gelet op hetgeen zij in Griekenland heeft meegemaakt, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

2.7.1. Volgens paragraaf C3/2.3.6.4 van de Vc 2000, zoals deze ten tijde van belang luidde, kan de lidstaat, indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat het overdragen van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt, ook in dergelijke individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat in dit geval geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, die aanleiding geven gebruik te maken van die bevoegdheid.

Nu de aanvraag van de vreemdeling gelet op het vorenoverwogene op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 mocht worden afgewezen, hoefde de staatssecretaris niet te beoordelen of de vreemdeling aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

2.7.2. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 3 juli 2008 in zaak nr. 07/35971;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

De ambtenaar van Staat is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2008

480.